XXIV. TEN EINDE RAAD.
Reading edition
Sedert de verovering van Gibraltar was een maand verloopen; de vrijbuiters waren teruggekeerd naar Maracaïbo, en die terugtocht geleek meer op eene vlucht dan op een zegetocht. Zoo was het ook; de flibustiers hadden werkelijk de vlucht genomen, niet voor menschen maar voor een veel geduchteren en onverbiddelijken vijand, de zwarte pest!
Met een paar woorden moeten wij ophelderen waardoor die ontstaan, en hoe het dus noodzakelijk was geworden voor de vrijbuiters om met den meesten spoed terug te trekken.
De Spaansche gevangenen waren in een verwarden troep opeengehoopt in de kerken; vrouwen, kinderen, grijsaards, zelfs de slaven, allen bevonden zich daar door elkander. Waren zij eenmaal achter slot en grendel, dan bemoeide men zich verder niet met hen, en dus stierven zij van honger en gebrek, zonder dat hunne erbarmelijke klachten de vrijbuiters één oogenblik weerhielden bij de plundering die, naar hunne gewoonte, stelselmatig en geregeld geschiedde en uitgevoerd werd met eene onbaatzuchtigheid die men bij zulke lieden niet zou hebben verwacht, daar al de buit in massa werd bijeengebracht, in afwachting van de verdeeling, volgens het daarvoor bestaande reglement.
In de eerste dagen had men de lijken der Spanjaarden neergegooid in booten die geen dienst meer konden doen, en die vaartuigen als zij vol waren in zee gesleept en doen zinken; maar spoedig vonden de vrijbuiters dit een vervelend en tevens een zeer walgelijk werk, daarom hielden zij daarmee op; vandaar dat, zoowel de gevangenen die in de kerken van honger waren omgekomen, als de vrijbuiters die iederen dag in de huizen der stad stierven tengevolge van de bekomene wonden, zelfs niet door de geringste laag aarde werden bedekt, en tot aas dienden voor de insecten en de roofvogels. Die even stuitende als roekelooze onbezorgdheid moest door allen weldra duur worden betaald, want het natuurlijke gevolg in een zoo warm klimaat was, het uitbreken van een pestziekte. Een zeer groot aantal der vrijbuiters stierf daaraan bijna oogenblikkelijk, en nog verscheidene anderen bezweken daar hunne oude wonden weer openbraken en daarin koudvuur ontstond. Eindelijk werd de sterfte zoo groot, dat de vrijbuiters begrepen hoe een langer verblijf geen ander gevolg kon hebben, dan hun totalen ondergang, zoodat geen hunner het Schildpaddeneiland ooit weer zou betreden.
De bewoners van Maracaïbo hadden inmiddels hunne huizen weder betrokken, doch werden opnieuw tot wanhoop gebracht door den terugkeer van Montbars en de zijnen, en zij hadden daarvoor maar al te zeer reden, want hij legde hun eene schatting op van dertigduizend piasters, als afkoop eener hernieuwde plundering. Smeekingen hielpen niet, aan verzet viel niet te denken, en dus bleef er voor de inwoners niet anders over dan zich te onderwerpen.
Maracaïbo werd toen door de vrijbuiters bezet, en terwijl de voornaamste handelaars van die stad zich beijverden het geëischte losgeld bijeen te krijgen, begonnen de vrijbuiters, onder voorgeven dat kloosters en kerken niet begrepen waren in de geslotene overeenkomst, met een ijver een betere zaak waardig die gewijde plaatsen van alles te berooven; de kostbaarheden van het altaar, de kruisbeelden, de gewijde vaten, tot zelfs de klokken werden door hen weggevoerd, terwijl zij sarrend op de schuchtere aanmerkingen der inwoners ten antwoord gaven, dat dit alles hun moest dienen bij de oprichting op het Schildpaddeneiland van eene kapel gewijd aan Onze Lieve Vrouwe van de Overwinning. Eindelijk was men er in geslaagd de dertigduizend piasters te kunnen betalen, en bovendien werden aan de vrijbuiters vijfhonderd ossen afgestaan als victualie voor de vloot, daar de inwoners hoopten op die wijze des te eerder van hen ontslagen te zullen worden.
Voor den eersten keer hielden de flibustiers trouw hun woord; zij maakten aanstalten om spoedig en voor goed de streken te verlaten, die zoo erbarmelijk door hen waren verwoest, toen Montbars zeer plotseling van Francoeur, die door hem op een brigantijn ter verkenning was uitgezonden, vernam, dat een talrijk Spaansch eskader in het gezicht der kust kruisende was. Die tijding, hoogst waarschijnlijk door hem verwacht, deed Montbars bijzonder veel genoegen, en dadelijk wijzigde hij nu zijne plannen omtrent het vertrek. De vermaarde vrijbuiter kende veel te goed de mannen die onder zijn bevel stonden om niet te weten, dat roem voor hen weinig beteekende als die niet gepaard ging met voordeel, en eveneens dat hij behoedzaam en voorzichtig moest handelen om geen gevaar te loopen van door hen aan zijn lot te worden overgelaten, wanneer men bij het verlaten van het meer in de noodzakelijkheid zou worden gebracht, den strijd te aanvaarden waartoe de Spaansche admiraal hen trouwens hoogst waarschijnlijk wel zou dwingen.
Nu was het juist de hoop dat het tot zulk een strijd zou komen, dat Montbars het gansche plan tot deze expeditie had ontworpen, eene expeditie, tot nu toe met zooveel stoutmoedigheid als beleid door hem volgehouden, eene expeditie ook, die zulke enorme voordeelen voor de deelhebbers had opgeleverd. Onmiddellijk liet hij de toebereidselen tot het vertrek staken, kondigde aan dat de vijand met aanzienlijke macht bij den ingang van het meer was komen opdagen, en voegde er bij dat met het oog op de gebeurtenissen die verwacht moesten worden, de verdeeling van den buit niet zou geschieden op het Koe-eiland, zooals eerst overeen was gekomen, maar dadelijk hier te Maracaïbo, zoodat dus ieder terstond in het bezit gesteld van zijn deel der veroverde schatten, des te feller zijne bezitting zou verdedigen, zoo het tot een gevecht met de Spanjaarden mocht komen.
Dit besluit werd zeer goed opgenomen door de vrijbuiters, daar zij, ondanks hun vertrouwen in hunne aanvoerders, toch er zeer op gesteld waren hoe eer hoe beter te kunnen beschikken over hun deel in den behaalden buit. Er werd dus eene algemeene samenkomst gelast van al de vrijbuiters, op den volgenden dag ’s ochtends acht uur in de voornaamste kerk van Maracaïbo, die voor dit doel behoorlijk werd ingericht. Op het bepaalde uur waren reeds al de vrijbuiters gewapend in de kerk gekomen, en hadden zij zich zwijgend rechts en links in het gelid geplaatst; dicht bij het koor waren banken gezet voor de aanvoerders van de expeditie, die daar plaats namen, al naarmate hunne bemanning aankwam. Midden in de kerk was een ontzaglijke hoop goederen en zaken van allerlei aard bijeengebracht; dit was de buit en de opbrengst van de dubbele plundering te Maracaïbo en te Gibraltar.
Eerst hoorden de flibustiers de mis aan in stille aandacht en als geloovige lieden; geknield op de zerken, deden zij hunne gebeden en bleven in die houding al den tijd dat de dienst aanhield, eerst opstaande toen de geestelijken zich in de sacristie hadden teruggetrokken. Toen stond ook de admiraal van zijn zetel op, besteeg de trappen van het hoofdaltaar, en zwoer met de hand op het evangelie, dat hij niet het minste of geringste had achtergehouden van den algemeenen buit, en dat hij geen aanspraak maakte op een grooter aandeel dan hem toekwam volgens de bepalingen van het reglement der vereeniging zooals die waren opgenomen in de monsterrol.
Na de vervulling van die plechtigheid, ging men over tot de berekening van den buit, en het gezamenlijke bedrag, met inbegrip van alles, ook van de kleinodiën en het gebroken zilverwerk, dat geschat werd op tien kronen per pond, werd gesteld op de hoogst aanzienlijke som van zeshonderd en zestigduizend piasters, een bedrag gelijkstaande met een millioen, achtmaal honderd duizend gulden, nog ongerekend vijftig duizend piasters, dus nog honderd vijftig duizend gulden, als opbrengst van de plundering door de matrozen afzonderlijk gedaan, en die volgens aangenomen gebruik, aan hen werden afgestaan.
Nadat het deel des Konings was afgezonderd, ontving ieder voor zich zijn aandeel, doch vooraf was ingehouden de vergoeding toekomende aan de gewonden, en de belooningen van de chirurgijns der vloot, welke beide uitkeeringen in geld of in slaven werden voldaan, en ook nog het deel voor de gesneuvelden of overledenen, dat aan hunne verwanten of vrienden moest worden afgestaan, na behoorlijk ingeleverde bewijsstukken. Het doet ons goed te kunnen verzekeren dat al die verrichtingen aangevangen in goed vertrouwen op hunne aanvoerders, eindigden zonder den minsten twist en tot volkomen bevrediging van een ieder.
Nadat al de onderhoorigen vertrokken en slechts de gezagvoerders in de kerk gebleven waren, die ook aanstalten maakten heen te gaan, werden zij daarin tegengehouden door een wenk van den ridder de Grammont die hun toeriep:—Een oogenblik, Broeders! Ik heb nog aan het oordeel van den raad eene zeer gewichtige zaak te onderwerpen.
—Spreek!—antwoordde de admiraal uit aller naam.—Wij luisteren naar je.
—Er is immers bij de monsterrol bepaald dat al wat op de Spanjaarden mocht worden buit gemaakt, met inbegrip der slaven, gelijkelijk door ons moet worden verdeeld?
—Zeer zeker is dit bepaald, en staat het beschreven in de monsterrol,—bevestigde Montbars.
De flibustiers begonnen aan die zaak hunne aandacht te wijden; Grammont wisselde met Philippe een tartenden blik, en vervolgde met sarrenden glimlach:—Hoe komt het dan dat een van ons, een zeer voornaam officier der vloot, een man, in één woord, die èn om zijn rang èn om zijn naam ten voorbeeld moest strekken niet slechts van onbaatzuchtigheid maar in de eerste plaats van eerlijkheid, zich veroorloofd heeft zich op eigen gezag eene slavin toe te eigenen, en haar aan den algemeenen buit te onttrekken?
—Als een van ons zulk eene laakbare handeling gepleegd heeft,—gaf Montbars op strengen toon te kennen,—dan heeft hij zich aan twee misdrijven schuldig gemaakt. Vooreerst van bedrog jegens zijne broeders, en vervolgens van ontduiking van de bepalingen der monsterrol, en verbreking van den eed vrijwillig door hem uitgesproken ten aanhoore van ons allen en met de hand op het evangelie. Zeg mij wie die man is, en hij zal gestraft worden.
—Die man …—hernam Grammont met spottende stem, doch Philippe drukte hem de hand op den schouder en viel hem eensklaps in de rede, en zei:—Het is aan mij daarop antwoord te geven, kapitein Grammont, want ik ben de man die door u wordt beschuldigd. Laat mij u er dus voor behoeden eene laagheid te begaan.
—Eene laagheid!—barstte de kapitein los en sprong driftig op.
—Ik heb dat woord gebruikt en trek het niet terug. Waar en wanneer gij wilt zal ik u daarvan rekenschap geven.
—Dan dadelijk!
—Laat ons vooraf de zaak afhandelen die je op zulk eene ongepaste manier te berde hebt gebracht, daarna zal de andere aan de beurt komen, wees daar gerust op.
—Kom tot kalmte, Grammont, en gij, Philippe, vervolg. Wat hebt gij te uwer verdediging in te brengen?—vroeg Montbars, steeds even bedaard en koel.
—De vrouw, of liever het jonge meisje, waarvan nu sprake is, werd werkelijk door mij gevangen gemaakt, en het is waar dat ik haar niet gevoegd heb bij de slaven bestemd om bij den buit te worden verdeeld. Doch ik geloof mij te mogen beroepen op Montbars zelf, die mij tot belooning voor het door mij ontworpen plan van deze expeditie, heeft toegestaan voor mij zelven een slaaf of slavin, naar eigen keuze, te behouden; en dat Montbars zijn woord gestand zal blijven, dat staat bij mij vast.
—En dit zal ook bepaald en zeker het geval zijn,—bevestigde Montbars.—Bovendien is alles wat daar door Philippe gezegd is de letterlijke waarheid. Ik heb gemeend dat de macht die aan mij door het vertrouwen mijner broeders is verleend, ver genoeg zou strekken, om zulk eene onbeduidende belooning toe te staan aan den man, door wiens toedoen wij zulk een ontzaglijken buit hebben behaald.
—Ja, ja!—beaamden al de aanvoerders.
—Grammont heeft ongelijk,—sprak ten overvloede Luiwammes.
De kapitein beet zich tot bloedens op de lippen en het kostte hem blijkbaar inspanning niet te spreken.
—Dus, broeders, ben ik in uwe oogen volkomen gerechtvaardigd?—vroeg Philippe.
—Ja, ja!—klonk het hem toe.
—Daarvoor zeg ik je dank, doch in eigen oogen zou ik dit niet zijn, zoo ik je iets verzweeg.
—Spreek op, broeder, spreek!
Philippe wendde zich naar den rechterkant van de kerk, waar in een zijkapel een biechtstoel stond en zei:—Wees zoo goed hier te komen, mevrouw.
De biechtstoel werd opengedaan en donna Clara naderde de gezagvoerders. Allen bogen eerbiedig voor haar, zelfs Grammont groette haar, schoon een blos van schaamte zijn gelaat kleurde, daar hij al het laaghartige van zijne handelwijze begon te bevroeden.
—Heeren,—ving donna Clara aan,—op den dag na de bemachtiging van Gibraltar bracht kapitein Philippe ’s avonds tegen zes uur, bij mij aan huis eene jonge dame en eene oude dienstbode. Die jonge dame had hevige zenuwtoevallen. Ik stelde den kapitein voor haar bij mij te houden en te verzorgen en op te passen; dat was juist wat de kapitein verlangde, met dat doel had hij haar bij mij gebracht. Voor het lot van die jonge dame gevoelde ik groote belangstelling; het gelukte mij haar tot herstel te brengen. Toen verzocht ik den kapitein haar aan mij af te staan, en hij gaf mij ten antwoord dat de diensten die ik aan de expeditie had bewezen die vraag mijnerzijds ten volle billijkten, zoodat ik van dit oogenblik de volkomene beschikking verkreeg over het lot van het jonge meisje. Heeren, ziedaar het ware en eenvoudige verslag van de feiten. Sinds dien tijd is de arme gevangene te mijnent gebleven, en heeft mij met al hare kracht bijgestaan aan de taak waaraan ik mij heb gewijd.
—Mevrouw,—antwoordde Montbars, wien het moeielijk viel zijne ontroering te bedwingen,—wij allen zijn aan kapitein Philippe dank verschuldigd voor zijn edel gedrag in deze omstandigheden. Die jonge dame behoort u toe.
Grammont boog een knie ter aarde voor donna Clara.—Mevrouw,—sprak hij met gesmoorde stem,—mijn gedrag was dat van een ellendeling, maar gij, gij zijt een engelachtig wezen en daarom durf ik hopen op uwe vergiffenis.
—Sta op, mijnheer,—voegde zij hem toe op zachten doch droevigen toon.—Ik schenk u vergiffenis, en ik beklaag u.
Donna Clara groette de vrijbuiters, die opnieuw eerbiedig voor haar bogen, en verliet met langzamen tred de kerk.
—En nu tusschen ons, kapitein,—zei Grammont tegen Philippe.—Tegenover die dame heb ik de begane dwaling hersteld, maar tegenover u …
—Genoeg!—gelastte Montbars streng, terwijl hij zich tusschen hen beide plaatste.—Weet gij, die met de voorschriften der monsterrol zoo goed bekend zijt, dan niet dat tusschen Broeders der Kust ieder tweegevecht ongeoorloofd is gedurende den duur eener expeditie en dat gij je den doodstraf op den hals haalt indien gij het waagt een uwer broeders uit te dagen? Begeef je aan boord van je schip kapitein, en geen woord verder met uw tegenpartij. Zijt gij beiden weer op Tortue dan staat het aan ulieden om die zaak al dan niet door het zwaard te beslechten, maar tot dien tijd gelast ik, geen bedreigingen en geen uittartingen meer.
—Dan zal ik wachten tot wij weer ginds op het eiland zijn!—riep hij ziedende van woede.—Maar dan.…
—Dan kunt gij handelen naar goedvinden,—viel Montbars in en voegde er terstond bij,—Broeders, binnen een uur moeten wij onder zeil zijn. Houdt alles gereed om de Spanjaarden warm te ontvangen, zoo zij lust mochten gevoelen ons den doortocht te beletten.
—Bij den hemel!—riep Luiwammes.—Laten ze dat maar uit hun hart laten!
Daarop werd de kerk door allen verlaten en gingen zij naar de haven, waar hunne booten op hen lagen te wachten. Ondanks alle door Montbars genomene voorzorgen, om voor zijne kameraden verborgen te houden, niet zoozeer de aanwezigheid van het Spaansche eskader want hiermeê waren zij bekend, maar uit hoeveel schepen het bestond en hoe die bemand waren, bracht het vreugdegejuich door de inwoners van Maracaïbo aangeheven op het oogenblik waarop de vloot het anker lichtte en gereed was onder zeil te gaan, de vrijbuiters tot het besef van de volle waarheid.
Twaalf groote oorlogsschepen, met zes-en-veertig honderd koppen bemand en met vierhonderd stukken van zwaar kaliber gewapend lagen dwars bij den toegang tot de golf en verstopten in letterlijken zin den doortocht. Buitendien was het door de vrijbuiters ontmantelde fort op het Houtduifeiland weer in bruikbaren staat gebracht, voorzien van de noodige stukken en van een garnizoen, vijfhonderd man sterk. De Onder-Koning van Nieuw-Spanje was in eigen persoon op het eskader aanwezig.
Bij zulke vernietigende tijdingen ontzonk de moed zelfs aan de stoutmoedigste vrijbuiters; zij vervielen tot doffe wanhoop en weigerden botweg eenige poging te wagen om den doortocht te forceeren. Hun toestand, dit moet erkend worden, was dan ook hachelijk, hoogst kritiek; hunne schepen waren slechts van middelbare grootte en daarbij zwak bewapend, zoodat ze verreweg onder moesten doen voor de goed bewapende oorlogsschepen der Spaansche marine; ook kwam daar nog bij dat de pest de bemanning met een derde verminderd had, terwijl het getal der strijdbare manschappen eveneens belangrijk was gedund, daar al de gewonden of verminkten die niet in staat waren om deel te nemen aan het gevecht toch opgenomen waren op de vloot, en hun aantal meer dan tweehonderd beliep. Om kort te gaan de vrijbuiters konden hoogstens vijftienhonderd weerbare manschappen tegenover de macht der Spanjaarden stellen.
Intusschen was een brigantijn onder parlementaire vlag te Maracaïbo aangekomen. Die brigantijn bracht voor de aanvoerders der expeditie een brief van den Onder-Koning waarbij hij hen opeischte zich op genade of ongenade over te geven. Dit schrijven eindigde met deze vernietigende woorden, die den dapperste het bloed in de aderen deed verstijven.
Zulk een trotsche en zoo dreigende taal ging alle palen te buiten en had niet de uitwerking die de Onder-Koning zich daarvan ongetwijfeld had voorgesteld. Daardoor toch werd aan de vrijbuiters tot zelfs de minste hoop op eenige vrijgevigheid benomen, daardoor ook herkregen zij hun dolzinnigen overmoed, en hun onwrikbare stoutmoedigheid, daardoor ontstond bij hen de grootste verontwaardiging, daar men het waagde hen op zulk een minachtende wijze toe te spreken. Montbars verlangde dat die brief met luider stem zou worden voorgelezen aan al de Broeders der Kust. Na die lezing nam hij het woord.
—Bij den hemel, kameraden,—riep hij hun toe.—Ik herken je niet meer! Zijt gij er de mannen naar om je zóó te laten beleedigen, door iemand die het nog nooit gewaagd heeft zich met ons te meten? Zijt gij bereid om de smadelijke kastijding te ondergaan, waarmede die onbeschaamde tegenstander uw erkenden moed wil bezwalken? Goed, het zij zoo! Onderwerp je aan hem! Maar ik voor mij, ik wil geen deel nemen aan zulk eene lafhartige handeling. Ik heb mij in je bedrogen, gij zijt niet de mannen waarvoor ik je hield, gij zijt thans niet veel meer dan bevende vrouwen, die schrikken voor de stem van een Spanjaard, en daarom laat ik je vrij in uw besluit. Strekt uwe armen uit om geketend te worden, en gaat de hand kussen van uw beul.
Die vinnige toespraak ontlokte hun een dof gemompel; een blos van schaamte steeg op het gelaat der flibustiers, en de daardoor ontstane woede gaf hun den ouden moed terug.
—Voer ons aan naar den vijand,—riepen zij Montbars toe,—en wij zullen vechten zoolang er nog bloed in onze aderen vloeit! Zelfs de gewonden zullen je kruipende volgen. Voorwaarts, Montbars! Blijf ons aanvoeren!
—Zijt gij dan vast besloten mij te gehoorzamen?—vroeg Montbars ernstig.
—Ja, ja! Beveel! Wij behooren je toe!
—Goed!—hernam Montbars, die zijn hoed afnam en de hand op zijn hart drukte.—Dan zweer ik je plechtig, broeders en kameraden, dat die onbeschaamde Spanjaard met zijn leven boeten zal voor zijne bluffende woorden, en tevens, dat wij ongedeerd zullen ontkomen aan de nederlaag, die hij zich reeds zeker waant ons te zullen toedienen!
—Leve Montbars!—brulden de vrijbuiters in vervoering.
Nu was alle vrees verdwenen, en de vrijbuiters twijfelden niet langer of zij zouden overwinnen.
—En nu, kameraden,—hernam Montbars,—eisch ik van u een eed, dat gij vechten zult tot uw laatsten snik, zonder genade te vragen.
—Dat zweren wij!—werd hem als uit één mond toegeroepen, terwijl zij hun wapenen zwaaiden.
Daarop wendde Montbars zich tot den Spaanschen officier, die belast met de overhandiging van den brief van den Onder-Koning, de verschillende wisselingen van dit tooneel had bijgewoond.
—Keer naar uw meester terug, señor,—voegde Montbars hem met de diepste minachting toe,—en deel hem alles mede wat door u hier is gehoord en gezien. Zeg hem ook dat de Broeders der Kust gewoon zijn voorwaarden te stellen, maar er nooit over denken om zich die te laten opleggen! Ga señor, uwe zending hier is afgeloopen, hier in ons midden hebt gij niets meer uit te richten. Vertrek!
De officier groette en vertrok begeleid door Morgan, die hem naar de brigantijn bracht, om hem te vrijwaren voor beleedigingen der vrijbuiters, die in groote menigte door de straten dwaalden, en waarschijnlijk, zoo de parlementair alleen ware geweest, er geen bezwaar in gezien zouden hebben hem overhoop te steken, zoo hevig was hun haat tegen iederen Spanjaard, doch vooral op dit oogenblik.
Morgan nam op beleefde manier afscheid van den officier, en begaf zich toen weer naar zijne kameraden, die nog raadsvergadering hielden in dezelfde kerk waar dien eigen morgen de buit was verdeeld.
Toen de Spaansche officier aan boord van zijn schip zich in veiligheid rekende, ontsnapte hem een zucht van verlichting, daar hij niet had durven hopen, ongedeerd te blijven bij zulk eene zending naar dergelijke lieden. Zonder tijd te verliezen liet hij het anker lichten en enkele minuten later, koerste de brigantijn met volle zeilen naar den ingang van het meer om zich weêr te voegen bij de vloot van den Onder-Koning. Toch achtte de officier zich niet buiten alle gevaar eer het eskader van de vrijbuiters geheel uit zijn gezicht was, en voor hij de hoog getopte masten der Spaansche schepen weer in het oog kreeg.