← Table of contents
De goudzoekers

X. DE BEIDE NEVEN.

Reading edition

Op een mooien ochtendstond, juist toen de zon even boven den horizont te voorschijn was gekomen, gereed om hare koesterende stralen overal om zich heen te verspreiden, traden twee mannen uit een bosch, dicht begroeid met guajava-, mastik- en bloeiende oranjeboomen, waarvan de uiterste takken hun zwaar gebladerte in het heldere en koele water van den Artibonite deden weerspiegelen. Zij bevonden zich hoogstens drie uren van de stad Port-de-Paix; een stad die geacht kon worden eene der voornaamste schuilnesten te zijn van die geduchte roofvogels, de flibustiers, die spottend met de Spaansche macht en als om die te trotseeren, stoutmoedig en onvervaard hun nest hadden opgeslagen op de kust van de rijkste kolonie, het verwijfde en weelderige Hispaniola.

Die beide mannen keken vorschend en angstvallig om zich heen, en toen zij zich verzekerd hielden dat niemand hen bespionneerde, daalden zij langs het vrij ruime steile pad van den oever van den stroom af, maakten daarna eene lichte prauw van boomschors, die onder de struiken verborgen was, los, en trokken die naar zich toe, waarna zij er uitwierpen alles wat er in aanwezig was, zooals pagaaien, een mast, en dergelijke dingen. Daarna droegen zij de prauw op hunne schouders naar den voet der glooiing en keerden haar toen om, met het doel om er zoowel een schuilplaats van te maken voor de zonnestralen, als voor onbescheidene blikken. Zij bevestigden haar stevig, door middel van staken, die van afstand tot afstand in den grond werden gestoken, gingen daarna in de schaduw liggen, en begonnen een en ander klaar te maken voor hun ontbijt.

Wij zullen het oogenblik, waarop zij zich daarmee bezig houden, te baat nemen om den lezer eenigszins nader met hen in kennis te brengen. Beiden waren gekleed als Fransche boekaniers; de grof linnen onderbroek, die even over de knieën viel en op de heupen werd teruggehouden door een gordel van krokodillenvel, de twee hemden over elkaar aangetrokken, en die met bloed- en vetvlekken bemorst waren, de tent van fijn linnen, die krap opgerold en samengeperst, als een bandelier om hunne schouders was geslagen, en op het hoofd de bol van een hoed met oogklep. Hunne wapens bestonden uit drie dolken en een mes, gestoken in een koker van buffelvel, die aan hun gordel naast een kruithoorn en kogelzak was gehecht, benevens uit een van die lange geweren, uit de fabriek van Brachie te Dieppe, die men in die dagen bestempelde met den naam van flibustiers-geweren.

Zoo gewapend waren die mannen in staat zich krachtdadig te verweren, zoo het ongeluk wilde dat zij in aanraking kwamen met dezen of genen die twist met hen wilde zoeken. Trouwens getuigden hunne gelaatstrekken, en hun door wind, regen en zon gebruinde tint, van zulk een vasten wil, en toonden hun forsche lichaamsbouw, en de buitengewoon stevige armen, voorzien van peezen en spieren, zoo dik en hard als touwen, zulk een mate van kracht, dat men zich wel tweemaal zou bedacht hebben, eer men besloot het hun lastig te maken.

Die beide personen waren betrekkelijk nog jong, en voor zoover men kon nagaan, want hartstochten en buitensporigheden hadden hun gelaat reeds geteekend, waren zij nog niet boven de veertig. Doch ondanks dat gansche voorkomen zullen wij, als wij luisteren naar wat zij elkaar te zeggen hebben, spoedig bemerken dat zij niet zijn waarvoor zij willen doorgaan, maar veeleer een paar vossen in leeuwenhuiden; en even spoedig tot het inzicht komen dat die kleeding als boekaniers eigenlijk niet anders is dan eene vermomming. Toch moeten wij er dadelijk bijvoegen dat die vermomming zóó juist was aangebracht, dat zelfs de slimste mensch, na een zeer nauwkeurig en ernstig onderzoek, toch nog veel kans zou gehad hebben, zich er door om den tuin te laten leiden.

De toebereidselen tot het ontbijt hadden niet veel tijd in beslag genomen, en onze beide personages, wier magen zeker geprikkeld waren tengevolge van een vermoeienden marsch door zulk een eenzame streek langs ongebaande wegen, verorberden met smaak wat zij hadden medegebracht en voerden middelerwijl in het Spaansch een gesprek, doch niet dan met ingehoudene, half fluisterende stem, alsof zij, ondanks de hen omringende eenzaamheid, beangst waren dat het geluid hunner stemmen door den ochtendwind zou worden overgebracht naar de ooren van lieden, die konden zijn uitgezonden om hen te bespieden of te overvallen.

—Hoe ver zijn wij hier van Port-de-Paix?—vroeg een van hen.

—In vogelvlucht genomen,—gaf de ander met vollen mond ten antwoord,—omstreeks vijf kwartier, doch als men de paden moet volgen minstens drie uren.

—Hum! Dan zijn wij toch nog al ver doorgedrongen, naar mij dunkt!

—Misschien zelfs te ver, doch als wij niet zoo ver gekomen waren, hadden wij veel kans gehad hem te missen dien wij willen ontmoeten.

—Zijt ge benauwd, dat wij zóó dicht bij de stad wellicht eene minder aangename ontmoeting zouden kunnen hebben?

—Dat is niet zeer waarschijnlijk edele heer, want in de vlakte waar wij ons nu bevinden, is op dit oogenblik geen enkel stuk wild te vinden; ik durf er alles onder te verwedden, dat tien uren hier in den omtrek geen spoor van een stier zou te ontdekken zijn. Dit weten de boekaniers zeer goed, en daarom hebben zij deze streken verlaten, daar zij hier zeker in geen maand iets onder schot zouden krijgen.

—Ik moet toestemmen Birbomono,—hernam de eerste spreker,—dat er veel waar is in wat daar door je wordt aangevoerd, maar naar mijne meening, zijn de vrijbuiters niet de eenige vijanden die wij te duchten hebben.

—En welke andere vijanden worden dan door u bedoeld, edele heer?—vroeg Birbomono, want het was werkelijk de mayordomo.—Ik moet in alle nederigheid bekennen dat ik u niet begrijp.

—Op wie zou ik anders doelen dan op de Caraïben, die verschrikkelijke stroopers, die zoo mogelijk nog wreeder zijn dan de boekaniers.

Birbomono begon hartelijk te lachen.—Vive Dios, edele heer! Gij vergeet welke kleeding op dit oogenblik door u wordt gedragen. De Caraïben zijn de onverzoenlijke vijanden der Spanjaarden, dit is waar, maar daarentegen zijn zij de trouwe vrienden van de Broeders der Kust, en als bij toeval enkele dier wilden ons op het spoor kwamen dan zouden zij, verre van het ons lastig te maken, veeleer alles doen wat ons aangenaam kon zijn, daarvan ben ik overtuigd.

—Het is mogelijk,—gaf de ander ten antwoord, naar het scheen slechts ten halve overtuigd,—toch moet ik je bekennen dat het mij bijna berouwt, dat wij ons zóó ver gewaagd hebben, hoewel wij niet geheel en al aan ons zelven zijn overgelaten en de drie detachementen, die ik in het bosch in hinderlaag gelegd heb, op het eerste signaal ons te hulp zullen komen.

—Caraï Birbomono! De tijd vliegt om, en onze man komt niet!

—Hij zal komen, edele heer. Geduld maar, geduld!

—Rekent ge er zoo vast op?

Te nauwernood had Birbomono een honderd passen gedaan, of hij stond bijna vlak tegenover Francoeur.—Blz. 83.
Te nauwernood had Birbomono een honderd passen gedaan, of hij stond bijna vlak tegenover Francoeur.—Blz. 83.

Te nauwernood had Birbomono een honderd passen gedaan, of hij stond bijna vlak tegenover Francoeur.—Blz. 83.

—Oordeel zelf! Het is u bekend dat mijne meesteres, na zóó vele jaren in het verborgen te hebben geleefd, zich gevestigd heeft te Port-de-Paix. Dáár heeft zij op mijn aanraden, en om aan alle vermoedens te ontkomen, eene soort van hotel ingericht, waar de voornaamste aanvoerders der flibustiers huisvesting kunnen verkrijgen.

—Dat alles weet ik lang en breed, maar het blijft voor mij een raadsel, hoe de Broeders der Kust, die zoozeer en terecht als fijne speurhonden bekend staan, onnoozel genoeg zouden zijn, zich door haar zóó te laten beet nemen, en haar niet, reeds den eersten dag den besten als eene Spaansche herkend zouden hebben.

—De vrijbuiters, edele heer, zijn niet zóó wantrouwend als gij wel gelooft; hun meerder vertrouwen ligt in hunne kracht. Maar buitendien wij zijn te Port-de-Paix aangebracht door een Hollandsch schip, en ontscheept onder opgave dat wij uit Europa kwamen. Wij gaven ons uit voor Vlamingen, onze papieren waren in de beste orde. Wat kon men dus meer verlangen?

—Niets en te minder daar de Castiliaansche taal nog algemeen in Vlaanderen, dat aan den koning van Spanje toebehoort, gesproken wordt.

—Juist zoo is het, en dan nog ten overvloede, hoe zou er bij zulke lieden, die zich door niets ter wereld schrik laten aanjagen, de minste vrees kunnen bestaan voor eene reeds bejaarde dame, die niemand anders bij zich heeft dan één enkele bediende? Men heeft ons dan ook integendeel ontvangen met de meeste welwillendheid, en zooveel mogelijk geholpen bij het in orde brengen van onze nieuwe inrichting.

—Ja, de flibustiers zien het zelfs gaarne dat vreemdelingen zich bij hen vestigen, niet waar?

—Zeker, zeker! Dat geeft hun een gezetene, oppassende, nijvere bevolking, die later, naar zij hopen, er toe zal bijdragen om hun inwendigen toestand tot gezonder voet te brengen.

—Ga door, ik stel in uwe mededeelingen groot belang.

—Edele heer, ik heb er niet veel meer bij te voegen, alleen dit nog, dat Francoeur, dus noemen de vrijbuiters den man over wien wij het nu hebben, zich ten onzent heeft gevestigd, en dat de brief dien gij mij hebt doen toekomen, door mij aan hem is overhandigd.

—En wat heeft hij toen gezegd?

—Hij scheen zeer ontroerd, edele heer, toen hij dien brief onder de oogen kreeg, en een oogenblik later zei hij kortaf, „goed, ik zal komen.”

—Dan is het wel, want hij zal woord houden. En is uwe meesteres nog al tevreden?

—Ja, voor zooverre, dit voor haar mogelijk is, maar gij weet, edele heer, dat ik vrij gauw iets opmerk.

—En wat hebt ge opgemerkt?

—Iets wat mij zeer bevreemdt, edele heer. Donna Clara, die gewoonlijk zoo stil en afgetrokken is, en meermalen weken lang geen woord uit, toont voor dat jonge mensch eene bijzondere genegenheid te koesteren.

—Wel zoo! Wat zegt ge mij daar, Birbomono!

—De waarheid, edele heer! Zoodra zij hem gewaar wordt, heldert haar anders zoo somber gelaat geheel op, en als hij zoo nu en dan haar toespreekt, dan is het of het geluid zijner stem haar ontroert. Komt hij een enkelen keer in de algemeene kamer, dan volgt zij hem met hare blikken, let op al zijne bewegingen en zucht dan diep bij zijn vertrek, en laat het hoofd hangen. Zij zelve houdt het toezicht over zijn kamer en al zijne kleeren in orde, het is alsof zij die zorg aan geen ander wil overlaten en zich gelukkig gevoelt door al die bemoeiingen om het den jongen man alles naar genoegen te maken. Mij dunkt, edele heer, dat ook gij dit alles zeer bevreemdend zult vinden.

—Dat is ook zoo! Hebt ge er donna Clara nooit over gesproken?

—Slechts ééns. Toen heb ik het gewaagd haar een opmerking te maken, maar dadelijk viel zij mij in de rede, heeft met een engelachtig glimlachje den vinger op haar mond gelegd en tot mij gezegd op zulk een gevoelvollen toon, dat de tranen mij in de oogen kwamen, „Birbomono, trouwe vriend, laat mij trachten hiermede al mijn leed te verdooven. Ik heb dien jongen man lief, alsof ik zijne moeder en hij mijn eigen kind ware. Zeker is hij door eene genadige beschikking van God bij mij geplaatst, tot troost over het verlies dat ik geleden heb, en tracht te vergeten.” En, edele heer, wat kon ik daartegen inbrengen? Niets, en daarom zweeg ik.

—Ja, ja,—mompelde de eerste spreker, en streek met de hand langs zijn voorhoofd, waarop klam zweet parelde.—Het is als eene beschikking van God! Dat Zijn heilige wil geschiedde! Maar hoe denkt die jonge man zelf over haar?

—Och, edele heer, ik geloof dat hij er eigenlijk in het geheel niet over denkt, om de eenvoudige reden dat hij er niet op let. Hij is iemand van gansch andere geaardheid dan zijne metgezellen, somber en terughoudend. Hij dobbelt niet, drinkt niet, houdt zich met geen vrouwvolk op en dikwerf is de vraag bij mij opgerezen, hoe komt zulk een man onder de vrijbuiters?

—Toch schijnt hij onder hen eenige vrienden te hebben.

—Hoogstens een paar, Pierre Legrand en Philippe d’Ogeron, maar die twee zijn reeds lang op eene expeditie uit, en dus leeft hij geheel op zich zelf.

—Kent Montbars hem?

—Dat geloof ik niet, of liever gezegd, daar weet ik niets van. Toen wij te Port-de-Paix kwamen, was Montbars reeds ongeveer een maand van daar vertrokken, en is nog niet teruggekomen.

—Nu dat doet er ook niet toe, Birbomono. Blijf, zooals ik je dit dringend heb verzocht, dien zonderlingen jongen man goed in het oog houden; ik heb daarvoor zeer gewichtige redenen, die ik je later zal kunnen mededeelen.

—Het is voor mij genoeg dat mij dit door u wordt gelast, edele heer, verder behoor ik mij daarmee niet te bemoeien. Doch ik geloof dat ik eenig gerucht hoor,—voegde hij er bij,—en vermoed dus dat hij in aantocht is.

—Tracht te zien of dit zoo is, vriendlief, en mocht het zoo zijn breng hem dan bij mij.

—Ik kom laat, niet waar, Birbomono?—vroeg hij en wischte het zweet van zijn gelaat.

—Och, neen!—gaf de mayordomo ten antwoord.—Het is nog niet veel later dan acht uur, en als ik mij niet vergis, was de samenkomst bepaald tegen half negen.

—Dat is waar ook! Nu, des te beter, want ik zou mij niet gaarne hebben laten wachten. Waar is de persoon die mij heeft doen verzoeken naar hier te komen?

—Wil mij volgen, mijnheer, hij wacht u hier kort bij.

—Wijs mij dan den weg. Ik verlang er naar hem te ontmoeten. Doch nauwelijks kreeg de jonge man den boekanier in het oog, of hij keerde zich zeer teleurgesteld naar Birbomono, en zei vrij barsch:—Wat heeft dat te beduiden? Wat verlangt die man van mij? En waar is de …

—Een oogenblik geduld, mijnheer, als ik je verzoeken mag,—viel de boekanier haastig in. Daarna wendde hij zich naar den mayordomo en zei:—Birbomono, vriendlief, laat ons alleen, en wil er voor zorgen dat wij door niemand lastig worden gevallen. Mocht je iets verdachts bespeuren in de savanne, kom ons dan terstond waarschuwen.

De mayordomo groette, greep zijn geweer, en ging heen zonder een woord te spreken. De boekanier bleef hem nakijken, doch zoodra hij hem niet meer kon bespeuren, keerde hij zich naar den jongen man en stak dezen zijn hand toe.

—Welkom, neef,—begon hij,—het doet mij genoegen je hier te zien.

—Hoe! Wat!—uitte Francoeur één en al verbazing.—Zoudt gij werkelijk …

—Maar de kleeding …

—Is eene zeer goed bedachte en niet minder goed uitgevoerde vermomming, niet waar? Het kwam mij voor dat die te dezer gelegenheid den Gouverneur van Sint-Domingo beter zou passen, dan zijn schitterend ambtsgewaad.

—Gaarne wil ik je bekennen, waarde neef, dat die vermomming zoo volkomen is dat ik zelfs nu, ondanks dat ik er alles van weet, moeite heb je te herkennen.

Eene omhelzing der beide edellieden volgde en daarna gingen zij naast elkaar zitten.

—En laat ons nu spreken over onze zaken,—hernam don Sancho,—zoo ge dit goedvindt, want daarvoor zijn wij hoofdzakelijk hier gekomen.

—Ik ben tot je orders, neef. Doch zeg eerst, hoe zijt ge toch te weten gekomen, waar ik was?

—Het is immers een mijner eerste plichten er voor te zorgen dat ik alles weet, niet waar? Welnu, ik heb informaties ingewonnen en dit was voldoende. Beste vriend, zijt ge waarlijk nog zoo onnoozel om te meenen dat wij onder ulieden geen spionnen zouden hebben? Kom dan van die dwaling terug, want wij hebben er verscheidene en onder hen zeer slimme vossen die wij, onder ons gezegd, zeer duur moeten betalen. Doch nu ter zake, herinnert ge je nog neef, ons laatste gesprek te Vera-Cruz?

—Ieder woord daarvan heb ik goed in mijn geheugen gehouden.

—En dus zeker ook trouw in acht genomen alles wat ik je toen zoo ernstig op het hart heb gedrukt niet waar?

—Ge moet mij dit ten goede houden, maar eerlijk gesproken, weet ik eigenlijk niet waarop ge zinspeelt.

—Dan zal ik mij nader verklaren. Ik vertrouw namelijk dat ge, daar ik je dit zoo dringend verzocht heb, je stipt hebt onthouden van alle briefwisseling met Zijne Excellentie den hertog de Penaflor, mijn vader, daar ge hiermeê zoudt wachten tot wij elkaar weer ontmoet hadden, en nadat ge van mij de verdere ophelderingen zoudt ontvangen hebben, die ik je beloofde.

—Waarde don Sancho, ik wil openhartig jegens je zijn,—verklaarde de jonge man, doch met eenige aarzeling in zijn stem,—en als gij alles van mij vernomen hebt, spreek dan een oordeel over mij uit.

—Goed!—uitte de markies kortaf terwijl hij de wenkbrauwen fronste,—ik ben geheel gehoor.

—Er zijn reeds verscheiden maanden verloopen, sedert wij te Vera-Cruz zóó onverwacht afscheid van elkaar moesten nemen, nadat de hertog de Penaflor de goedheid had mij die zeer gevaarvolle zending toe te vertrouwen; in dat tijdsverloop is er heel wat voorgevallen zonder dat ik ooit iets van je vernam. Herhaaldelijk, doch altijd te vergeefs heb ik moeite gedaan om je te ontmoeten; ik moest het er dus voor houden dat gij òf uwe belofte vergeten hadt, òf dat gij, bij nadere overtuiging op uw besluit teruggekomen, en niet meer van plan waart mij die verdere ophelderingen te geven. Daarentegen ontving ik van den hertog de Penaflor, wiens onvermoeibare werkzaamheid gij kent, boodschap op boodschap, om mij aan te moedigen, zonder aarzeling of ontmoediging de gedragslijn, die hij mij had afgebakend, te volgen, en zoodoende de eervolle zending te vervullen, waardoor Spanje verlost zou worden van hare geduchtste tegenstanders in deze wateren. Wat kon ik nu anders doen dan gehoorzamen? Te meer daar stipte gehoorzaamheid aan de ontvangen bevelen, niet alleen bevorderlijk zou zijn aan de belangen van mijn land, maar evenzeer aan de voldoening mijner wraak. En buitendien had ik mijn woord als edelman verpand, en ge weet, neef, dat geen enkel lid van ons geslacht ooit in gebreke is gebleven zijn woord gestand te blijven.

—O!—barstte don Sancho los, met opeen geperste lippen, en door toorn verwrongene trekken.—Hoe herken ik in dit alles de helsche overmacht van mijn vader, en zijn onverzoenlijken haat! Het is weer zooals altijd, alles is door hem vooraf berekend, alles heeft hij voorzien!

—Wat wilt ge daarmee zeggen, neef? Ge maakt mij werkelijk ongerust! Wat bedoelt ge met die woorden?

—Ga maar door don Gusman, ga maar door! Nu is het toch meer dan waarschijnlijk te laat om je verdere ophelderingen te geven! Wie weet welk onherstelbaar onheil er reeds is gesticht!

—Om Gods wil, don Sancho! Ge zult toch niet weigeren om uitleg van uwe woorden te geven?—smeekte de jonge man bevende van ontroering.

—Zeg eerst alles wat ge nog te zeggen hebt, neef, en daarna … zal ik zien of ik aan uw verzoek kan voldoen.

—Er is verder niet veel meer door mij te vertellen.—Trouw en stipt heb ik tot nu toe de zending vervuld, die mij is opgedragen. De hertog de Penaflor is steeds door mij op de hoogte gehouden van al de plannen en bewegingen der flibustiers. Gisteren bij voorbeeld heb ik nog iemand naar hem gezonden om hem bericht te geven over een zeer groote expeditie die tegen een der havens van het vaste land op til is, en hoogst waarschijnlijk, zal worden aangevoerd door Montbars, die ieder oogenblik op Tortue wordt verwacht, en door de voornaamste gezagvoerders van de Broeders der Kust. Nu is de beurt aan u neef, nu zal ik naar u luisteren.

Don Sancho stond op, keek den ander een oogenblik zeer droefgeestig aan, drukte de hand op zijn schouder, en voegde hem op meewarigen toon toe:—Thans heb ik je niets meer te zeggen, arme jongen! Ge zijt overgeleverd aan de macht van een man, die je het hart zal breken, zonder dat ge in staat zult zijn je er tegen te verzetten. Je wreekt je zelven niet, maar het is tot bevrediging van zijn eigen haat, waaraan hij je dienstbaar gemaakt heeft. Arme kerel! Ge zijt niets dan een werktuig in zijne handen!

—Maar wat moet ik dan doen? Zeg mij, in ’s hemels naam, wat ik doen moet?

Don Sancho aarzelde een poos, en sprak eindelijk somber:—Don Gusman, ik mag geen nadere verklaring geven. Tracht de bedoeling mijner woorden te raden.

—Hoe kan ik dat? Het hoofd loopt mij om!—viel de ander radeloos uit.

—Ik wil je herinneren aan de woorden van den heiligen Remigius tot Clovis: „Verbrand wat ge aangebeden hebt, aanbid wat gij verbrand hebt.”

—En wat wil dit zeggen?—vroeg don Gusman gejaagd.

—Dat wil zeggen,—werd door den markies ten antwoord gegeven met nog somberder stem,—dat wil zeggen dat de hertog de Penaflor mijn vader is wien ik gehoorzaamheid en ontzag verschuldigd ben, met andere woorden en kort af, dat wil zeggen, dat ik zwijgen moet. Maar als vriend en bloedverwant geef ik je nog eene laatste en hoogst ernstige waarschuwing, thans is het mij niet geoorloofd duidelijker tot je te spreken, maar wees voorzichtig, don Gusman, wees voorzichtig.

Hij maakte zich gereed heen te gaan.

—Een woord nog, één enkel woord slechts, dat mij ten minste tot leidraad kan dienen, in al die geheimzinnigheid!

—Ik mag niet meer zeggen.

—O! Het is of ik vervloekt ben!—barstte don Gusman los, als verpletterd door overmaat van smart.

—Misschien wel!—beaamde don Sancho met onbeschrijfelijk medelijden.—Doch verlies alle hoop niet, en doe uw best te raden wie werkelijk uwe vijanden zijn. Vaarwel!

—Zal ik je nog terug zien?

—Ja.

—Wanneer?

—Dat weet ik niet, maar waarschijnlijk te laat om een vreeselijke ontknooping te verhoeden, zoo je de bedoeling mijner woorden niet begrepen hebt. Nog eenmaal, vaarwel, beste neef en denk aan den heiligen Remigius.

Daarna drukte hij hem de hand en ging heen.

—Helaas! Helaas!—riep de jonge man uit, radeloos wanhopend.—Genadige God! Wie zal mij tot gids zijn in zulk een ondoordringbare geheimenis?

Hij hoorde eenig gerucht en keek dadelijk op, wellicht zich vleiende met de hoop, dat zijn neef, met zijn smart bewogen, zou terug zijn gekomen, doch spoedig bemerkte hij zijne dwaling, het was Birbomono, die naar hem toekwam.

—Zullen wij naar Port-de-Paix terugkeeren, señor?—vroeg de mayordomo.

—Laat ons opstappen,—werd kortaf geantwoord, en zonder er verder een enkel woord bij te voegen begaf don Gusman zich op weg, voorafgegaan door Birbomono, die voor hem het pad baande.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings