Note 1 — XXIV. TEN EINDE RAAD.
Reading edition
Montbars gaf dus order te vertrekken; doch eer men onder zeil ging, zond hij eenige vrijbuiters naar de in de bosschen verscholene vluchtelingen om hun aan te kondigen dat zij binnen twee dagen tien duizend piasters moesten opbrengen, daar hij anders de stad aan de vlammen zou prijs geven. Die twee dagen verliepen zonder dat het geld in zijn bezit kwam, en even onverbiddelijk als altijd, deed Montbars de stad in brand steken. De weinige inwoners die er nog achter waren gebleven, wierpen zich toen vóór de voeten van den onbarmhartigen vrijbuiter, en beloofden een losgeld te betalen tweemaal grooter dan de geëischte som, zoo hij er in toestemde dat de stad verder gespaard bleef. Montbars vergunde hun het gevraagde uitstel en de twintigduizend piasters werden na afloop daarvan hem ter hand gesteld, doch ongelukkig genoeg was toen de stad reeds voor meer dan de helft verwoest. Aldus werd door de vrijbuiters vaarwel gezegd aan de ongelukkige stad Gibraltar, waar zij niets achterlieten dan puin en lijken!1