XXVI. VAN AANGEZICHT TOT AANGEZICHT.
Reading edition
Al dien tijd had Montbars met scherpen blik het verloop dier gebeurtenissen waargenomen, en dadelijk maakte hij zich de algemeene verslagenheid, die bij de Spanjaarden was ontstaan door dit voor hen zoo noodlottige onheil, ten nutte, om de ondernemendste zijner kameraden tot den aanval op een tweede schip aan te voeren, dat geënterd en bijna zonder slag of stoot genomen werd op hetzelfde oogenblik dat het schip van den Onder-Koning in de golven verdween.

Slechts aan enkele personen waaronder de Onder-Koning, gelukte het, half dood van vermoeienis en uitputting, het Houtduifeiland te bereiken.—Blz. 220.
Grammont had een derde schip aangeklampt, en eveneens geënterd en leverde een verwoed gevecht tegen de tot wanhoop gebrachte Spanjaarden. Die strijd werd gevoerd met de grootste hevigheid; herhaaldelijk teruggeworpen sprongen de flibustiers weer even spoedig aan boord van het aangetaste vaartuig, en stonden eindelijk op het punt de zege te behalen, toen Grammont te midden van hen nederstortte geveld door een bijlslag die zijn schedel kliefde. Verschrikt en ontsteld door den dood van hun gezagvoerder, aarzelden en wankelden de vrijbuiters; de Spanjaarden daarentegen verdubbelden hunne pogingen en nog eenige oogenblikken werd het gevecht voortgezet.
Zóó ging het langs de geheele linie, het gansche eskader der vrijbuiters kwam nu op de Spaansche vloot af en ieder hunner schepen wierp enterdreggen en haken in het want der vijandelijke bodems, waarop over de geheele linie een gevecht ontstond van man tegen man.
Overal was de strijd hevig en verwoed, en nergens werd er aan gedacht genade te vragen of te geven; vier Spaansche schepen sprongen in de lucht, liever dan zich over te geven; de overigen, onthutst door zulk eene opeenstapeling van onvoorziene rampen, dachten aan niets dan aan het dreigende gevaar te ontkomen. Zij kapten overhaast de kabels en lieten zich afdrijven naar het Houtduifeiland, om onder de beschutting te komen van de verschansingen die waren opgericht uit de bouwvallen van het fort. Zoodra zij aldaar aan wal gekomen waren, lieten zij hunne schepen zinken om te voorkomen dat de vrijbuiters ze zouden bemachtigen.
Die zoo prachtige en geduchte Spaansche vloot was totaal vernietigd en toch had het gevecht nog geen uur geduurd. Het gebeurde had veel van een wonder; de vrijbuiters en Montbars zelf begrepen niet hoe het hen had kunnen gelukken, om in zulk een korten tijd, met een verlies van hoogstens vijf of zes manschappen, en met zulke zwakke hulpmiddelen zich te redden uit den bijna wanhopigen toestand niet alleen, maar zelfs bovendien nog eene volkomen overwinning te behalen. Geen wonder dat hunne vreugde onbegrensd was, en de algemeene opgewondenheid ten toppunt klom; zij omhelsden elkaar, zij wenschten elkaar telkens geluk, en daverend en herhaaldelijk klonk jubelend de naam van Montbars, als hun redder en bevrijder.
Doch ook die triomf was nog niet voldoende voor den Admiraal, want zijn aartsvijand was hem ontsnapt, en juist om dien man was het hem te doen; hij besloot dus oogenblikkelijk een aanval te beproeven op de verschansingen van het Houtduifeiland. De vrijbuiters bestormden die met ongekende verwoedheid; zij dorstten naar Spaansch bloed, en wilden tot op den laatsten matroos van die vloot, die hun zooveel schrik en angst berokkend had, vernietigen.
De Onder-Koning had den aanval voorzien en zich dus gehaast de noodige stellingen in te nemen tot het bieden van krachtdadigen wederstand. De botsing tusschen de vrijbuiters en de Spanjaarden was ontzettend, maar de Onder-Koning had met zooveel tact zijne soldaten op de gevaarlijkste punten post doen vatten, en de manschappen wisten zóó goed dat zij niet op genade hadden te hopen, dat zij met de grootste volharding stand hielden, zoodat de vrijbuiters ondanks al hunne verbittering, er niet in konden slagen de verschansingen te overmeesteren.
Montbars zag dadelijk in dat het onmogelijk was door een bestorming de positie te forceeren, die door den vijand met al de kracht der wanhoop verdedigd werd, en achtte het noodig den terugtocht te gelasten en naar de booten te trekken na zware verliezen te hebben geleden, want bij dien aanval waren honderd twintig manschappen gedood of gewond.
Ondanks de behaalde zegepraal en niettegenstaande de vernietiging der Spaansche vloot was de toestand der vrijbuiters niet veel gunstiger geworden, want nog altijd bevonden zij zich aan gene zijde der engte, die gepasseerd moest worden, om in volle zee te komen; en de Spanjaarden, behoorlijk verschanst op het Houtduifeiland, waren, dank zij het aanzienlijke getal hunner stukken, in staat ongestoord te vuren op de schepen al naar mate die mochten beproeven zich in de nauwe geul te wagen om het ruime sop te bereiken. Het lot van de vrijbuiters hing dus af van de bemachtiging van het fort, maar zij hadden reeds eene ernstige poging aangewend het te overmeesteren en waren daarin niet geslaagd hoeveel kracht ook door hen was ontwikkeld geworden.
De geduchte nederlaag, ondervonden bij een plotselingen overval op de Spanjaarden, toen deze geacht konden worden nog geen vasten voet te hebben gezet in hunne posities, ontmoedigde hen dermate, dat de vroegere wankelmoedigheid weer de overhand verkreeg, waardoor schrik en ontsteltenis ontstond en zij begonnen te vreezen voor een goeden uitslag van de expeditie.
Alleen Montbars wanhoopte niet; zijne kameraden mochten er bij hem op aandringen te trachten met den Onder-Koning in onderhandeling te komen, zij wilden hem zelfs machtigen den te Maracaïbo en te Gibraltar verkregen buit prijs te geven, hij sloeg geen acht op hunne vertoogen en smeekingen en bleef onverzettelijk bij zijn besluit om het fort te nemen en den doortocht stormenderhand te forceeren. Hij herinnerde aan de flibustiers hoe zij hem bezworen hadden hem in alles te zullen gehoorzamen en tot den laatsten man te strijden; spottend sprak hij over hunne wankelmoedigheid en op alles wat zij aanvoerden gaf hij steeds hetzelfde antwoord, dat zij aan hem hun lot hadden toevertrouwd, en dus niets anders hadden te doen dan stipt zijne bevelen op te volgen, zonder zich te bekommeren over de gevolgen, waarvoor hij, en hij alléén, verantwoordelijk bleef.
Thans zullen wij opnieuw het woord afstaan aan Olivier Oexmelin, den waarheidlievenden en betrouwbaren ooggetuige aan wiens relaas wij reeds meer dan ééne bijzonderheid hebben ontleend.
Toen Montbars de treurige ondervinding had opgedaan dat kracht noch geweld voor den doortocht kon baten, besloot hij weer tot list zijn toevlucht te nemen. Thans verzon hij er weer iets anders op. Daags na den mislukten aanval, deed hij toen het begon te dagen, met de booten van het eskader, een honderdtal vrijbuiters aan wal zetten buiten het bereik van het geschut van het fort, naar een plek bedekt met hoog gras en dicht struikgewas. Vervolgens moesten op zijn bevel, die flibustiers, na daar ter plaatse zich eenige uren verborgen te hebben gehouden, één voor één naar de booten terugkeeren, doch op Indiaansche manier over den grond kruipende, zoodat men hen niet van uit het fort gewaar kon worden. Waren zij aldus bij de booten gekomen dan moesten zij zich daarin plat uitstrekken, en die dan schijnbaar leege vaartuigen door een paar roeiers naar boord worden teruggebracht. Die zonderlinge manoeuvre, werd den ganschen dag voortdurend herhaald in het gezicht der Spanjaarden, om deze in den waan te brengen dat al de bemanningen waren ontscheept.
En die list beantwoordde inderdaad aan de bedoeling. Misleid door dien valschen schijn, twijfelden de Spanjaarden er niet aan, dat de vrijbuiters voornemens waren den volgenden nacht van de landzijde op het fort een aanval te doen; zij verplaatsten dus hunne stukken en brachten die in batterij naar den bedreigden kant, waar zij al hun macht vereenigden, zoodat aan den zeekant alles bijna zonder verdediging bleef.
Dit had Montbars juist verwacht, op die vergissing had hij gerekend, en met zijn gewone vaardigheid maakte hij zich dien misslag ten nutte. ’s Avonds tegen tien uur staken de booten vol gewapende manschappen van de schepen af en landden op den zandigen oever van het Houtduifeiland; de flibustiers sprongen ijlings aan wal, en deden op de verschansingen een onwederstaanbaren aanval, en tezelfder tijd heschen hunne schepen de zeilen en passeerden zonder eenige verhindering het kanaal, terwijl zij daarvan op een half kanonschot afstand dwars gehaald, op het fort telkens onafgebroken de volle laag deden neerkomen.
Eerst nu werd eindelijk aan de Spanjaarden de krijgslist hunner vijanden duidelijk, en wilden zij met den meesten spoed de stukken weer in de vroegere positie brengen, om de bestorming der verschansingen te beletten, maar het was te laat en te vergeefs; de vrijbuiters toch waren reeds tot in hun midden gedrongen, hieven een woest krijgsgeschreeuw aan, of beter gezegd, brulden dit uit, en zwaaiden in dolle woede hunne wapens in de lucht. Er volgde tusschen belegeraars en belegerden een gevecht van man tegen man, een vreeselijke kampstrijd, doch waarvan de uitslag moest zijn ten voordeele van de vrijbuiters, dank zij de behendigheid en de oneindig grootere lichaamskracht waarin zij de Spanjaarden overtroffen. Toch bleven de Spanjaarden zich verdedigen met bewonderenswaardige dapperheid en volharding, gedreven door wanhoop en hun vast besluit hun leven op te offeren; zij weken niet terug dan pas voor pas, en vielen niet eer zij gedood werden; iedere duim gronds die door de flibustiers werd veroverd, kostte stroomen bloeds; de verbittering was thans van weerskanten even fel, en ieder begreep dat nu de leuze gold, sterven of overwinnen.
Het volle maanlicht bescheen de plaats van het gevecht en maakte de worsteling nog afschuwelijker, daar zij de strijdenden in staat stelde hunne slagen des te zekerder te doen neerkomen. Ondanks zijn hoogen leeftijd verrichtte de Onder-Koning wonderen van dapperheid; het was of hij steeds overal en bij allen was, en hij moedigde de soldaten onophoudelijk aan zoowel door stem als door voorbeeld.
Die ontzettende kampstrijd duurde bijna twee volle uren, steeds even verwoed, even hardnekkig, even volhardend, zonder dat noch bij de eene, noch bij de andere partij verzwakking merkbaar werd. Niemand zou hebben kunnen voorspellen hoe die afschuwelijke slachting zou eindigen, toen op eens boven alles uit de stem werd vernomen van Montbars, die een donderen „Voorwaarts!” deed hooren.
Gevolgd door zijne dapperste kameraden, doet de vermaarde en zoozeer geduchte vrijbuiter een aanval op de dichtste drommen der Spanjaarden, en werpt omver, verslaat of verstrooit allen die hem in den weg staan. De flibustiers ontwikkelen al hunne kracht; de Spanjaarden beseffen dat zij verloren zijn, doch de wanhoop doet hen stand houden; zij vechten niet meer om te overwinnen, maar om met de wapens in de hand te vallen, daar zij den dood verkiezen boven de schande en de kwellingen der slavernij.
Ziedend van woede doet Montbars zijn zwaard met felle slagen neerkomen tusschen de gelederen zijner vijanden, en roept met heesche stem telkens den hertog de Penaflor op, wien hij steeds trachtte op te sporen te midden van de verwarde strijders. De Onder-Koning beantwoordt die uitdaging van zijn tegenstander; wanhopend snelt hij met de grootste verbittering op hem toe en staat op het punt hem te naderen, toen hij zich op eens van achteren voelt aangegrepen, op den grond geworpen en ontwapend, terwijl Montbars die zich eindelijk vlak tegenover den hertog bevindt, stilstaat, brullende van woede en teleurstelling; zijn doodsvijand is de gevangene van Francoeur en Philippe d’Ogeron. Die twee jongelieden hadden zich, als bij afspraak, op den hertog geworpen en hem overweldigd.
—Ach!—barstte Montbars, op niet weer te geven verwijtenden toon los.—Gij, gij, mijne getrouwsten, gij hebt mij van mijn wraak beroofd.
—Toch niet,—gaf Philippe ten antwoord.—Wij hebben die in tegendeel voor je verzekerd.
Francoeur sloeg de oogen naar den grond en voegde er bij:—Die man moet niet in het gevecht gedood worden.
—Dat is waar,—bevestigde Montbars.—Bij den hemel, gij hebt gelijk! Zulk een dood zou voor hem te eervol zijn geweest! Ik dank je, jongens!
De beide mannen wisselden een blik van verstandhouding, terwijl Montbars zich weder wierp daar waar de strijd het felste werd gevoerd.
De val van den Onder-Koning werd dadelijk bekend, en was het sein tot de nederlaag der Spanjaarden; van dit oogenblik was hun tegenstand nog slechts onbeduidend en ongeregeld, en kort daarna werden de enkele dappere soldaten, die nog overgebleven waren, genoodzaakt de wapens neer te leggen.
Twee uren later verlieten de schepen der flibustiers voor goed die verwoeste streken, en lieten daar slechts bouwvallen en lijken achter.
’t Was feest te Port-de-Paix.
Het eskader der flibustiers was in vollen triumf dáár teruggekeerd van die glorierijke expeditie naar Maracaïbo, en de bemanningen met schatten beladen waren ontscheept. Als naar ouder gewoonte onbezorgd voor den dag van morgen, hadden de Broeders der Kust zich dadelijk te buiten gegaan in de onzinnigste brasserijen, waarbij al die rijkdommen weer werden verspild, die hun zooveel inspanning, zooveel gevaren en ontberingen, zooveel bloed gekost hadden. Met uitzondering van den Onder-Koning, waren de Spaansche slaven opgesloten in tijdelijke gevangenissen, om later aan de inwoners en aan de boekaniers verkocht te worden. De hertog de Penaflor en enkele zijner officieren, die ongelukkig genoeg voor hen, niet in het laatste gevecht waren gesneuveld, werden gehuisvest in het verblijf van den Gouverneur, in afwachting van het losgeld, dat voor hen moest worden opgebracht.
Er was een algemeene raadsvergadering der flibustiers belegd geworden, waarbij de heer d’Ogeron het voorzitterschap bekleed had. In die bijeenkomst bracht de plaatsvervanger des Konings in de eerste plaats hulde en dank aan Montbars, voor de uitnemende en schitterende wijze, waarop de expeditie door hem was bestuurd. Koel was die hulde door den Admiraal aangehoord, en door hem alleen het woord gevraagd om als een recht voor zich te eischen, dat de Onder-Koning aan hem zou worden overgeleverd. Tevergeefs had de heer d’Ogeron getracht tegen dien eisch in verzet te komen, want Montbars beriep zich op de wet der flibustiers, die naar hij aantoonde duidelijk en bepaald sprak, en daar ook de meerderheid der aanwezige vrijbuiters partij gekozen had voor den Admiraal, was de heer d’Ogeron wel genoodzaakt toe te geven. Hij had er zich dus aan onderworpen om den hertog ter beschikking te stellen van Montbars, doch onder voorwaarde dat aan hem als Gouverneur een uitstel van ééne week zou worden verleend, eer hij den gevangene uitleverde. Toen was Montbars op zijn beurt gedwongen geweest die voorwaarde aan te nemen, waarop hij zich verwijderd had met ingehouden toorn.
Gedurende die week had de heer d’Ogeron herhaaldelijk geheime bijeenkomsten met zijn neef en diens vriend Francoeur gehad; en had zelfs aan den jongen man eene geheime zending opgedragen, zoodat sedert zes dagen niemand hem meer te Port-de-Paix had gezien. Ook Montbars scheen onzichtbaar geworden; hij had zich in zijn huis opgesloten, waarvan de toegang onverbiddelijk geweigerd werd zelfs aan zijne intieme vrienden, uitgezonderd twee hunner, met name Michel de Baskiër, en Luiwammes. Die uitzondering bevreemde niemand, want het was algemeen bekend dat zij beiden behoorden tot zijne oudste kameraden, en met hart en ziel aan hem gehecht waren. Eindelijk was de week, die door den heer d’Ogeron als uitstel bedongen was, ten einde, en op den morgen van den laatsten dag, liet de gouverneur Montbars, verwittigen dat hij gereed was den gevangene aan hem uit te leveren.
Bij het ontvangen van dit bericht betrok het gelaat van den flibustier; hij vermoedde, dat er achter die schijnbare toegevendheid van den heer d’Ogeron een adder onder het gras schuilde. Zonder echter zijn achterdocht te laten blijken, verliet hij dadelijk zijn huis, en begaf zich naar de woning van den Gouverneur, door Michel den Baskiër, en door Luiwammes vergezeld. De heer d’Ogeron wachtte Montbars in zijn salon af, ontving hem daar met innemende beleefdheid en verzocht op hoogst gewonen toon dat hij hem zou volgen naar de kamer van den gevangene. Montbars sloeg een scherpen blik op het rondborstige en openhartige gelaat van den Gouverneur en zei:—Vergun mij één enkel woord.
—Wel twee, als gij dat wenscht, waarde vriend,—ontving hij ten antwoord.
—Gij noemt mij daar uw vriend, naar ik hoor, is het niet?—vroeg Montbars eenigszins wantrouwend.
—Zeer zeker! Gij zijt dit immers, niet waar?—luidde de wedervraag.
—Dat is zoo, mijnheer, ik ben dat. Het is u bekend niet waar dat de hertog de Penaflor mijn doodsvijand is?
—Ja, dat is zóó.
—Dan weet ge zonder twijfel ook dat ik voornemens ben mij op hem te wreken.
—Dit verwachtte ik reeds, maar eveneens dat die wraak u waardig zal zijn.
— Ge zult daarover straks kunnen oordeelen. Er wordt dus open spel tusschen ons gespeeld?
—Bepaald, mijn vriend, reken daar op. Ge hebt thans vrijheid den gevangene met u te voeren, zoodra ge dit goedvindt. En ik stel mij voor dat dit alles is wat gij verlangt te weten. Is het niet zoo?
—Juist! Laat ons dan gaan.
—Kom mee!
Montbars, steeds vergezeld door de beide flibustiers, volgde den Gouverneur. Zij liepen verscheidene vertrekken door, eindelijk deed de heer d’Ogeron de laatste deur open en trad Montbars een vertrek binnen waar de hertog de Penaflor zich bevond, doch de hertog was niet alleen; er was een talrijk gezelschap bij hem vereenigd. Dit gezelschap bestond uit de volgende personen: don Sancho de Penaflor, de zoon van den hertog, donna Clara, donna Juana, Francoeur, Philippe d’Ogeron, en iets meer achteraan, de mayordomo, Birbomono.
Zoodra de hertog Montbars in het oog kreeg, stond hij op, naderde hem een paar stappen, groette ceremonieel, en sprak onmiddellijk zonder den ander tijd te laten het woord te nemen:—Met ongeduld werd gij door mij verwacht, mijnheer.
—Zoo!—uitte Montbars met moeite, terwijl hij met fonkelenden blik al de aanwezigen monsterde. Daarop wendde hij zich tot den heer d’Ogeron om dien met bittere minachting toe te voegen:
—Ik betuig u mijn dank, mijnheer, voor de zeer loyale manier waarop gij uw woord gestanddoet.
—Een oogenblik geduld, mijnheer,—antwoordde de Gouverneur uiterst kalm.
—Graaf,—sprak de hertog,—ik weet dat ik uw gevangene ben en ben gereed u te volgen, doch ik verzoek, eer gij overgaat tot de voltrekking der wraak die gij zeker voornemens zijt op mij te nemen, mij eenige oogenblikken toe te staan. Ik ben meer dan tachtig jaren oud, mijnheer, mijn leven kan dus niet meer van langen duur zijn,—gaf hij met droeve bitterheid te kennen,—en ik gevoel dat voor mij het uur tot boetedoening eindelijk aangebroken is.
—Mijnheer,—antwoordde Montbars op somberen toon,—ik verlang verder niets meer van je te hooren. De man, die mij gedurende zijn gansche leven zonder gegronde redenen met een onverzoenlijken haat vervolgd heeft, de man, die mij zoo ontzettend heeft doen lijden, dat ik dit nooit kan vergeten, de man, die nu eindelijk door mij overwonnen en in mijn macht is, zal het niet gelukken om door een lafhartig en te lang verschoven berouw mijn gemoed te verteederen en voor medelijden toegankelijk te maken.
Een koortsachtige gloed overtoog het gelaat van den hertog, die een droefgeestigen blik wierp naar zijn zoon; toen hernam hij met zachte stem.
—Neen, mijnheer, het is geen lafhartig en te laat berouw waardoor thans mijn gedrag wordt geregeld. Thans, nu ik in uwe macht ben, bezielt mij tegen u dezelfde haat als vijfentwintig jaar geleden. Ik haat u even fel, en die haat zal mij bijblijven tot aan mijn jongsten snik.
—O! Nu herken ik u weder!—viel Montbars uit.
—Doch,—vervolgde de hertog, zonder op dien uitroep acht te geven,—eer ik mij in uwe handen stel, heb ik aan u in het bijzijn van allen die hier tegenwoordig zijn eene verklaring af te leggen.
—Mijnheer,—werd door Montbars op waardigen toon aangemerkt,—ik begrijp niet welk recht de hier aanwezigen hebben om tegenwoordig te zijn bij de behandeling van zaken die uitsluitend ons persoonlijk aangaan.
—Mijn vader heeft zich minder juist uitgedrukt, mijnheer,—meende de markies te moeten inbrengen,—vergun mij daarom eer wij verder gaan, ook om allen twijfel die mijn aanwezigheid alhier omtrent mijn bedoelingen zou kunnen geven, te verbannen, u vóór alles de verzekering te geven dat mijne aanwezigheid niet met de minste vijandige gezindheid jegens u in verband staat, integendeel verklaar ik gaarne en openlijk, niet alleen dat ik zekere verplichtingen aan u heb, maar tevens dat ik ware achting gevoel voor uw karakter.
—Het zij zoo, mijnheer. Maar hoe meent gij dan uwe tegenwoordigheid hier te kunnen rechtvaardigen?
—Bedenk, mijnheer, dat ik de zoon ben van den hertog de Penaflor. Is er nog eene andere rechtvaardiging noodig?
—En ik,—voegde donna Clara er bij, die met gevouwen handen smeekend Montbars naderde,—laat ik u ook mogen toevoegen.… hij is mijn vader.
—Hij heeft mij in mijne kindsheid verzorgd,—mompelde Francoeur, als antwoord op den vragenden blik van Montbars.
De flibustier antwoordde niet, zijn voorhoofd betrok, zijn hoofd zonk op de borst. Al de aanwezigen wachtten in spanning, en eene doodsche stilte heerschte in de zaal.—Dus,—hernam Montbars met vaste stem:—Mijne vrouw, mijn zoon, mijne vrienden, gij allen vereenigt u om aan den leeuw zijn prooi te ontrukken! Gij allen dringt er bij mij op aan, dat ik afstand zal doen van mijn wraak, en toch is de hoop dat eenmaal dit verlangen zou worden vervuld, het eenige geweest dat mij al die jaren moed heeft gegeven om te blijven leven en te worstelen tegen de smart die mij verteerde. Ach! Wee, wee over mij, dat ik den moed miste mijn eigen bestaan te vernietigen, dien dag toen ik met een vreeselijken eed zwoer dat ik mij zou wreken! Ellendeling die ik ben, nu ik mij zwak gevoel tegenover al die tranen en smeekingen!…
—Mijnheer,—viel de hertog in op trotschen toon.—Ik moet u opmerken dat ik u niet gesmeekt of gebeden heb.
—Och, zwijg mijnheer,—riep Montbars uit.—Ziet gij dan niet, dat ik medelijden met je heb, en dat ik je vergiffenis schenk?
—Mij vergiffenis schenken!—uitte de hertog.
—Zwijg, zeg ik nog eens. Ja, ik schenk je vergiffenis omdat zij die je omringen goed en braaf zijn, en ik hen niet verantwoordelijk wil stellen voor je eerloos gedrag. Ik schenk je vergiffenis, omdat ik dit ook deed aan uwe dochter, die zich een oogenblik zwak heeft betoond. Ik schenk je vergiffenis ook omdat gij, ondanks al je pogingen, er niet in zijt geslaagd mijn zoon tot een nietswaardige te maken. Vertrek! Gij zijt vrij. Ik schenk je je losgeld zelfs kwijt. Markies, ik geef u uw vader terug.
—O! Die beleedigingen zijn te verregaande!—viel de hertog uit.—Neem je in acht, mijnheer, want nog is tusschen ons niet alles uit, en duur zal ik je die smadelijke taal betaald zetten.
Met innige verachting trok Montbars de schouders op en zei spottend en vernietigend:
—Afgeleefde grijsaard, gij kunt thans niets kwaads meer uitrichten; al je duivelsche kuiperijen zijn ontmaskerd en verijdeld; zelfs weet ik alles omtrent dat ongelukkige jonge meisje, dat gij in mijn oogen ongetwijfeld voor het kind van je dochter wildet laten doorgaan, terwijl zij niet anders is dan dat van een uwer vertrouwdste bedienden, want al hare geboortebewijzen zijn in mijn bezit! Ga, gij zijt volslagen overwonnen, want gij blijft alléén staan, beladen met de verachting van allen, die je kennen. Ik zou geen heviger marteling noch harder kastijding voor je kunnen bedenken dan deze, om je je ellendig bestaan te laten voortslepen, waaraan gij je zoo krampachtig vastknelt! Gij zult dus leven, bedenk dit wel, omdat ik het je vergun en ook omdat ik het beneden mij acht mij verder op je te wreken daar gij te zwak zijt en geen macht genoeg meer bezit om den strijd tegen mij vol te houden.
—Ellendeling! Ge zult sterven!—barstte de hertog los, en wierp zich met een dolk in de hand op Montbars, die hem dit wapen ontrukte, en het ver weg wierp, terwijl hij hem terugstootte en verachtelijk toebeet:—Vertrek, moordenaar!
—Ach!—jammerde de hertog.—Weer overwonnen, nog eens overwonnen!
—Ja!—hernam Montbars.—Weer en telkens overwonnen, omdat, ondanks al mijne gebreken en mijne fouten, God met mij is, en mij tegen je woede beveiligt.
Doch de hertog hoorde die woorden niet; overvallen door stuipachtige trekkingen, wankelde hij en stortte in de armen van zijn zoon en zijne dochter. Plotseling was zijn gelaat geheel veranderd; koud zweet druppelde langs zijne slapen, zijne oogen met bloed beloopen, rolden verwilderd in de holten en zijn gansche lichaam schokte en trilde onrustbarend.
—God!—mompelde hij met holle stem,—God! God! Altijd.… O! Ellendeling! Ellendeling!.…
Op eens vermande hij zich, ontsnapte aan de handen zijner kinderen, die hem tegen wilden houden, keek zijn vijand die onbeweeglijk en koel bleef staan, met de woede van een krankzinnige aan, naderde hem een paar stappen, hief den arm op, als om hem in het gezicht te slaan, en herhaalde met snijdende stem:
—Vervloekt!… Wees vervloekt!.…
Maar machteloos viel zijn arm langs zijne zijde neer. Een nieuwe schok, nog heviger dan de vorige deed zijn gansche lichaam trillen, en hij viel, als een eik die door den bliksem wordt getroffen, vóór de voeten van Montbars die geen enkele beweging maakte om hem te ontwijken, en hem met opgeheven hoofd en een glimlach om de lippen had afgewacht.
Men snelde naar den hertog toe om hem op te beuren, maar hij was reeds dood. Zijne trekken waren door den doodstrijd geheel vertrokken, maar de wijd geopende oogen behielden ook nog na zijn verscheiden dezelfde uitdrukking van onverzoenlijken haat, die aan het verbleekte gelaat van dezen doode een afschuwelijk en afgrijselijk voorkomen gaf.
Twee maanden na al de gebeurtenissen die wij verhaald hebben, liep de logger de Meeuw met volle zeilen de haven van Dieppe binnen; op het dek van dien logger stonden acht personen, die de kusten van het dierbare vaderland met zoete ontroering begroetten. Die acht personen waren: de heer d’Ogeron, die naar Frankrijk terugkeerde daar koning Lodewijk XIV hem terug had geroepen, Montbars, of liever de graaf de Barmont, donna Clara, Philippe, donna Juana, don Gusman de Tudela, na Cigala en Birbomono.
Philippe en donna Juana, sedert eenige weken door het huwelijk verbonden, gingen de wittebroodsweken op het oude kasteel van de graven de Barmont doorbrengen, bij Montbars en donna Clara wier hart, zoo langen tijd als verdoofd door al hun leed, weer begon te herleven en als te ontluiken, ook onder den invloed van het reine en onbewolkte geluk van de beide jongelieden.
De heer d’Ogeron bracht den jongen graaf de Barmont, don Gusman, aan het hof, om hem voor te stellen aan hem, dien men toen reeds begon te noemen den Grooten Koning.
☛ Uitgaaf van de Erven J. L. NIERSTRASZ, ’s Gravenhage.
GUSTAVE AIMARD,
Compleet in twintig deelen.
Deze goedkoopste Serie der Beroemdste meest gezochte werken van GUSTAVE AIMARD, bestaat uit:
1). De Goudkoorts.
2). Curumilla.
3). Valentin Guillois.
4). De Boekaniers.
5). De Zeeschuimers.
6). De Goudzoekers.
7). De Hacienda del Rayo.
8). Montbars, de Verdelger.
9). De Bijenjagers
10). Steenhart
11). Vasthand.
12). De Zonen v. d. Schildpad.
13 en 14). De Mexicaansche Nachten.
15). De Metgezellen van de Maan.
16). Passe-Partout.
17). De Graaf de Warrens.
18). La Cigale.
19). Hermosa.
20). De Araucaniër.
OPGELUISTERD
Met Honderd en Zestig geheel nieuwe platen in houtgravure, elk ter grootte van een geheele bladzijde.
Compres gedrukt op zwaar papier, formaat groot royal, elk deel gemiddeld een omvang hebbende van ± 250 bladz.
Prijs ƒ 1.50 per deel.
☛ Bij inteekening op de Serie van twintig dikke deelen worden SLECHTS ZEVENTIEN deelen berekend, en ontvangen de inteekenaren derhalve
🙚 DRIE DEELEN GRATIS 🙞 (deze deelen elk ±250 blz. en elk met 8 platen).
Elk deel komt hun dientengevolge op ongeveer
slechts ƒ 1.25 per deel.
☛ Uitgaaf van de Erven J. L. NIERSTRASZ, ’s-Gravenhage.
