← Table of contents
De goudzoekers

XXIII. MONACO.

Reading edition

Na zijne aankomst te Gibraltar, had don Fernando d’Avila een allerliefst landhuis gehuurd, op eenige geweerschoten afstand van die stad, maar zoo geheel in het dichtste der bosschen verborgen, dat men zeer precies met de ligging bekend moest zijn om den weg daar heen te vinden. Levensbehoefte en provisie van allerlei aard waren er naar toe gevoerd, en voor weelderige meubileering gezorgd, want zijne bedoeling was, zoo er een aanval der flibustiers mocht plaats grijpen, dat huis te doen dienen als een wijkplaats voor zijne pupil. Zoodra dan ook de vloot der vrijbuiters in het gezicht kwam, haastte de Gouverneur zich om, vergezeld van eenige vertrouwde bedienden, donna Juana en hare voedster naar die woning te brengen, waar zij voorloopig in veiligheid zouden zijn. Daarna keerde hij terug om zijn post bij het te verwachten gevecht te betrekken, een post door hem zelf gekozen, en natuurlijk dáár waar het grootste gevaar bestond, echter niet dan na aan zijne vertrouwste bedienden nadrukkelijk last te hebben gegeven, steeds paarden gezadeld gereed te houden, om, in geval van nederlaag, met de beide vrouwen naar Merida te kunnen vluchten, waarheen hij zelf hen wilde geleiden, zoo hij zoo gelukkig mocht zijn ongedeerd aan den strijd te ontkomen.

De beide dames bleven dus alleen achter ten prooi aan hevige ongerustheid, eene ongerustheid die nog vermeerderde bij het hooren van het onheilspellend gedonder van het geschut en het kort afgebroken geknetter van de geweerschoten, wat zij duidelijk konden onderscheiden. Donna Juana luisterde naar het rumoer van dien strijd, met vrees en toch ook met hoop doch durfde geen wenschen te uiten noch voor de eene, noch voor de andere partij; want bij de eene stond haar voogd, bij de andere de man dien zij liefhad. Het werd haar ondoenlijk stil te blijven zitten, gestadig liep zij uit het eene vertrek naar het andere, ging naar den tuin, dwaalde over het voorplein, in één woord deed alle pogingen om hare ongerustheid te bedwingen. Eindelijk ten einde raad, kon zij niet langer wederstand bieden aan de ontroering die dreigde haar geheel te overmeesteren, en besloot zij, zonder de gevolgen te bedenken, of beter gezegd juist die gevolgen berekenende met die slimheid der liefde waardoor alles gerechtvaardigd en alles vergoelijkt wordt, om op den top van het huis de vlag te hijschen, die Philippe haar als een sein had achtergelaten.

—Als de Spanjaarden overwinnen,—overwoog zij bij zich zelve,—kan dit volstrekt geen kwaad, want ik zal licht iets kunnen verzinnen, voldoende voor mijn voogd, om die handeling als onbeduidend te rechtvaardigen, en als de flibustiers in triomf hier heen komen en die vlag zien, dan zal die mij juist beschermen, daar het de vlag is van een hunner voornaamste aanvoerders.

Gerustgesteld door die redeneering, nam donna Juana de vlag, die zij verborgen in een harer groote koffers, altijd met zich meê voerde, en tevens een lans, die zij met verscheidene anderen tegen den muur zag staan, en klom naar het bovenste gedeelte van het huis.

In de Spaansche koloniën zijn de daken der huizen meest altijd gebouwd als te Venetië, en dit uit hoofde van het heerlijke klimaat; ’s avonds dienen zij dan ook gewoonlijk tot plaats van ontspanning. In verscheidene Amerikaansche steden maakt men die daken tot een soort van hangende tuinen, door ze met bloemen en heesters te versieren.

Dat van het huis waar donna Juana vertoefde was op die wijze ingericht; men vond daar zelfs een prieeltje van oranje- en citroenboomen, een plekje dat door het jonge meisje dikwerf bezet werd, om dáár ongestoord aan hare zoete droomerijen te kunnen bot vieren, waarbij zij echter steeds het oog gevestigd hield op de zee, die men van deze verhevenheid duidelijk gewaar kon worden.

Toen donna Juana op het terras gekomen was, kon zij zonder eenige inspanning het verwarde rumoer hooren van het hevige gevecht dat in het dichtste van het bosch kort in hare nabijheid plaats greep. Bovendien was die plek zeer gemakkelijk te onderkennen door een dikke wolk van rook, die boven de boomen uitsteeg.

—O, God!—smeekte zij, vouwde vroom de handen en viel op de knieën.—Goede God! Red don Fernando! Genadige God! Behoud mijn dierbaren Philippe!

Op dit oogenblik drong een nog veel heviger rumoer tot haar door; het jonge meisje stond op, maakte het teeken des kruises, en ging vast besloten naar het prieeltje, waar zij op het hoogste plekje met haar sjerp de lans vastbond die dienen moest tot vlaggestok. Vreesachtig keek zij om zich heen om te zien of zij door iemand was bemerkt, en snelde toen vlug de trap af naar beneden waar zij zich in haar kamer terugtrok. Het gevecht werd van lieverlede niet zoo merkbaar meer vernomen en eindelijk werd het geheel en al stil. Zóó verliep uur op uur in doodelijke stilte, en in dien tijd verkeerden donna Juana en hare voedster, volslagen onbekend met alles wat kon hebben plaats gehad, in onuitstaanbaren angst. De zon daalde naar den horizont, het licht maakte plaats voor de duisternis, en eindelijk werd het nacht zonder dat donna Juana er aan dacht te gaan slapen. De ongerustheid van het jonge meisje werd hoe langer hoe grooter, te meer daar zij letterlijk niets wist van de gebeurtenissen van den afgeloopen dag. Toch had don Fernando bij het afscheid haar vast beloofd dat hij, ingeval hij zelf niet kon komen, iemand zou zenden om haar te berichten hoe de aanval der vrijbuiters was afgeloopen. Vierentwintig uren waren nu reeds sinds dat tijdstip verstreken, en nog was geen sterveling opgedaagd.

Het werd ochtend en tegen acht uur steeg de angst van donna Juana dermate, dat zij zich niet langer kon bedwingen, zoodat zij besloot, het kostte wat het wilde, berichten te gaan inwinnen. Zij luisterde niet langer naar de smeekingen harer duenna, zij sloeg geen acht op al de door de bedienden geopperde bezwaren, die haar met tranen in de oogen bezwoeren nog wat te wachten. Vastberaden kleedde zij zich in mansgewaad, stak een dolk en een paar pistolen in haar gordel en gelastte dat men een paard zou zadelen. Er stonden verscheidene paarden gezadeld en getuigd, gereed; maar donna Juana wist dit niet, want de order daarvoor was door don Fernando in hare afwezendheid gegeven; om tijd te winnen zorgden de bedienden er wel voor die bijzonderheid aan donna Juana mede te deelen, en tot nog langer verwijl gingen zij naar den corral om dáár een paard te halen. Daardoor verliepen nog ettelijke minuten, en in dien tusschentijd liep donna Juana haastig over het plein, luisterende naar het minste gerucht, en steeds met stijgenden angst.

Plotseling vernam zij een vrij hevig geraas in de struiken en een twaalftal mannen drongen er door heen, onder welke zij don Fernando d’Avila gewaar werd. Het jonge meisje ijlde naar de poort, en haastte zich die open te maken. De vluchtelingen, want dat zij niet anders waren toonden hunne gehavende en met bloed bevlekte kleederen en hunne bleeke gezichten, drongen overhaast naar het plein waarvan de poort onmiddellijk achter hen werd gesloten. Don Fernando d’Avila was gewond; hij liep moeielijk, leunende op zijn degen en ondersteund door een zijner onderhoorigen; zoodra hij donna Juana in het oog kreeg, uitte hij een kreet van vreugd.

—Heer, mijn God, zij gedankt! Ik kom nog in tijds. Paarden, in ’s hemels naam, paarden! Dadelijk, dadelijk paarden!!

Maar na die woorden zonk hij ineen, en viel zonder bewustzijn ter aarde; zijne krachten waren eerder bezweken dan zijn moed. Donna Juana snelde hem te hulp. Don Fernando bloedde hevig uit twee vervaarlijke wonden; er viel dus op dit oogenblik niet aan vluchten te denken.

Het jonge meisje gelastte dat men haar voogd in huis moest dragen, en hield zich terstond onledig met al de verzorging die zijn toestand vereischte, terwijl zij de verpleging der overige gekwetsten aan na Cigala overliet. Die arme lieden waren er niet veel beter aan toe dan hun bevelhebber; allen waren in meerderen of minderen graad gewond, en overal waar zij gestaan hadden, was op den grond een bloedig spoor zichtbaar. Het mocht een wonder genoemd worden dat zij het huis nog hadden kunnen bereiken, zoozeer waren allen uitgeput en verzwakt.

Thans behoefde men zich niet meer in pijnigende onzekerheid te achten, thans was iedere twijfel opgeheven; men behoefde slechts één blik te werpen op het rampzalige voorkomen van die lieden, die blik was even voldoende als het uitgebreidste rapport. De zege der flibustiers stond met duidelijke letters op hunne door angst en vrees verwrongene gelaatstrekken en in hunne schuw dwalende en verbijsterde oogen te lezen. Door de goede zorgen van donna Cigala, vonden zij een rustplaats op bossen stroo in een schuur, en werden zij dáár verzorgd en hunne wonden verbonden. De flauwte van don Fernando was alleen veroorzaakt door bloedverlies en overmaat van vermoeidheid bij eene overhaaste vlucht door genoegzaam ondoordringbare bosschen, doch spoedig kwam hij weder bij. Hij bedankte donna Juana en wilde toen opstaan doch het jonge meisje hield hem terug en zei op meewarigen toon:—Daarvoor zijt gij nog veel te zwak. Gij moet eerst eenige uren uitrusten.

—Uren! Geen enkele seconde!—viel hij heftig uit.—Men vervolgt ons, dit weet ik zeker, wij moeten vluchten, ijlings vluchten. Als ik te zwak ben om te paard te stijgen, moet men er mij maar op binden, maar ik herhaal het u, kindlief, wij moeten dadelijk vluchten, ieder minuut die ge verliest is een minuut minder van uwe vrijheid.

—Goed, daar gij het eischt zal ik gehoorzamen.

—Ja, ja, doe zoo! Waar zijn de anderen?

—Zij liggen op stroo in een schuur.

—Goed, uwe bedienden moeten zich wapenen. Haast je! Haast je!

Op eens stond hij op van de rustbank waar hij lag, scheen een oogenblik scherp te luisteren en riep toen met eene onbeschrijfelijke uitdrukking van wanhoop:—O! Mijn God! Het is te laat, te laat! Daar zijn zij! Sluit de poorten! Barrikadeer alles of gij zijt verloren!

En ondanks al de pogingen van donna Juana om hem tegen te houden, wilde hij naar buiten om de bedienden te wapen te roepen. Van onder de struiken werd een kort afgebroken geblaf gehoord, dat snel het huis naderde. Kort daarna werd men een grooten hond gewaar, die met opstaande haren, de tong uit den bek, en den neus langs den grond, kwam aanhollen alsof hij een spoor volgde, daarop werd herhaaldelijk de stem van een man vernomen die, nog onzichtbaar, in het Fransch het dier toeriep:—Zoek, Monaco, zoek, brave hond.

Bij de poort gekomen, bleef het dier staan, om bijna nog verwoeder te blaffen.

—Vervloekt beest!—brulde don Fernando woedend.—Door dat dier is ons spoor ontdekt, en vallen wij onzen vijanden in handen.

Hij trok een pistool uit zijn gordel, en loste het op den hond, maar het schot was niet goed gemikt en de hond bleef ongedeerd.

—O! Wat hebt ge nu gedaan!—kermde donna Juana.—Dát is onze ondergang.

Don Fernando liet in wanhoop het hoofd op de borst zinken.

—Blijf daar, Monaco,—zoo liet die stem zich weer hooren.—Koest, beste hond, koest, wij komen!

Een aanval op het huis scheen nu onvermijdelijk. De Spanjaarden waren vast besloten zich tot het uiterste te verdedigen, en de gedachte zich over te geven kwam zelfs niet bij hen op, want zij wisten te goed wat zij van hunne woeste tegenstanders te wachten hadden.

Even als te Maracaïbo was het Philippe’s eerste zorg geweest na zijne komst te Gibraltar om, geleid door Zijden-Draad die hem tot gids moest dienen, te hollen naar de woning van donna Juana. Maar weer wachtte hem dezelfde teleurstelling. Het huis was verlaten. Tevergeefs vloog de jonge man van de eene kamer naar de andere; overal en telkens bleek hem duidelijk dat er een overhaast vertrek had plaats gegrepen, en de jonge dame was ook hier nergens te vinden. Philippe raapte een zakdoek op die op een der meubels lag en zeker vergeten was, een zakdoek nog vochtig van de tranen die donna Juana zeker bij haar vertrek gestort had. Philippe drukte er herhaaldelijk een kus op, en ging wanhopig heen, niet wetende waarheen hij nu zijne schreden zou richten.

—Wel weet ik,—zei Zijden-Draad tegen hem,—dat don Fernando hier in den omtrek een landhuis heeft, maar wáár, dat zou ik niet kunnen zeggen, want ik ben er nooit geweest.

—Wat te doen?—mompelde Philippe en drukte den zakdoek tegen zijne lippen, alsof het fijne weefsel in staat ware voor hem het raadsel op te lossen van het tegenwoordige verblijf zijner beminde.

—Wacht eens,—riep op eens Zijden-Draad.—Daar valt mij iets in! Nog is alles niet verloren!

—Wat wil je daarmee zeggen?—vroeg Philippe haastig.

—Laat mij maar begaan. Misschien krijgt gij straks weer eenige hoop.

De jongen had Tributor in het oog gekregen, die, gevolgd door zijn hond Monaco, jacht maakte op de Spanjaarden.

—Hei! Tributor!—schreeuwde de jongen.

De pandeling keek om en vroeg:—Wat wil je van mij?

—Ik? Niets,—gaf de jongen ten antwoord,—maar kapitein d’Ogeron heeft je iets te zeggen.

—Hier ben ik,—hernam de pandeling.—Hier, Monaco!

Bij de poort gekomen bleef het dier staan. Don Fernando trok een pistool uit zijn gordel en loste het op den hond.—Blz. 196.
Bij de poort gekomen bleef het dier staan. Don Fernando trok een pistool uit zijn gordel en loste het op den hond.—Blz. 196.

Bij de poort gekomen bleef het dier staan. Don Fernando trok een pistool uit zijn gordel en loste het op den hond.—Blz. 196.

De reus liep dadelijk naar Philippe aan wien hij zeer was gehecht, sinds de kapitein hem een grooten dienst had bewezen.—Wat verlangt gij, kapitein?

—Ik?—werd met verwondering gevraagd.

—De kapitein,—haastte Zijden-Draad zich in plaats van Philippe te antwoorden,—zou wel eens willen weten of Monaco zulk een goede speurhond is als door jou wordt beweerd.

—Wel drommels! ’t Kost weinig moeite om dat te bewijzen,—verzekerde de reus, die met welgevallen zijn hond streelde.—Neem er de proef maar van op menschen of op dieren. Breng hem op het spoor en hij zal het volgen.

—Dat zullen we dan eens zien, ouwe jongen. Kom met ons mee, als de hond het spoor volgt, waarop wij hem zullen brengen, en dit tot het eind volhoudt, dan kan je er duizend francs mee verdienen. Staat je dit aan?

—Of het! Want ’t is net zoo goed alsof ik die duizend francs reeds in mijn zak heb.

—Ba! Wat een gebluf op zoo’n hond!

—Monaco is een zeer goed dier,—antwoordde de reus eenigszins geraakt,—en bluffen is mijn gewoonte niet.

—Nu, ook al goed, kom maar mee.—Daarop wendde de jongen zich tot Philippe, en vervolgde:—Die hond zal ons terug doen vinden wat wij verloren hebben.

—O!—uitte de kapitein.—Als zoo iets mogelijk was!

—Wat belet ons het te beproeven?

—Jij hebt gelijk,—luidde het gejaagde antwoord.—Dit moeten wij doen.

—Volg mij!—hernam de jongen.

Zij sloegen de richting in naar het vrije veld; maar na eene opmerking van Zijden-Draad, dat men waarschijnlijk genoodzaakt zou wezen zich een heel eind van de stad te verwijderen, dacht Philippe dat het niet kwaad zou zijn zich door eenige vrijbuiters te doen vergezellen en klampte onder weg achtereenvolgens een dertigtal aan, die dadelijk bereid waren hem te volgen. Buiten de stad werd stil gehouden en door den reus gevraagd:

—Welken kant moeten wij op?

—Dat moet jouw hond weten,—antwoordde de jongen,—hij is nu onze gids.

—Hier,—zei Philippe tegen den reus.—Hier heb je een doek, laat je hond dien beruiken.

—Doe nu je best, oude jongen,—voegde Zijden-Draad er bij,—want denk er aan, duizend francs zijn er mee gemoeid.

—Hou jij je er maar buiten,—hernam de reus bits,—ik heb immers al gezegd dat het net zoo goed is alsof ik die in mijn zak heb.

Toen nam hij den hond bij den nek, hield hem den doek voor en streelde hem.

—Zoeken, Monaco, zoeken! Pak aan, beste hond, pak aan!

Monaco snoof herhaaldelijk langs den zakdoek, begroef er zijne snoet in en wentelde de doek eenigen tijd in alle richtingen om; toen stak hij zijn kop in de hoogte, en keek zijn meester aan met oogen die naar men zou gewaand hebben, getuigden van menschelijk begrip. Tributor liet het dier los. De hond liep dadelijk met den neus op den grond in een cirkel rond en deed dit eenige keeren, doch telkens werd de cirkel kleiner. Op eens bleef hij stilstaan, stak den kop in de hoogte, scheen de lucht op te snuiven, blafte een paar malen kort afgebroken, keek toen zijn meester aan, en liep recht voor zich uit met de snelheid van een pijl.

—Het spoor is gevonden,—verzekerde Tributor.

—Dan op weg! Op weg!—riep Philippe.

De vrijbuiters snelden den hond achterna. Het was kort bij zeven uur ’s avonds toen de jongen Tributor in het oog had gekregen en op de gedachte gekomen was of Monaco ook van dienst zou kunnen wezen; nu stond de zon dus reeds gereed onder te gaan. Ondanks dit late uur aarzelden de flibustiers geen oogenblik verder te gaan. ’s Ochtends tegen twee uur begon de hond, die men aan een lange lijn vasthield, daar men vreesde hem in de duisternis uit het oog te verliezen, teekenen van onrust te geven, en telkens kwam hij weer terugloopen.

—Hier schijnt het spoor zich te kruisen,—merkte Tributor op.—Het beste zou zijn dat wij hier bleven tot het dag wordt.

Niemand had daar iets tegen; zulk een dwaaltocht, uren achtereen, over bijna onbegaanbare wegen, had, zooal niet den moed, dan toch de krachten zelfs van den sterkste te zeer aangetast, en ook Philippe ondervond dit daar hij halfdood van moeheid was. Men bleef dus waar men was, en ieder zocht een geschikt plekje om zoo goed als kwaad het ging, er den nacht door te brengen. Niet lang daarna waren allen in een gerusten slaap gedompeld. Bij het krieken van den dag werden zij wakker. Die enkele uren van gezonden slaap waren genoegzaam voor hen om zich verfrischt en weer flink te gevoelen. De hond werd nu opnieuw losgelaten, nadat men het dier nogmaals den zakdoek had laten besnuffelen. Een paar minuten later had Monaco het spoor teruggevonden en rende even hard voort als den vorigen avond, gevolgd door al de vrijbuiters, met Tributor aan hun spits, die telkens schreeuwde:

—Pak ze, Monaco, pakken als een brave hond!

Die tweede tocht duurde lang; eerst tegen acht uur hoorden zij den hond, dien zij reeds eenige minuten uit het oog hadden verloren, verwoed blaffen.

—Ginds is iets aan de hand,—verzekerde Tributor.—Monaco staat.

—Dan dadelijk er op los!—gelastte Philippe hijgend.

Tributor hitste den hond opnieuw aan, en toen viel plotseling een schot.

—Carambo!—vloekte de reus, die een sprong deed als een tijger.—Daar vermoordt men mijn hond. Koest, Monaco, koest, wij komen, wij komen!

Steeds bleef de hond even verwoest blaffen, en op eens bevonden de vrijbuiters zich buiten het bosch vóór een huis, en vlak bij de poort waar Monaco nog altijd stond.

—Nu geloof ik toch dat wij aan het eind van het spoor gekomen zijn, he?—vroeg Tributor met voldoening.

—Wel drommels,—viel Zijden-Draad uit.—Zoo’n tweede hond is er niet! En wat heb ik dat netjes verzonnen!

—Blijft allen staan!—gelastte Philippe.

Hij trad vooruit, nam het huis nader op, en spoedig teekende zijn gelaat hoe gelukkig hij zich gevoelde, daar hem de vlag in het oog was gevallen die boven uit het prieeltje wapperde.

—Eindelijk! Eindelijk!—riep hij uit.—Goddank, ik heb haar teruggevonden!

Zonder een oogenblik te bedenken welk eene onvoorzichtigheid hij beging, liep hij regelrecht naar het huis, waaruit hem barsch werd toegeroepen:—Wie daar?

—Goed vriend,—luidde onmiddellijk het antwoord.

—Ik heb geen vriend onder de ladrones. Terug of ik schiet!

De vrijbuiters voorzagen dat het tot een gevecht zou komen, en hielden hunne wapens gereed. Maar wat niemand verwacht had, gebeurde; na die ruwe toespraak bleef het een vrij lange poos zeer stil en daarna werden plotseling de luiken van het tralievenster weg geschoven, en verschenen twee personen; een daarvan was don Fernando d’Avila, de tweede donna Juana, nog altijd in manskleederen. Philippe was op het punt naar de jonge dame toe te ijlen, doch een wenk van haar hield hem terug.

—Wat verlangt gij?—vroeg don Fernando op somberen toon.

—Dat dit huis door u wordt overgegeven, waar gij u toch niet kunt staande houden!—gaf Philippe ten antwoord.

—Ons aan u overgeven!—hernam de Gouverneur schamper en bits.—Dan is het beter te sneven met de wapens in de hand.

—Uw leven en dat van allen die er zich in bevinden zal gespaard blijven, en uw goederen onaangeroerd.

—Ja, gespaard zooals dat van de inwoners van Maracaïbo en Gibraltar, en zoo zou het ook met onze goederen gaan. Welken waarborg geeft gij mij voor de nakoming van die belofte?

—Mijn woord van eer, caballero, het woord van ridder Philippe d’Ogeron.

Een oogenblik heerschte er stilzwijgen. Don Fernando deed, hoezeer met groote moeite en leunend op zijn degen een schrede voorwaarts en zei:—Luister naar mij.

De jonge man naderde.

—Ik ben,—hernam de Gouverneur steeds even somber,—de voogd van deze jonge dame; zij heeft mij zoo even bekend dat zij u liefheeft; hoe en waar die liefde ontstaan is, kan ik nu op dit oogenblik niet nader onderzoeken; zij zegt dat gij een man van eer, en een echt edelman zijt. Wilt gij er een eed op doen dat zij door u gerespecteerd en beschermd zal worden?

—Dat zweer ik!

—Ik aanvaard dien eed, ik vertrouw op uw woord! Tegenover stervenden liegt men niet, en ik ga sterven.

—Mijnheer!—kreet de jonge dame.

—Stil, stil, donna Juana, wij hebben geen tijd te verliezen, laat mij uitspreken. Die jonge dame hier is mij, toen zij nog een zeer klein kind was, toevertrouwd door den hertog de Penaflor; in deze portefeuille zult gij de stukken vinden die de waarheid bewijzen van wat ik u daar gezegd heb. Neem die portefeuille aan.

Bij die woorden haalde hij een portefeuille uit zijn zak en stelde die aan Philippe ter hand.—Gij zweert dus dat gij uw woord trouw zult blijven?—hernam de oude man op plechtigen toon.

—Dat zweer ik niet alleen wat betreft donna Juana, maar ook ten opzichte van uwe metgezellen en in de eerste plaats van u zelven.

—O! Wat mij betreft dat is onnoodig, ik zal wel voor mij zelven weten te zorgen,—verzekerde hij met droeven glimlach.—Ik roep God tot getuige dat ik gedurende mijn gansche leven getrouw mijne plichten als Christen en als soldaat ben nagekomen. Ik ga dus den dood tegemoet zonder mij iets te verwijten te hebben. Donna Juana, maak de poort open.—Haastig werd door haar daaraan voldaan.—Komt allen hier,—riep don Fernando met luider stem tot zijne manschappen.—Werpt uwe wapenen weg, gij allen zijt gevangenen.

—Neen,—sprak Philippe dadelijk daarop tot de soldaten die zich achter hun bevelhebber geschaard hadden.—Behoudt uwe wapenen, dappere kerels, gij zijt allen vrij.

—Gaat, gaat, kinderen!—uitte de Gouverneur, en groette hen met de hand.—Maakt u het zoo goedgunstig verleende verlof ten nutte om je zoo spoedig doenlijk in veiligheid te stellen,—en toen hij bemerkte dat zij aarzelden, zeker uit gehechtheid aan hun meester, werd er door hem bijgevoegd op een toon die geen weerspraak gedoogde:—Gaat, ik wil en gelast het.

Toen snelden de arme duivels naar het heestergewas, waar zij spoedig tusschen de struiken verdwenen, zonder dat een der vrijbuiters zich verwaardigd had het hoofd om te draaien en hen na te kijken.

—Mijnheer,—hernam de Gouverneur,—ik betuig u mijn dank voor uwe loyaliteit. Donna Juana, leef gelukkig, blijf altijd aan mij denken, ik heb je als een vader liefgehad.

—O! Neen!—snikte het meisje dat zich in zijne armen wierp.—Zóó zullen wij niet scheiden.

Hij lachte droevig, en mompelde terwijl hij haar omhelsde:

—Eer dan ge denkt, arm kind! Mijn zegen schenk ik je!

Hij schoof haar van zich af en wendde zich tot Philippe die onbeweeglijk voor hem stond en hem oplettend gadesloeg.

—Een oud krijgsman zooals ik, vraagt geen kwartier, en geeft zijn degen aan niemand over, zelfs niet aan zulk een dapper edelman als gij. Vaarwel, alles wat ik heb liefgehad! Leve Spanje!…

En eer men kon vermoeden wat zijn voornemen was, trok hij een pistool uit zijn gordel en schoot zich door het hoofd. Donna Juana slaakte een kreet van wanhoop en snelde naar hem toe, doch viel bewusteloos in de armen van Philippe.

—Kameraden, bewaart het stilzwijgen over alles wat hier is voorgevallen,—verzocht hij aan de vrijbuiters.

—Dat zweren wij!—verklaarden zij, daar allen zich getroffen gevoelden door deze zoo tragische als onvoorziene gebeurtenis.

—Waarachtig!—uitte Tributor.—Het is jammer dat hij zich gedood heeft, want zoo waar ik leef, hij was een dapper soldaat. Koest, Monaco, koest, brave hond.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings