← Table of contents
De goudzoekers

XXI. MARACAÏBO.

Reading edition

Door de bemachtiging van het Houtduifeiland lag de weg naar Maracaïbo voor de vrijbuiters open; door één en denzelfden slag waren zij meester geworden van het meer en in staat om met alle kans op goeden uitslag de overige steden langs de kust aan te vallen. Het succes van de expeditie kon dus genoegzaam zeker worden geacht; echter bleef de zee nog open. Het zou dus mogelijk zijn dat de Spanjaarden van daar met aanzienlijke macht opdaagden, den ingang van het meer versperden, zich krachtdadig nestelden op het Houtduifeiland, den terugtocht van de vrijbuiters afsloten, en hen zoo doende als in een muizenval opgesloten hielden. Zooveel doenlijk moest tegen eene dergelijke gebeurlijkheid gewaakt worden.

Montbars riep een krijgsraad bijeen waaraan hij kort en zakelijk den toestand uiteenzette. Nog half bedwelmd door de behaalde overwinning lieten de Broeders der Kust hem vrij om naar eigen inzicht de maatregelen te nemen die hij in het belang van aller veiligheid noodzakelijk achtte. De beroemde flibustier sterk door het in hem gestelde vertrouwen en geleid door den omzichtigheid en misschien ook wel gedreven door zekere geheime plannen die reeds lang bij hem bestonden en welker verwezenlijking hem ongetwijfeld meer ter harte gingen dan de schatten waarop zijn kameraden uitsluitend het oog hadden gericht, toonde zich onder deze omstandigheden wederom geheel berekend voor de taak die hem werd toevertrouwd. Vreezende dat door te groote overhaasting de gunstige kansen van de expeditie gevaar liepen in de waagschaal te worden gesteld, hield Montbars zich dus in de eerste plaats bezig te zorgen voor een veiligen aftocht ingeval men daartoe werd genoodzaakt. Eer dus tot eenige verdere operatie over te gaan, liet hij met man en macht de versterkingen op het Houtduifeiland vernielen, en het fort met den grond gelijk maken, terwijl de kanonnen daarvan werden vernageld, daar men tijd noch middelen had ze mede te voeren. Hoe grooten spoed ook met die werkzaamheden werd gemaakt, toch vereischten die heel wat tijd; zoodat eerst drie dagen na de inname van het fort de vloot gereed was om op Maracaïbo aan te houden. Groot was de verbazing der vrijbuiters toen zij, na in de haven voor anker te zijn gekomen, gewaar werden dat de stad totaal verlaten was.

Montbars en zijne kameraden begaven zich dadelijk aan wal, en bezochten de aanzienlijkste huizen; doch de Admiraal vermoedde een krijgslist, en zette dus posten uit op de Plaza Mayor, in de Kathedraal, en zelfs op de straten die naar het vrije veld voerden. Zoodra die onvermijdelijke voorzorgsmaatregelen genomen waren, werd overgegaan tot eene geregelde plundering en aan de vrijbuiters volle vrijheid verleend bot te vieren aan hunne opgewondene vroolijkheid, wat natuurlijk gepaard ging met allerlei losbandigheid.

De admiraal vestigde zich in het huis dat hij bij zijn vroeger verblijf had bewoond; een van de vertrekken werd ingericht tot uitsluitend gebruik voor donna Clara. Sedert de vrijbuiters zich van Maracaïbo hadden meester gemaakt, had donna Clara zich gewijd aan de verpleging der gewonden; door hare goede zorgen was de cabildo herschapen in een hospitaal; de bij de bemachtiging van het Houtduifeiland gewonden waren dáár ingebracht, en dank zij hare uitnemende verzorging waren verscheidene hunner reeds op weg van herstel. Donna Clara liet zich bij die heilige roeping helpen door eenige arme vrouwen, die na het vertrek van de inwoners in de stad waren gebleven, en zich nu op deze manier tamelijk veilig konden achten, ook door toedoen van donna Clara. Het grootste gedeelte van den dag en meermalen ook van den nacht bleef die edele vrouw in het hospitaal te midden der zieken en gewonden, die zij troostte en bemoedigde met zachte toespraak en innemende woorden, die alleen de vrouw ten dienste staan, omdat die bij haar als uit het hart wellen.

In den eersten tijd werd donna Clara bijna door iederen flibustier met leede oogen aangezien; zij konden het niet verkroppen dat zij, en zij alléén op de vloot aanwezig mocht zijn, haar aanwezigheid werd slechts geduld, maar van lieverlede was hunne opinie over haar gewijzigd geworden, en, zooals dit gewoonlijk het geval is bij menschen met een hevig karakter, nu waren zij plotseling van het eene uiterste tot het andere vervallen; de haat en de nijd jegens hunne weldoenster hadden plaats gemaakt voor oprechte toegenegenheid, grooten eerbied en eene onbegrensde toewijding; de wilde dieren waren veranderd in zachtmoedige lammeren; één wenk, één enkele blik van donna Clara deed wonderen. Diezelfde mannen vereerden haar nu als een heilige, en wee hem die het durfde wagen (niet om haar te beleedigen, want zulk een voornemen kon niemand hunner in de gedachte komen) tegen haar de minste lompheid te begaan.

Zelfs Montbars kwam meer en meer onder den invloed die haar meegaand, zacht, edel gemoed op zijn weerbarstig karakter oefende, en verre van zich te verzetten tegen de algemeene vereering volgde hij en plooide zich met geheim genoegen naar de bekoring die zij om zich verspreidde.

Doch in één opzicht bleef hij onverzettelijk en ontoegankelijk; noch tranen noch smeekingen vermochten iets daartegen; het was als donna Clara eene poging deed uit de diepste diepte van zijn gemoed iets op te delven omtrent zijne wraakzuchtige plannen; alleen dan bleef hij onverbiddelijk, want ieder ander verzoek werd dadelijk toegestaan, een glimlach was daartoe reeds voldoende, en dikwerf voorkwam hij de begeerten van donna Clara, door uit eigen beweging de strengheid te verzachten die jegens de rampzalige Spaansche gevangenen werd uitgeoefend.

Wat de verhouding van Francoeur tot de vrijbuiters betrof, die mocht in waarheid vreemd genoemd worden; zijne gansche opleiding had gestrekt om hem met haat tegen hen te bezielen en ondanks al zijne pogingen kon hij er niet in slagen hen te beschouwen als zijne kameraden, terwijl toch meermalen bij hem de vraag oprees of hij tot de wraak, die hij thans op de Spanjaarden wilde uitoefenen, wel gerechtigd was, en of het billijk mocht genoemd worden al zijne landgenooten aansprakelijk te stellen voor al het onrecht dat één hunner jegens hem had bedreven.

Montbars sloeg al die verschillende gemoedsbewegingen van den jongen man, die op diens gelaat zich duidelijk afspiegelden, oplettend gade; maar hij bleef zwijgen, hij moedigde hem evenmin in het eene opzicht aan, als hij in het andere iets afkeurde, ook omdat hij voor zich zelf niet eens wist welk gevoel hem voor Francoeur bezielde, en onzeker bleef, ondanks al de vermoedens van don Sancho en donna Clara, of hij in hem den lang verloren zoon had weergevonden; vandaar dan ook dat hij hoewel schijnbaar onverschillig met zenuwachtigen angst de gebeurtenissen tegemoet zag die wellicht eenmaal de waarheid aan het licht zouden brengen van eene zaak die voor hem van zooveel gewicht was. Één man was slechts bekend met het geheim waarvan voor de toekomst het geluk of het ongeluk van Montbars afhing, en die man was de hertog de Penaflor. Doch bestond er een middel om dien onverbiddelijken man te noodzaken dat geheim op te helderen? Toch wanhoopte hij niet; hij verbeidde den uitslag van zekere berekeningen, die, naar hij meende, niet anders dan gunstig konden uitvallen.

Maar van al de vrijbuiters gevoelde Philippe d’Ogeron zich ontegenzeglijk het ongelukkigste. Terwijl al zijne kameraden vol vreugd over den behaalden triomf, al de doorgestane moeiten en gevaren vergaten, en bot vierden aan hun lust tot brasserij en balddadigheden, scheen hij als aan wanhoop ten prooi.

De expeditie, zoo uitstekend uitgerust, zoo beleidvol bestuurd, was een plan alléén van hem afkomstig; dat gewaagde stoutmoedige plan, waarvoor in het begin zelfs de dapperste zijner kameraden terug hadden gedeinsd, was in zijn brein opgekomen, met één enkel doel; aan dat doel, de vereeniging met haar die hij beminde, had hij alles opgeofferd, en dat zoo vurig en reeds zoo lang begeerde doel, die met zooveel hartstocht gekoesterde hoop, ontsnapte hem, juist op het oogenblik dat hij meende het bereikt te hebben. Zoodra zijn schip binnen het gezicht van de stad was gekomen, had hij, volgens afspraak, de bepaalde vlag geheschen en met kloppend hart getuurd naar al de vensters der huizen die op de haven uitkwamen, doch te vergeefs; geen enkel sein had het zijne beantwoord, alles bleef dáár stil, doodsch en somber. Nauwelijks aan wal, was hij, half ziek door smart en vrees, geijld naar het huis van donna Juana, maar dat huis was verlaten, donna Juana was verdwenen en geen spoor te ontdekken van de plaats waarheen zij zich mocht begeven hebben.

Toen had hij met het geduld en het onwrikbaar vertrouwen van een echt verliefd jong mensch de gansche stad doorkruist en afgeloopen, was alle huizen binnengedrongen, had alle deuren geopend, en kon ondanks die vergeefsche pogingen zijn ongeluk niet als waarheid aannemen, ieder oogenblik niet anders verwachtende dan dat zij die hij liefhad plotseling vóór hem zou staan, hoewel hij zeer goed wist, dat de stad door al de inwoners was verlaten, en hij had moeten begrijpen dat donna Juana bij zoo een algemeene vlucht niet achter zou gebleven zijn. Toen hij eindelijk tot de overtuiging gekomen was van de werkelijkheid, toen er voor hem geen twijfel meer overbleef dat ook de innig geliefde de stad had verlaten, sloot hij zich uren achtereen in een kamer op en toonde zich zoo, als volslagen, vernietigd, dat zelfs de ridder de Grammont, hoewel zijn medeminnaar, medelijden gevoelde bij de uiting van zulk een diepe smart, en beproefde, hoewel te vergeefs, hem eenigermate te vertroosten of af te leiden.

Eindelijk verdween die inzinking om plaats te maken voor een aanval van even overdreven verbittering. Half woedend liep hij naar Montbars om hem te betuigen dat het verlaten van de stad door de Spanjaarden niet anders kon zijn dan een krijgslist waarom hij zich aanbood met eenige manschappen de omliggende bosschen te gaan doorzoeken.

—Best mijn vriend, doe zoo,—zei Montbars met een veelbeteekenenden glimlach;—die raad is goed, te meer daar die door jou gegeven wordt. Doe het dus zoodra ge dit goedvindt, al ware het van daag, en als onder de lieden, die gij zeker vinden zult, misschien ook vrouwen mochten zijn in wie ge belang stelt, dan zal ik het zóó weten te schikken dat die vrouwen aan jou worden toebedeeld, en aan geen ander.

—Daarvoor zeg ik je dank, en reken op uwe belofte die ik je te gelegener tijd en plaats zal herinneren.

—Vriendlief, dat zal geheel onnoodig wezen. Ga nu.

Philippe liet zich dit niet ten tweeden male zeggen, want hij verlangde te zeer er naar om met die menschenjacht te beginnen. Hij bracht een zestigtal vrijbuiters bij elkaar en vertrok met hen naar de bosschen. Den eigen avond kwam hij te Maracaïbo terug en bracht tachtig gevangenen mee, meer dan vijftig muildieren beladen met buit en buitendien nog een som gelds ter waarde van meer dan vijftig duizend gulden.

—Bravo!—uitte Montbars, nadat hem rapport was gedaan over dezen tocht.—Dat is een mooi begin. Die proef moet herhaald worden!

— Morgen,—luidde het antwoord.

Werkelijk vertrok hij den anderen morgen weer. De andere vrijbuiters kregen ook wel zin met hem mee te gaan, te eer daar de plundering van de huizen en kerken vrij wat minder had opgeleverd dan men had verwacht, iets wat zeer gemakkelijk is te begrijpen, daar de inwoners tijd te over hadden gehad om hun geld en hunne kostbaarheden in veiligheid te brengen, en daarvan behoorlijk gebruik hadden gemaakt. Die jacht hield eenige dagen achtereen aan, nu eens met wat meer dan weder met minder goed gevolg, doch toch altijd voldoende in zooverre het betreft het behalen van buit; de vrijbuiters waren dus zeer in hun schik; doch Philippe werd hoe langer hoe mistroostiger; al zijne metgezellen begrepen niets van zulk eene vreemde houding, en er waren er onder hen die niet anders meenden dan dat hij op het punt stond van gek te worden. Op zekeren avond nadat hij aan Montbars had medegedeeld, met een gelaat somberder dan ooit, dat hij honderd muildieren had meegebracht beladen met buit en goud ter waarde van meer dan honderd duizend gulden, zei de bevelhebber tegen hem:

—Beste vriend, ge hebt er niet goed slag van dat zaakje aan te pakken, zooals het behoort; ik zal er mij eens mee bemoeien. Hebt gij gevangenen gemaakt?

—Ruim honderd,—werd zuchtend ten antwoord gegeven.

—Goed, en wat voor soort van lieden?

—Ik heb er niet op gelet.

—Dat is verkeerd, kom mee, dan zullen wij ze gaan opnemen.

—Waartoe zou dat dienen?

—Dat zult ge zien. Wat drommel, kom dan toch mee! Waar zijn zij opgesloten?

—Ik geloof in de kerk van San Francisco.

—Goed, ga mee.

Zij gingen er heen, onderweg hield Montbars eenige vrijbuiters aan, die niets te doen hadden, en nog nuchter genoeg waren om hem te vergezellen. Het was zoo, de gevangenen waren opgesloten, allen door elkaar, in de kerk van San Francisco, op één na de grootste van de stad, en de deuren werden bewaakt door op post gezette vrijbuiters, die bezig waren met drinken en dobbelen. Montbars liet de deur voor zich openen en trad de kerk binnen gevolgd door Philippe en zijn geleide. Het inwendige van de kerk bood een hartroerend schouwspel aan. Er stonden zeer verward opeengehoopt twee- tot driehonderd ongelukkigen, mannen, vrouwen en kinderen; sommigen zwaar gewond lagen kermend op de zerken en iedereen klaagde jammerlijk, want zij kenden de barbaarschheid der vrijbuiters en wisten dat de eenige weldaad die zij van hen te wachten hadden bestond in een spoedigen dood, bevrijd van ondenkbare martelingen.

Montbars overzag met koelen blik de gansche menigte die bevangen werd door siddering bij het zien van dien man met zulk een somber en onverbiddelijk gelaat, die zich scheen te verheugen over al hun leed.

—Pitrians,—zei Montbars,—ge hebt nog al een fijnen neus, en dus, kerel, moest ge eens van die caballeros er een stuk of wat uitzoeken die ge meent dat het beste in staat zouden zijn om een flink losgeld te betalen. Breng die dan vóór mij.

Pitrians trad vooruit, drong ruw tot in het midden van den troep door en begon met cynische onverschilligheid hen op te nemen, nu en dan een der gevangenen naar voren stootende, om daarna zijn onderzoek onder het fluiten van een vroolijk deuntje te vervolgen, en daarbij de gevangenen als het ware voor den gek houdende. Eenige minuten later had hij een vijftiental uitgekozen, en hen genoodzaakt vlak vóór Montbars op een rij te gaan staan, dat door allen bevende werd gedaan.

—Goed zoo, mijn jongen,—zei Montbars daarna,—voor het oogenblik zijn er genoeg. Luister nu eens hier.—Pitrians naderde.—Houd je gereed,—vervolgde Montbars en gaf hem een onheilspellenden wenk.

—O, zoo!—uitte Pitrians.—Naar het schijnt moet er een pretje volgen.

—Meer of minder, dat hangt van jou af.

—Goed, goed, laat dat maar aan mij over.

De gevangenen bevroedden niet waarom zij van hunne metgezellen waren afgezonderd en evenmin wat men van plan was met hen uit te voeren, doch een geheim voorgevoel overviel hen dat zij bedreigd werden door een vreeselijk gevaar en allen trilden, als bladeren die door een stormwind worden heen en weer geschud. Montbars trad een paar passen vooruit, en voegde hen met forsche stem toe:

—Hei caballeros, laat ons eens een paar woorden met elkaar praten. Gij lieden dáár, zijt allen notabelen van de stad, hoe zijt gij er toe gekomen om even als vossen en konijnen in een hol te kruipen, in plaats van stilletjes in uwe huizen te blijven, dat zeker voor iedereen veel beter zou geweest zijn? Het heeft er veel van af of gij allen stapel gek zijt geworden! Gelooft gij dan waarachtig dat het ons aan middelen ontbreekt om te weten te komen waar uwe stadgenooten zich verborgen houden en waar zij hunne schatten hebben verstopt? Wat hebt gij met uw geld gedaan? Geeft daarop antwoord.

Vol angst keken de gevangenen elkaar aan, eindelijk besloot een hunner uit aller naam te spreken, en zei:

—Machtige heer, onze bezittingen zijn in uwe handen, gij hebt u meester gemaakt van al onze have en goed.

—Ge liegt, señor, doch ik weet wel hoe ik je tot bekentenis zal brengen. Pitrians, nu is het jou beurt.

Pitrians kwam nader, en had in zijn hand een eindje touw zoo dik als een pink; hij wikkelde dit tweemaal om het hoofd van den gevangene die het woord had gevoerd even boven diens slapen, lei er een lossen knoop in en zag toen naar Montbars.

—Zijt ge van plan,—hernam Montbars,—om antwoord te geven op deze twee vragen. Waar zijn uwe stadgenooten? Waar is uw geld?

—Ik weet het niet,—stotterde de gevangene.

—Ga je gang, Pitrians.

Pitrians trok een pistool uit zijn gordel, stak de loop in den knoop, en begon toen het wapen om te draaien tot het touw zóó vast om den schedel werd gekneld dat het letterlijk in het vleesch drong. De gevangene leed onuitstaanbare pijn; het was of zijne oogen uit de holten zouden springen, zijn gelaat werd paarsch, bloedig schuim vertoonde zich in de hoeken van zijn mond, en hij schreeuwde erbarmelijk.

—Geef antwoord,—gelastte Montbars barsch.

De gevangene spande al zijne krachten in, zijne oogen stonden verwilderd en waren met bloed beloopen, en hij stamelde met heesche stem.—Ik weet het niet. Heere God, wees mij genadig.

—Haal nog wat vaster aan, Pitrians,—gelastte Montbars, en trok de schouders op.

—Hoe dwaas toch van zoo’n mensch om zich zóó te laten pijnigen!—merkte Pitrians zeer leuk op terwijl hij het touw nog vaster aanhaalde.

—Ik weet het niet. Doodt mij, ellendelingen,—brulde de gevangene, langs wiens gelaat het bloed vloeide, want het touw was door de huid heen gekneld.

—Blijf zoo verstokt niet, arme duivel, dat is eene malle gewoonte; het is maar een kuur,—vermaande Pitrians die steeds bleef draaien. Hoezeer de ongelukkige zich vast had voorgenomen alle smart standvastig te verdragen, toch werd die gruwelijke foltering hem te zwaar en hij gaf te kennen dat hij zou antwoorden. Montbars wenkte en Pitrians knoopte het touw los.

—Stomme kerel,—mopperde hij,—wat hebt ge er nu aan zóó gehavend te zijn?

Het koord was zoo vast in het vleesch gegroefd dat Pitrians het met zijn hand los moest rukken. Het gelaat van den gemartelde was zoo verwrongen dat het niet menschelijk meer kon genoemd worden.

—Vertel me wat ge weet,—grijnsde Montbars,—nu je eindelijk lust tot praten schijnt te hebben gekregen.

—Wat moet gij weten?—stamelde de arme man, die half bewusteloos op de zerken viel, maar de waardige Pitrians was vlug bij de hand, gooide hem een puts water over het gezicht en zei:

—Die arme tobberd, het is te kras voor hem geweest! Wat een verwijfd kereltje!

Bijgekomen en iets minder pijn gevoelende door dit ruwe maar toch niet ongepaste middel kon de gevangene zich ten minste eenigszins opheffen.

—Wat is er geworden van den gouverneur en zijne pupil?—werd door Montbars steeds even norsch gevraagd.

—Zij zijn uitgeweken naar Gibraltar.

—Zoo! Weet je dat zeker?

—Ja.

—En de inwoners?

—De meesten zijn diep de bosschen ingetrokken met de soldaten van het garnizoen. Ga hen dáár maar volgen dan zullen zij het je duur betaald zetten.

—Zijn zij zoo vast besloten te vechten?

—Zij zullen volhouden tot aan den laatsten man.

—Dat is een blijde tijding,—verklaarde Montbars en wreef zich genoeglijk in de handen,—want als die lieden zooveel lust hebben tot vechten, dan moeten zij ook heel wat te verdedigen hebben. Waar zijn hunne schatten verborgen?

—Te Gibraltar, te Merida en in de bosschen.

—Zie zoo! Nu heb je ten minste iets bepaalds verteld. Vaarwel!

—Wees vervloekt!—gilde de ander en zonk weer ineen.

—Wat moet er met dat arme schepsel worden uitgevoerd?—vroeg Pitrians meewarig.

—Ba!—uitte Montbars.—Doe wat ge wilt. De kerel deugt nergens meer toe.

Toen keerde hij zich om, glimlachte tegen Philippe en vroeg: Nu weet ge wat ge weten wildet, niet waar?

—Ten naastenbij,—luidde het antwoord.

—En wat dan nog meer?

—Van u vernemen wie je gezegd heeft dat ik Juana liefheb?

—Dwaze jongen! Kan ik dit dan niet geraden hebben?

Op het plein gekomen hoorden zij in de kerk een pistoolschot en haastig keken zij om. Pitrians had den Spaanschen gevangene een kogel door den kop gejaagd, om den rampzalige van zijn onuitstaanbare pijnen te verlossen, en dit strekt ten bewijze dat Pitrians teer van gemoed was en zijn medemensch een medelijdend hart toedroeg.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings