← Table of contents
De goudzoekers

XII. HET LOGEMENT.

Reading edition

Het logement waarin Montbars, als het ware, gevlucht was om bevrijd te worden van de ovatie die zijne kameraden in de overmaat hunner opgewondenheid hem hadden willen brengen, was een zeer bescheiden woning, dicht bij den ingang van de haven, aan den hoek van twee straten. Zooals al de huizen in die stad was het van hout, en had het een plat dak; langs de eerste verdieping liep een balkon, en een zuilengang van ruw afgeschaafde boomstammen, diende tot steun voor een breede veranda; boven de deur aan een tak van een citroenboom was eene ijzeren roede bevestigd aan wier eind bij het minste windje een breede blikken plaat knarste, waarop met groote geelachtige letters geschreven stond: „Logement voor Zeevarenden.”

Bij het binnenkomen werd de deur door Montbars stevig achter zich dicht getrokken, zoodat het in de eerste oogenblikken voor hem was alsof hij zich in totale duisternis bevond, doch van lieverlede wendden zijne oogen zich aan het weinige licht, en kon hij gemakkelijk de voorwerpen onderscheiden die hem omringden. De zaal, waarin het toeval hem had gebracht, was middelmatig groot; tafels, stoelen en banken maakten de meubileering uit; in een hoek stonden of lagen tegen den muur, riemen, masten, raas en netten, en aan het benedeneind van de zaal was een buffet waarin verschillende flesschen met geestrijk of ander soort van vocht.

De vrijbuiter keek om zich heen, bemerkte dat hij alleen in de zaal was, en klopte toen met de greep van zijn dolk op een tafel die vlak bij hem stond om den pandeling die belast was met de bediening der klanten, te roepen. Daarop leunde hij met zijn elleboog op de tafel, en met zijn hoofd op zijn hand en gaf zich over aan zijn gepeins.

Een oogenblik later deed een licht geluid hem het hoofd opheffen en zag hij dat eene vrouw onbeweeglijk vóór hem stond, tegen het licht in, zoodat ook door de in het vertrek heerschende duisternis de omtrekken van haar gelaat zeer moeielijk te onderscheiden waren. Zij zag den vrijbuiter zoo vreemd en zonderling aan dat hij daardoor ondanks zichzelven ontroerd werd.

—Gij hebt geroepen, mijnheer,—begon zij met zachte en bevende stem.—Ik ben tot uwe orders, wat verlangt gij?

Bij den welluidenden klank van die stem, gevoelde de flibustier eene gewaarwording, waarvan hij zich geen rekenschap kon geven; hij begon te beven, en druppels klam zweet liepen langs zijne slapen.

—Ja,—gaf hij ten antwoord genoegzaam zonder te weten wat hij eigenlijk zei,—ik geloof dat ik geroepen heb. Ge zijt zeker de eigenares van dit logement?—vroeg hij zich eenigszins herstellende.

—Ja, mijnheer,—antwoordde zij, en liet langzaam het hoofd zakken.

Montbars, nog altijd onder den indruk zijner ontroering, trachtte telkens doch te vergeefs haar gelaat beter in het gezicht te krijgen doch ook die poging werd door haar verijdeld, daar zij zeker de schemering nog niet genoegzaam achtte om onbekend te blijven en dus het dikke weefsel van hare rebozo over haar gelaat trok.

—Ik ben een zeeman,—hernam de vrijbuiter,—en …

—Ik ken u,—viel zij bijna fluisterend hem in de rede.

—Hoe!—spotte hij verwonderd,—kent ge mij?

—Ja, gij zijt de onverbiddelijke aanvoerder aan wien de Spanjaarden den bijnaam van den Verdelger gegeven hebben.

—Dat is zoo!—bevestigde hij met eene niet weer te geven uitdrukking van haat.—Aan de gavachos schenk ik nooit genade.

Zij boog even zonder antwoord te geven.

—Kunt ge mij hier huisvesting geven?—vervolgde Montbars.

—Waarom niet zoo u dit verlangt? Doch gij hebt immers uw eigen huis, dat gij kunt betrekken.

—Gaat dit u aan?

—O, neen!—antwoordde zij zachtmoedig.—Daarin hebt gij gelijk, ik heb mij daarmee niet te bemoeien.

—Zijn er bij u nog meer aanvoerders van de vrijbuiters?

—Drie, mijnheer.

—Wie zijn dat?

—Francoeur, de ridder de Grammont, en kapitein Drack.

—Zoo. Kunt ge mij een afgescheiden kamer geven?

—Wat verstaat gij door afgescheiden, mijnheer? Houd mij die vraag ten goede, maar ik begrijp u niet best, mijnheer, want ik ben eene Spaansche en dus minder vertrouwd met de Fransche taal.

—O! zijt gij eene Spaansche?—vroeg hij kortaf.

—Dat wil zeggen,—werd haastig ten antwoord gegeven—ik ben in Spaansch Vlaanderen geboren.

—Zoo!…—liet hij hooren, en keek haar lang en scherp aan, doch vervolgde alsof hij aan die mededeeling weinig gewicht hechtte.—Met een afgescheiden kamer, bedoel ik een vertrek dat niet met de overige in verband staat, en waar ik dus ongestoord uit- en in- kan gaan zonder kans van lastig gevallen en zoo noodig zelfs zonder gezien te worden.

—Zulk eene kamer heb ik tot uwe beschikking.

—Goed, dan betrek ik die. Hier hebt ge iets in voorschot.—En bij die woorden wierp hij eenige goudstukken op de tafel.

—Het is mijne gewoonten niet, voorschot aan te nemen,—gaf zij haastig te kennen en schoof het geld met zenuwachtig gebaar van zich.

—Dan is dat zoo goed als verloren geld,—merkte hij eenigszins bits aan,—want het is mijne gewoonte om nimmer terug te nemen wat ik eens gegeven heb.

Een oogenblik aarzelde zij, toen streek zij de goudstukken naar zich toe.

—Maar gij dient dan toch te weten hoeveel ik voor uwe huisvesting in rekening zal brengen.

—Dat acht ik geheel onnoodig. Ge weet dat ik rijk ben en met zulke kleinigheden bemoei ik mij niet.

—Wilt gij dan tenminste de kamer eerst gaan opnemen?

—Ook dat is overbodig. Als het vertrek is zooals ge mij hebt gezegd, zal het juist voor mij geschikt zijn, daar ben ik zeker van.

—Wanneer wilt ge de kamer betrekken?

—Liefst dadelijk.

Hij stond op, dit gesprek begon hij drukkend te vinden, hij gevoelde zich tegenover die vrouw in gedwongen verhouding, hoewel hij zich volstrekt geen rekenschap kon geven waaraan hij dit moest toeschrijven.

—Vergun mij nog een paar woorden,—hernam zij.

—Spreek,—gaf hij kortweg ten antwoord en ging weer zitten.

—Ik wilde u verzoeken mij een gunst te bewijzen.

—Eene gunst? En dat aan mij!

—Ja, mijnheer,—luidde het zeer ootmoedige antwoord.

—Ge kent mij, ge zijt eene Spaansche en toch vraagt ge mij je eene gunst te bewijzen!—viel hij uit, en trok de schouders op.

—Ik gevoel dat ik ongelijk heb, maar ik moet toch deze gunst juist van u vragen daar gij de eenige zijt die daaraan kunt voldoen.

—Nu, als het er dus mee staat, spreek dan maar op; ik luister mits het niet te lang duurt.

—Niet langer dan enkele minuten, mijnheer.

—Goed, toegestaan.

Juist op dit oogenblik werd de deur opengedaan, en traden een paar personen binnen. Zij keek op, deinsde verschrikt terug, en verzocht door een wenk den vrijbuiter haar te volgen.

—Kom mee,—hernam zij,—ik zal u naar uwe kamer brengen.

—En ge moest mij iets vragen.

—Later, op een ander oogenblik misschien,—luidde hortend en stootend het antwoord, daar zij hare ontroering niet kon bedwingen.

—Doe naar uw goeddunken, maar dáár zie ik juist een mijner kennissen met wien ik gaarne eenige woorden zou wisselen.

—Kent gij Francoeur dan?—vroeg zij gejaagd.

—Is dat zoo’n wonder? En gaat het u aan?

—Mij! O, neen, niets!

—Dan zult ge ons nu wel willen alleen laten, naar ik verwacht.

—Ik zal heengaan. De man die dáár bij den heer Francoeur staat, is mijn pandeling, die kan hier blijven om u te bedienen.

—Goed, goed!—luidde het op ongeduldigen toon.—Welk eene zonderlinge vrouw!—mompelde Montbars binnensmonds, terwijl hij haar nastaarde toen zij de zaal verliet.—Zij is voor mij een raadsel. Doch hoe kom ik er toch toe om mij zooveel aan haar gelegen te laten liggen? Misschien doordien het is alsof ik haar vroeger ontmoet heb, maar waar en hoe, dat kan ik mij niet herinneren.

Hij ging naar Francoeur, die zich op een stoel had laten neervallen, als overweldigd door hevige gemoedsbeweging, doch toen hij Montbars hoorde naderen, keek hij op, stak hem de hand toe en zei:—Welkom te Port-de-Paix.

—Dank!—gaf Montbars ten antwoord en drukte hem daarbij de hand.—Maar wat scheelt je? Ge ziet zoo bleek en ontdaan … Er is je toch geen ongeluk overkomen?

—Neen, och neen, het is niets! Let er maar niet op. Ik schaam er mij eigenlijk over dat ik mij dus aanstel. Ik heb de anderendaagsche koorts, en die hindert mij, maar dat is ook alles. Het schijnt dat de lucht hier niet goed voor mij is.

—Maar, vriendlief, hoe kunt ge zoo iets denken! Het klimaat hier is immers zoo goed als men wenschen kan!

—Ja … mogelijk heb ik dan kou gevat te Leogana.

—Nu wat er de oorzaak van zij, doet er niet toe,—gaf Montbars te kennen, daar hij zeer goed bemerkte dat de jonge man om de eene of andere reden, niet voor de waarheid wilde uitkomen,—doch in ieder geval hoop ik dat de ziekte of ongesteldheid wat dan ook, je niet zal beletten deel te nemen aan eene nieuwe expeditie, die ik van plan ben te ondernemen.

—Gij weet dat het mijn grootste verlangen is je daarbij te vergezellen.

—Goed, sla toe, dan blijft dit afgesproken.

—Is er nu spraak van een belangrijken tocht?

—Daarover zult ge zelf later kunnen oordeelen,—antwoordde Montbars glimlachend.

Gedurende dit gesprek tusschen de beide vrijbuiters, had de pandeling, die niemand anders dan Birbomono was, de zaal op en neer gedrenteld, en hier en daar een tafel of een stoel recht gezet.

—Luister eens, vriend,—riep Montbars hem toe,—ik heb zoo even hier in huis een kamer gehuurd, ga eens met mij mee om mij den weg te wijzen.

—Tot uwe orders, mijnheer.

—Gaat gij heen?—vroeg Francoeur hem terwijl hij zeer gejaagd opstond.

—Ja, doch maar even; ik heb behoefte om een poosje rust te nemen.

—Dat spijt mij,—hernam de jonge man steeds even haastig en gejaagd, want nu het toeval ons zoo bij elkaar heeft gebracht, had ik die gelegenheid gaarne waargenomen om je eene opheldering te vragen.

—Eene opheldering van mij?—vroeg Montbars met verbazing.

—Ja, wel te verstaan, zoo gij mij dit veroorlooft.

—Is daarbij dan zooveel haast?

—Dringende haast, dit verzeker ik je.

—Dit bevreemdt mij. Geldt het dan zulk eene ernstige zaak?

—Eene zaak waarbij het voor mij eene levensvraag geldt,—verklaarde hij met half verstikte stem.

Montbars keek hem een poos met de grootste verwondering aan.

—Die woorden verbazen mij zeer,—hernam hij eindelijk.—Onze kennismaking is nog sinds kort, en in ons vroeger leven zijn wij nooit met elkaar in aanraking geweest, hoe is het dus mogelijk dat ge van mij zulk een gewichtige mededeeling kunt verwachten?

—Stemt gij er in toe, naar mij te luisteren?

—Zeker, wanneer ge maar wilt.

—Dan liefst dadelijk.

—Goed, ik zal luisteren.

—Ja, maar niet hier; wat ik je te zeggen heb, is alleen voor jou bestemd.

—Mij wel! Volg mij dan in mijne kamer, tenzij ge liever wilt dat wij ons naar de uwe begeven.

—De plaats waar is mij tamelijk onverschillig, onder voorbehoud dat wij maar alleen zijn.

Montbars gelastte door een wenk aan Birbomono, om hun de besprokene kamer te wijzen; daarna gingen die drie de zaal uit, en onder weg fluisterde de mayordomo den jongen man toe:

—Maar caballero! Wat gaat gij beginnen?

—Op de eene of de andere manier moet er een eind aan komen,—gaf de ander ten antwoord, met verwilderden blik.—Mijn toestand word onverdraaglijk!

Birbomono liet het hoofd op de borst zakken, zonder eenig antwoord te geven. Na eenige treden een trap te zijn opgeloopen, deed de mayordomo eene deur open, en bracht de beide heeren in een vrij goed gemeubileerd vertrek.

—Dit is uwe kamer,—zei hij tegen Montbars.

—Goed. Ge kunt nu wel heengaan.

De mayordomo vertrok en sloot de deur achter zich dicht. Het eerste vertrek diende tot spreekkamer; de vrijbuiters vertoefden daar niet, maar begaven zich naar het tweede dat een salon scheen te zijn. Montbars nam plaats in een leunstoel en noodigde door een wenk den jongen man uit dit eveneens te doen, doch Francoeur schudde ontkennend het hoofd, en bleef staan. De stilte die daarna volgde duurde tamelijk lang, en werd het eerst door Montbars verbroken.

—Ik wacht op hetgeen gij mij te zeggen hebt!—zei hij.

Francoeur sidderde, en hief haastig het hoofd op, dat tot op zijn borst was gezonken.

—Montbars,—begon hij langzaam en met sombere stem,—gij hebt den naam iemand te zijn van wiens onversaagdheid geen wedergade wordt gevonden.

—Wat!—liet Montbars hooren, één en al verbazing over de zonderlinge inleiding waarmee dit gesprek werd aangevangen.

—Ja,—hernam Francoeur,—gij gaat door voor iemand vol onversaagden moed, in één woord voor een dier mannen die voor niets terugdeinzen, hoogstens zich over iets verwonderen kunnen.

—Dat alles is mogelijk,—gaf Montbars koeltjes ten antwoord,—maar wat ter wereld heeft mijn meerdere of mindere moed uitstaande met die zoo gewichtige opheldering, die je van mij verwacht?

—Dat zal ik je zeggen, Montbars. Men heeft mij gezegd, dat gij sinds gij op de Kust zijt, meer dan eens een tweegevecht hebt gehad, en het duel tusschen boekaniers gaat meestal gepaard met doodelijken afloop.

—Ter zake, mijnheer, ter zake, dat verzoek ik je dringend!—viel Montbars uit, wiens toorn gaande werd gemaakt, en die gevoelde dat hij zich niet lang meer zou kunnen beheerschen.

—Altijd heeft het geluk u begunstigd, en gij zijt steeds ongedeerd gebleven bij dergelijke ontmoetingen, niet waar?

—Ligt het in uwe bedoeling mij te beleedigen?—klonk de driftige vraag.

—Neen, mijnheer,—werd zacht, zelfs bijna weemoedig ten antwoord gegeven.—Alleen verzoek ik u dringend mij te willen antwoorden.

—Nu, dan! Ja, mijnheer! God heeft mij steeds beschermd, want altijd was de zaak die ik voorstond, rechtvaardig!

—God!—herhaalde Francoeur ten toppunt van verbazing.—Noemt gij den naam van God, Montbars?!

—Zeker, jong mensch! En waarom zou ik dat niet? Doch thans niet meer daarover, en nog eens voeg ik u toe, ter zake!

—Zoo zij het dan, Montbars! Ik verlang met je te vechten, en daar ook ik het er voor houd, dat de zaak waarvoor ik strijd, heilig en rechtvaardig is, hoop ik op mijn beurt, dat God mij beschermen en ik je dooden zal.

Montbars deinsde ontroerd terug.

—Wat beduidt die comedie, mijnheer,—vroeg hij op hoogen toon,—of zijt ge gek?

—Ik ben niet gek, mijnheer, en speel evenmin comedie,—luidde het nu meer rustig gegeven antwoord.

—Dus beteekent dit werkelijk eene uitdaging?

—Zeer stellig eene uitdaging!

—Ge wilt mij dus dooden?

—Dat hoop ik te doen.

—Maar dat gaat zoo maar niet, voor zoo iets is geen naam te vinden!—barstte Montbars los, en begon met groote stappen in de kamer op en neer te loopen.—Gij kent mij te nauwernood en ik heb je nooit eenig verdriet aangedaan, en nog veel minder u eenig onheil berokkend.

—Zoudt gij dat denken?

—Hoe! Of ik dat denk? Neen, ik ben er zeker van.

—Dan vergist gij u zeer, mijnheer. Gij hebt mij zeer veel kwaad gedaan, ja, zelfs mij een onherstelbare ramp toegebracht!

—Ik!

—Ja, gij, señor, gij zelf!

—Kunt ge dat naar waarheid getuigen?

—Dat verzeker ik u op mijn woord van eer.

Montbars zweeg eenige oogenblikken, en bleef in gepeins; ten laatste hernam hij:

—Luister eens, hoe vreemd en zonderling het voorstel schijnt dat je mij doet, ik neem het aan.

—Daarvoor betuig ik je mijn dank.

—Ja maar, hoor nog even. Ik neem het aan, dit herhaal ik, doch op ééne voorwaarde.

—Welke?

—Dat ge mij vooraf zegt wie ge zijt, en welke de beweegredenen zijn, die je nopen dus te handelen, en wie de lieden zijn die je daartoe hebben aangezet.

—Maar!!

—Doe geen verdere pogingen! Dit besluit is onherroepelijk!

—Maar toch …

—Hoe nu! Ik moet bekennen, dat ik je meer dan dwaas begin te vinden! Ge komt hier zonder de minste aanleiding twist met mij zoeken, en mij rondweg zeggen dat ge verlangt mij te dooden, en dacht ge nu misschien dat ik dit mij maar zoo dadelijk zou laten welgevallen. Maar waarde heer, dat is nog erger dan louter onzin! Bedenk wel dat ik geen lust heb te vechten met den eersten den besten, die het goed mocht vinden om mij zonder grond of reden te beleedigen. Neen, neen, mijnheer, dat gaat niet aan, reken er niet op dat ge mij noodzaken zult je voldoening te geven, zelfs al waart ge laag genoeg mij eene van die beleedigingen aan te doen, die alleen door bloed kunnen worden uitgewischt. Wees dus gewaarschuwd, want ik verzeker je dat ik je bij het eerste gebaar of bij het eerste woord, neerschiet als een dollen hond. Nu kent ge mijne voorwaarden, en kunt spreken of zwijgen naar goedvinden, mij is dit tamelijk onverschillig.

—Welnu, mijnheer, dan zij het zoo! Daar gij er dus op aandringt zal ik spreken! En toch, geloof mij, zou het wenschelijker voor u wezen indien ik zweeg, want dan zou ten minste uwe eer onbezoedeld blijven.

—Ik vermeen mijnheer, zelf de beste rechter te zijn, in alle zaken waarbij mijne eer mocht gemoeid zijn. Spreek dus, zonder vrees en zonder eenige terughouding.

—Dat zal ik, doch beschuldig dan niemand anders dan je zelven over de gevolgen die mijne woorden zullen veroorzaken.

—Nog eens, en thans voor de laatste maal, herhaal ik je, dat ik van je verlang eene ronde, openhartige en volkomen voldoende verklaring, en ik voeg er bij, dat ik geen enkel oogenblik beducht ben voor de gevolgen daarvan.

—Ik zal dan aan je verlangen voldoen, en naar ik hoop zal er daarna niet de minste aanleiding voor je overblijven tot een weigering om mij voldoening te geven.

—Te dien opzichte behoeft ge geen zorg te hebben, dit verzeker ik u op mijn woord van eer. Maar nu verzoek ik u dringend er zonder verder verwijl een begin meê te maken, want ronduit gezegd, begint het mij verbazend te vervelen.

De jonge man boog, nam plaats in een leunstoel, vlak over Montbars, en maakte zich tot spreken gereed.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings