V. LA MADRE DE DIOS.
Reading edition
Den dag na dien waarop het gesprek tusschen Montbars en Philippe, dat in het voorgaande hoofdstuk vermeld is, aan boord van het vrijbuitersschip had plaats gehad, zeilde tegen ongeveer vijf uur ’s morgens een vlugge, ranke Spaansche schooner kaap Coquibacoa om, zette koers naar den ingang van het meer Maracaïbo en hield aan op het kanaal tusschen het eiland Kijk-Uit en het Houtduifeilandje, doch niet dan na met het eerste signalen gewisseld en het saluut uit het fort van het laatste beantwoord te hebben door de zes bronzen kanonnen waarmee het bewapend was.
Voor het geoefend oog van een zeeman was het niet mogelijk zich te bedriegen over de hoedanigheid van den schooner; de stoute kromming van zijn romp, de achteroverhellende bovenmasten, zijn nieuwe zeilen, en het zoo uiterst zorgvuldig bekleedde en goed geteerde want deden dit vaartuig dadelijk herkennen als een Spaansch oorlogschip.
Vlak over het Houtduifeiland werd een licht bootje te water gebracht, waarin twee mannen plaats namen, die met kracht van riemen koers zetten naar de brigantijn, waarvan de zeilen gestreken waren in afwachting van hunne komst. Een van die twee was een loods. Onder het bereik van de stem gekomen, riep die loods de brigantijn aan en vroeg of men hem noodig had. Na het bevestigend antwoord van den kommandant lag de loods aan stuurboordzij aan, waarna men hem een eind tros toewierp om het bootje vast te sjorren; toen klom hij aan boord, zijn metgezel die in het bootje was gebleven om het aan te houden, vierde den tros en liet het vaartuigje achter den brigantijn drijven, waarvan de zeilen opnieuw waren uitgebracht, en die nu weer op de Kaap aanhield.
Eer wij verder gaan willen wij hier een paar woorden inlasschen over de streek waar de gewichtigste voorvallen uit dit verhaal zullen plaats hebben.
Tusschen kaap Gracias a Dios en Rio Orinoco strekt zich eene lange rij van kusten uit over eene zeer uitgebreide oppervlakte; de eerste ontdekkers daarvan waren don Alonzo de Ojeda, Vasco Nunez de Balboa (de ontdekker van de Stille Zuidzee), Juan de la Cosa en Amerigo Vespucci. Die lange rij van kusten werd, naar aanleiding van de onmetelijke schatten die daar aanwezig waren, door de Spanjaarden bestempeld met den naam van Het Gouden Castilië. Dat gedeelte van die gronden liggende tusschen de Magdalena en Orinoco-rivieren, is het eenige waarmeê wij ons behoeven bezig te houden.
De Spanjaarden gaven aan die golf den naam van Venezuela, omdat de zeer lage kust tegen overstroomingen slechts door duinen beschermd wordt, en ook nog omdat zij, tijdens de ontdekking, de bewoners gehuisd vonden in hutten, die op de toppen der boomen waren gevestigd, terwijl die lieden niet anders dan door middel van prauwen in verkeer met elkaar konden komen.
Die golf begint bij kaap Saint-Romain, tusschen den 9n en 10n graad noorderbreedte en eindigt bij kaap Coquibacoa, beneden den 9n graad van diezelfde breedte. De vrijbuiters gaven er den naam aan van de golf van Maracaïbo, of bij verkorting van Marecaye. Tien of twaalf mijlen in volle zee, vlak bij den ingang der golf, liggen de eilanden Aruba en los Monjes. De golf van Maracaïbo zal omstreeks tien tot twaalf mijlen breed zijn; geheel aan het achtereind liggen een paar eilandjes van een mijl in omtrek, en daar tusschen door stroomt het water uit het groote meer van Venezuela om zich in zee uit te storten. Die stroom vormt tusschen die eilandjes een kanaal van middelmatige breedte en breekt op een zandbank, die men de Baar noemt. Die hinderpaal kon niet anders ontweken worden, dan door lichte vaartuigen. Op het eerste van die twee eilandjes, waarover wij reeds gesproken hebben, Kijk-Uit, stond een wachttoren, op het andere, het Houtduifeiland, een fort. Als men dien nauwen ingang, tevens den toegang tot het meer, ten einde is, komt men in een kom of kolk, honderd en twintig kilometers breed en bijna tweehonderd en veertig lang, die de wateren van zesenzestig rivieren in zich opneemt. De geheele oostelijke oever van het meer is laag en bijna altijd overstroomd; juist aan dien kant, ongeveer tachtig mijlen van de monding van het meer, huisden de Indianen, waarvan wij melding maakten, die, als vogels hun nest, hunne hutten uit een soort van riet op wortelboomen hadden opgetrokken. De stad Maracaïbo, het doelwit van de vrijbuiters, verhief zich amphitheatersgewijze aan den oever van het meer. De elegante huizen, versierd met balkons en beeldhouwwerk, hadden het uitzicht op een kleine haven waar het bijna altijd meer dan vol was door allerlei koopvaardijschepen. De stad met haar rechte, breede straten, bevatte bijna vijfduizend inwoners, vier kloosters, verscheidene kerken en een zeer rijk begiftigd hospitaal. Het garnizoen bestond uit achthonderd uitgelezen soldaten, en was dus voor die streken vrij aanzienlijk te noemen.
Iets verder aan den anderen kant van het meer verhief zich het bekoorlijke dorp Gibraltar waar de rijke handelaars uit Maracaïbo en Merida, eene stad aan de andere helling der bergen, hunne buitenverblijven hadden. Die stad Merida, een der fraaiste en rijkste van de Nieuwe Wereld, was in die streek de zetel van het gouvernement en de verblijfplaats van den Adelantado of gouverneur-generaal.
De loods werd zeer hupsch door den kommandant van de brigantijn ontvangen, die hem dadelijk het gezag over het vaartuig afstond. De wind die tot nu toe naar de kust was geweest, begon bij het verlaten van het kanaal te draaien en daardoor werd de schooner genoodzaakt bij den wind te houden en te laveeren ten einde het voorgebergte Cabrites om te zeilen. Dit voorgebergte vormt eene vrij ver vooruitstekende kaap, die als het ware de grond is van de zandbank waardoor de ingang van het meer wordt belemmerd. Dank zij de uitstekende vaart van den schooner en de gemakkelijkheid waarmee hij tegen den wind opwerkte, koste het niet veel moeite om met het schip de kaap om te zeilen.
—Vive Dios!—riep de loods die naar aanleiding daarvan dien uitroep niet kon weerhouden,—Kommandant, wat hebt gij een uitstekend schip! Ik kende het nog niet. Het is zeker de eerste keer dat het zich in deze streek vertoont, niet waar?
—Ja, het is werkelijk voor den eersten keer,—bevestigde de kommandant.—Maar bovendien, het is gebouwd op een der werven van Corunna, en die hebben, zooals ge weet, overal een goeden naam.
—Ja, ja, men mag zeggen wat men wil, maar de Spaansche marine is de beste van de geheele wereld, en er is geen land waar zulke knappe scheepsbouwmeesters gevonden worden,—luidde de blufferige uitspraak van den loods.—Hebt gij geen enkele haven aangedaan eer gij hier kwaamt?
—Zeker, zeker! Ik ben te Santo Domingo binnen geloopen en heb mij dáár een paar weken opgehouden.
—Zoo! En is de overtocht voorspoedig geweest?
—Bij uitnemendheid! Uitgezonderd dat wij bij het passeeren der eilanden onder den wind een paar verdachte schepen in het zicht kregen, die wij echter zonder veel moeite achter ons konden laten, hebben wij niet den minsten tegenspoed gehad.
—Neen, dat wist ik niet! Hoe is dat gekomen?
—Daar weet niemand het ware van. Die gevleeschde duivels zijn op het eiland doorgedrongen, hoe dit weet geen sterveling, en hebben het garnizoen overrompeld en krijgsgevangen gemaakt, eer dit eigenlijk goed wist wat er gaande was en met welke vijanden het te doen had.
—Hum! Dat is een treurig geval.
—Zeer treurig, zeker! De Onder-Koning van Nieuw-Spanje is dan ook woedend, en heeft er een eed op gedaan, dat hij die herhaalde schandalige zeeschuimerij duur aan de ladrones zal betaald zetten. Naar het schijnt heeft hij reeds maatregelen genomen om aan die bedreiging gevolg te geven en is eene zeer sterke vloot uit Vera-Cruz vertrokken.
—God geve dat het hem gelukke moge aan die halve duivels een verdiende kastijding toe te dienen!
—Amen! En nu kommandant zullen wij met uw goedvinden, vol voor den wind afhouden om tusschen het eiland Borica en het vaste land te passeeren, dan langs de stad zeilen en voor den wind de haven binnen loopen waar gij een veilige ligplaats zult vinden.
—Er liggen zeker veel schepen te Maracaïbo?
—Neen, daarvoor is het nu de tijd niet; er zijn er maar heel weinig, zeker niet meer dan zeven of acht kustvaarders. Maar over een maand dan komen ze weer uit Europa opzetten en zal de haven er heel anders uitzien dan nu.
De manoeuvre werd met de meeste stiptheid uitgevoerd; de brigantijn hield vóór den wind af, passeerde tusschen Borica en het vaste land, zeilde ongeveer een half uur langs de stad bijna rakelings aan het strand, en liep toen, even als door den loods gezegd was, met volle zeilen de haven binnen, waar men ten anker ging genoegzaam vlak aan den rand van den nauwen ingang, kort vóór de koopvaardijschepen, en het schip vastmeerde aan een dood lichaam dat bestemd was voor de oorlogsschepen. De loods ontving zijn loon, en op de brigantijn werden de zeilen gestreken en geborgen met de eigenaardige vlugheid en regelmatigheid welke aan oorlogsschepen eigen zijn; daarna werden door de bemanning, onder leiding van den bootsman, de booten te water gebracht. De kommandant liep op den achtersteven aan stuurboordzijde op en neer, druk pratende met een reeds eenigszins op jaren gekomen persoon, een passagier naar het scheen, toen een der scheepsjongens hoogst onderdanig bij den officier van de wacht kwam om hem kennis te geven, dat een boot, waarin zich verscheidene personen bevonden, de haven had verlaten en met kracht van riemen op den schooner scheen aan te houden. De officier ging daarvan dadelijk rapport maken bij den kommandant, die oogenblikkelijk stil bleef staan, een paar minuten de boot zeer nauwkeurig opnam, en zich toen over den schouder van den officier van de wacht heenboog om dezen iets in het oor te fluisteren; daarna gaf hij een wenk aan den passagier met wien hij in gesprek was geweest, hem te volgen, en beiden daalden daarop af naar de kajuit. Een paar andere personen waren in de kajuit aanwezig en hielden zich onledig met dunne cigaretten te rooken, nu en dan een teugje oranjewater nemend uit kelken van Boheemsch glas.
—Wel?—vroeg in het Fransch een van hen aan den kommandant, zoodra deze in de deur van de kajuit verscheen.
—Wel!—herhaalde de kommandant, en wreef zich daarbij zeer vergenoegd de handen.—Tot nu toe gaat alles zeer naar wensch; de loods houdt ons voor niet anders dan echte gavachos: la Madre de Dios doet wonderen; zij heeft op en top het voorkomen van een eerzamen Spaanschen schooner, de loods is zeer in zijn schik over ons vertrokken, en verheft ons waarschijnlijk op dit oogenblik tot in de wolken in alle mogelijke kroegen van de stad.
—Wel drommels, Pierre Legrand,—werd daarop geantwoord door den eersten spreker, die niemand anders was dan Philippe,—eere wien eere toekomt! Jij hebt ruimschoots bijgedragen aan dit goede succes. Ge speelt je rol uitmuntend, en op mijn woord men zou je kunnen houden voor een echten señor.
—Ba!—hernam Pierre Legrand lachende.—Dat beduidt waarachtig toch zooveel niet, ik ben immers een Bayonner? Maar nu opgepast, broeders, er is een boot in het zicht, daarmee komen zeker de eerste autoriteiten van de stad. Nu komt het er op aan een oog in het zeil te houden en op te passen dat wij ons niet verspreken.
—Kom, kom!—antwoordde Philippe lachende.—Heb daarover geen zorg! Wij zullen je voorbeeld volgen en hopen te toonen dat wij niet voor je onderdoen. Wie is de officier die je met de ontvangst van onze bezoekers hebt belast?
—Michel de Baskiër.
—Uitmuntend, dit kan niet beter, want hij is voor het minst even goed Castiliaan als jij.
Het zoogenaamd Spaansche oorlogschip was werkelijk de brigantijn van Philippe.
Met de vermetele stoutmoedigheid hun eigen, hadden de flibustiers niet geaarzeld dit roekelooze waagstuk te ondernemen, vast verzekerd dat zij, zoo het mocht gelukken, veel gemakkelijker en veel spoediger al de inlichtingen zouden verkrijgen, die volstrekt noodig waren voor den zoo gevaarvollen aanslag, dien zij wilden ondernemen, en even vast besloten, om ingeval van mislukking en ontdekking, zich eer met hun schip in de lucht te laten vliegen dan zich aan de Spanjaarden over te geven. Overigens moeten wij erkennen dat al de voorzorgen, door de voorzichtigheid geëischt, met de meeste zorgvuldigheid waren in acht genomen.
De schooner, een Spaansch schip door Pierre Legrand en Philippe eenigen tijd vroeger prijs gemaakt, had men ontdaan van alle eigenaardigheden van een vrijbuitersschip, om het daarentegen weer geheel en al het voorkomen te geven van een Spaansch oorlogsschip, tot zelfs den vroegeren naam van la Madre de Dios, die in plaats gekomen was van la Coquette, zooals Philippe het schip had herdoopt; het want was met zorg nagezien en opnieuw geteerd, nieuwe zeilen waren aangeslagen, het dek geschuurd en geschrobt, het koper opgepoetst, en de bemanning gestoken in de kleedij van matrozen der Spaansche marine, in één woord nooit was zulk een dwaze expeditie met meer beleid op het getouw gezet en aangevangen.
Onbezorgd over zoovele gevaren die hun boven het hoofd hingen, lachten die duivelsche vrijbuiters als halve dwazen bij de gedachte aan den mooien streek dien zij hunne onverzoenlijke vijanden van zins waren te spelen; zulk een kwajongensstreek, die echter geduchte gevolgen kon hebben, lag geheel in hun aard en kwam overeen met hun karakter en hunne gewoonten, zoodat zij zich daarover om het zoo eens uit te drukken verkneuterden. Ieder beijverde zich dus ten zeerste om goed de rol te vervullen die hem in deze comedie was toebedeeld, eene comedie echter die ieder oogenblik door een of ander toeval, met geen mogelijkheid te voorzien, kon veranderen in een vreeselijk treurspel, een tooneel van moord en slachting, in een bloedbad. Maar dit was geen bezwaar waardoor de flibustiers zich lieten terughouden, zij dachten er slechts aan hoe zij zich het meest ten koste der Spanjaarden zouden amuseeren, en over de beste manier waarop zij daarin zouden slagen.
Inmiddels was de boot, snel voortgestuwd door krachtige riemslagen, dicht bij de brigantijn gekomen, en kort daarna lag zij bij de valreep aan stuurboord.
Michel de Baskiër had reeds spoedig bemerkt dat in de achtersteven van de boot iemand zat in de uniform van hoofdofficier; hij plaatste dus verscheidene matrozen bij de staatsietrap en toen de Spaansche officier die beklom werd hem, op het fluitje van den bootsman, de eer bewezen verschuldigd aan zijn rang. Zoodra die officier, die niemand anders was dan don Fernando d’Avila, de vroegere gouverneur van Tortue, den voet op het dek zette bevond hij zich tegenover Michel de Baskiër. De beide personages groetten elkaar zeer ceremonieel.
—Met wien heb ik de eer te spreken, caballero?—vroeg Michel beleefd.
—Señor oficial—(officier) werd door Fernando niet minder beleefd ten antwoord gegeven,—ik ben don Fernando d’Avila, namens Zijne Majesteit, Gouverneur van de stad Maracaïbo.
—Wees welkom aan boord van dit schip señor Gouverneur,—zóó luidde de begroeting van Michel, vergezeld van een eerbiedig gebaar.
—Señor,—hernam don Fernando,—bij de nadering van dit schip meende ik het te herkennen als Zijner Majesteits schooner la Madre de Dios, die te Santo-Domingo binnenliep op denzelfden dag dat ik die stad verliet om mij voor Zijne Majesteit naar hier te begeven.
—Gij hebt u daarin niet vergist, caballero, dit schip is werkelijk la Madre de Dios.
—Dat werd ook bevestigd door den loods die het in de haven heeft gebracht, en bij wien ik informatie liet inwinnen. Ik heb mij toen gehaast naar hier te komen, daar, zoo ik mij niet bedrieg, zich bij u aan boord moet bevinden señor don Pacheco, Conde de l’Atalaya, en ik gaarne de eerste wilde zijn hem bij zijne komst in deze streken te begroeten.
—Wij hebben de eer, caballero, om onder onze passagiers ook te tellen den graaf de l’Atalaya, die zich heeft verwaardigd te Santo-Domingo zich bij ons in te schepen.
—Ja, ik had ook reeds vernomen dat de graaf gebruik zou maken van uw schip bij zijn overtocht naar hier. Ik verzoek u thans, señor, zoo goed te willen zijn mij voor te stellen aan Zijne Excellentie.
—Señor, dáár is onze kommandant,—zei Michel, buigende voor Pierre Legrand die juist op dit oogenblik op het dek kwam,—die zelf de eer zal hebben u aan den señor Conde voor te stellen.
Don Fernando d’Avila trad naar Pierre Legrand toe, met wien hij eenige plichtplegingen wisselde, en tegelijkertijd dezelfde vraag deed die hij reeds aan Michel de Baskiër had gedaan.
—Gouverneur,—gaf Pierre Legrand ten antwoord,—Zijne Excellentie stond juist gereed om aan wal te gaan, doch zal zich, daaraan twijfel ik niet, gelukkig achten u hier te ontmoeten, en het zeer op prijs stellen dat door u zooveel haast is gemaakt, om aan boord te komen. Heb de goedheid mij te volgen.
Daarop ging hij vooruit om den gouverneur den weg te wijzen, en steeg met hem de trap af naar de kajuit, waar zich thans niemand bevond. Pierre Legrand bood den gouverneur een zetel aan, en sloeg toen op een timber (klok zonder klepel) waarop een kajuitsjongen verscheen.
—Ga Zijne Excellentie graaf de l’Atalaya verwittigen dat de señor gouverneur van Maracaïbo hier de bevelen van Zijne Excellentie afwacht,—gelastte Pierre Legrand.
De kajuitsjongen boog en vertrok; een oogenblik later kwam hij terug en kondigde aan:—Señor don Pacheco, Conde de l’Atalaya.
Montbars trad binnen, en don Fernando stond haastig op om hem te begroeten. Montbars beantwoordde dien groet met waardigheid en zei daarop:—Naar ik meen zijt gij kapitein don Fernando d’Avila. Ik heb reeds meermalen en zeer gunstig over u hooren spreken. Het is mij aangenaam, señor, met u in kennis te komen.
—Uwe Excellentie maakt mij verlegen,—antwoordde de gouverneur opnieuw buigende.—Ik verdien waarlijk niet …
—Houd het mij ten goede, señor,—viel Montbars haastig in.—Gij zijt een goed en loyaal dienaar van Zijne Majesteit, en als zoodanig hebt gij recht op al mijne achting. Laat mij u bovendien bedanken voor de moeite die gij u hebt willen geven u zoo spoedig aan mij voor te stellen. Ook ik had mij reeds voorgesteld een bezoek aan u te brengen.
—Dat behoorde toch het eerst door mij te worden gedaan, Excellentie, en tevens acht ik het mijn plicht mij te uwer beschikking te stellen; daarbij heb ik de eer u mede te deelen dat ik last heb gegeven om voor Uwe Excellentie en gevolg in het paleis, dat ik bewoon, vertrekken in gereedheid te brengen.
—Dat is iets waaraan geen gevolg moet worden gegeven, waarde heer, want hoewel ik u zeer dankbaar blijf voor dit zoo hoffelijke aanbod, kan ik toch niet anders dan het bepaald afslaan, daar ik op geenerlei wijze u den minsten overlast wil veroorzaken. Buitendien moet ik u, onder ons, in vertrouwen doen opmerken, dat het voor mij, om behoorlijk de zending te vervullen die mij is opgedragen, hoog noodig is, dat ik den ganschen dag vrij over mijn tijd kan beschikken. Gij zult mij wel begrijpen, niet waar?
—Excellentie …
—Laat ons dit beschouwen als bepaald afgesproken. Gij keert nu naar wal terug, en zult mij zeer verplichten door voor mij een zeer gewone bescheiden woning te huren, het doet er niet toe waar.
—Maar toch …
—Genoeg daarover,—voegde Montbars hem toe en tikte hem even op den arm.—Er bestaan voor mij overwegende redenen om op die manier te handelen. Later zal ik u die wel eens mededeelen.
—Als het zoo door uw Excellentie geëischt wordt, blijft mij niet anders over dan te gehoorzamen.
—Ik zeg u dank voor uwe bereidwilligheid. Wees er verzekerd van mijnheer de Gouverneur, dat ik hoogst gevoelig ben voor uwe beleefdheid.
—Dan zal ik nu afscheid nemen van uwe Excellentie, om ten spoedigste aan uw verlangen te voldoen.
—Doe zoo, en ik verzoek u het mij dadelijk te doen weten zoodra door u eene geschikte woning is gevonden.
—Excellentie, ik wil aan niemand de eer afstaan u in uwe nieuwe woning te installeeren, en zoo dit mij door u wordt toegestaan, zal ik zelf u daarheen geleiden.
—Zeer gaarne.
De twee heeren wisselden toen nog de gewone beleefdheden en daarop verliet don Fernando het schip, opgetogen door de zoo welwillende ontvangst die hem ten deel was gevallen van iemand zoo hoog in rang als graaf de l’Atalaya.