XIX. DE CABILDO.
Reading edition
Er heerschte een oogenblik stilzwijgen.
Don Fernando, overstelpt door het ontzettende bericht dat hij zoo onverwacht had ontvangen, verpletterd door ontroering en genoodzaakt tot de erkentenis van de onbeduidendheid der verdedigingsmiddelen waarover hij beschikken kon, scheen niet in staat tot geregeld denken. Somber en onbeweeglijk stond de spion tegenover hem, steeds wachtende of het zoo plotseling afgebroken gesprek zou worden hervat. Maar don Fernando d’Avila was een oud soldaat met onverminderde energie, dapper tot het vermetele, en nu de eerste slag ontvangen was, een slag die hard was aangekomen, werd hij zich zelven weer meester, ieder spoor van ontroering of aandoening verdween van zijn gelaat, en hij toonde zich even kalm en koel als naar gewoonte.

—Dan zij God ons genadig!—kreet don Fernando en liet zich op een zetel neerzinken,—want, tenzij er een wonder geschiede, zijn wij verloren.—Blz. 156.
En waarom ook niet? Wat gaf hij om den dood? Hij die in zoo menig gevecht den dood dapper te gemoet getreden, en als getart had, den dood van den krijgsman, die geveld wordt in edelen strijd door de hand van den vijand! Had hij gesidderd, had hij zich als vernietigd gevoeld bij dit zoo plotselinge bericht van een hoogst waarschijnlijken aanval der flibustiers op de kolonie waarvan het gezag aan hem was toevertrouwd, dan was dit niet veroorzaakt door vrees voor het vreeselijke gevaar dat hem bedreigde, neen, dit was alleen ontstaan door zijne bekendheid met de vrijbuiters, tegen wie hij meer dan eens hardnekkig gestreden had. Hij wist maar al te goed dat na de behaalde overwinning, hunne wreedheid nog grooter was dan hunne vermetelheid gedurende den strijd, en dat dan leeftijd zoo min als kunne genade vonden in de oogen dier vervaarlijke tegenstanders, meer nog, dat de vrouwen vooral het meest van hen te duchten hadden.
Hoe luttel de middelen mochten zijn waarover hij kon beschikken, toch besloot hij daarvan gebruik te maken, niet zoozeer om den slag af te wenden waarmee hij werd bedreigd, als om die minder hard te doen neerkomen, en zoo hij de stad niet kon redden, dan wilde hij ten minste trachten de inwoners te behoeden voor de rampen die het gevolg zijn van eene overrompeling en bestorming.
—Schipper, kan ik je vertrouwen?—vroeg hij aan den spion en keek dien doordringend aan.
—Zijne Excellentie, de Onder-Koning stelt het volste vertrouwen in mij.
—Is uw brigantijn nog al ruim?
—Ruim genoeg om voor een korten tocht een honderdtal manschappen te bergen.
—Goed, ge hebt mij reeds begrepen. Keer naar uw schip terug, maak alles gereed om dadelijk onder zeil te gaan, en wacht mijne verdere orders af.
De spion stond klaar om heen te gaan.
—Wacht nog even,—riep de Gouverneur hem toe,—weet dat ge mij met uw leven borg blijft, dat geen enkel woord over dit alles over uwe lippen komt.
—Dat zweer ik, gestrenge heer!
—Goed! Ga.
Schipper Aguirre vertrok en een oogenblik daarna verscheen de Gouverneur weer op het dek.
—Wel,—vroeg Juana aan hem.—Waren die berichten nu werkelijk zoo gewichtig?
—Gewichtig genoeg, kindlief, om mij te noopen je te verzoeken dadelijk met mij aan wal te gaan, terwijl ik mij bij den kapitein moet verontschuldigen dat ik zoo onverhoeds het schip verlaat, waar wij zoo heusch door hem zijn ontvangen.
De kapitein boog en zei:
—Señor, in afwachting van wat misschien noodig zou kunnen zijn heb ik reeds een boot voor u gereed doen houden.
—Daarvoor ben ik u zeer verplicht, caballero, maar de bezichtiging van uwe koopwaren is, naar ik hoop, slechts tijdelijk uitgesteld en zal dus later geschieden. Gaat ge met ons meê?
—Zoo gij mij dit veroorlooft, ja, señor Gouverneur.
—Ge zult mij daarmeê zelfs genoegen doen. Kom, Juana, kindlief, wij hebben ons hier reeds te lang opgehouden.
—Maar zijn die tijdingen dan werkelijk zoo gewichtig?—herhaalde zij, daar zij angstig begon te worden.
—Zoo al niet ernstig dan toch dringend genoeg, en daarom moet ge u wat haasten.
Men ging van boord, en enkele minuten later stapten zij aan de kade uit de boot, en bevonden zich weldra te midden van eene talrijke luidruchtige, vroolijke en drukke menigte. Don Fernando’s gelaat betrok; die onbezorgde opgewondenheid deed hem pijnlijk aan, hij gaf een wenk aan een officier die op de havendam een sigaar stond te rooken, en dadelijk naar hem toekwam; hij fluisterde hem iets in het oor, zeker een order die door anderen niet verstaan behoefde te worden. De officier verwijderde zich haastig, en met versnelden tred; don Fernando bood daarna zijn arm aan zijne pupil en vergezeld door den kapitein van la Trinidad ging hij met haar, ook zeer overhaast, naar zijn woning, waardoor de bij het jonge meisje ontstane angst sterk werd vermeerderd. Op het plein van zijne woning nam de Gouverneur afscheid van donna Juana, kuste haar op het voorhoofd, en toen hij gezien had dat zij verdwenen was in dat gedeelte van het huis waar hare kamers waren, wendde hij zich tot den kapitein en zei:—Kom meê.
—Waar gaan wij heen?
—Naar de cabildo.
De kapitein keek verbaasd op en vroeg:—Wat is er toch gaande, Excellentie?
—Ik heb een zeer noodlottig bericht ontvangen,—luidde het meer gefluisterd dan gesproken antwoord.—Ga mee, ge zult alles maar al te vroeg vernemen.
In Spanje en in de Spaansche koloniën geeft men den naam van cabildo aan het stadhuis, dat wil zeggen aan den zetel van de regeering.
Toen don Fernando vergezeld door den Gouverneur dáár aankwam, waren de officieren van het garnizoen en de notabelen der stad er reeds vereenigd in de zaal waar de beraadslagingen werden gehouden. Zij stonden, in groepjes bijeen, met elkaar te praten over en te gissen naar de redenen tot zulk eene buitengewone oproeping. Met ernstig gelaat en zwaren stap trad de Gouverneur binnen en nam plaats op den zetel voor hem bestemd op eene estrade achter in de zaal.
—Señores en caballeros,—dus begon hij,—weest zoo goed mij uw volle aandacht te schenken, want nog geen uur geleden heb ik berichten ontvangen, die ik mij verplicht acht u onmiddellijk mede te deelen.
De officieren en notabelen haasten zich de plaatsen in te nemen, die hen volgens het ceremonieel toekwamen. Nadat ieder gezeten en de stilte hersteld was, stond de Gouverneur op, vouwde den brief open die hem door schipper Aguirre aan boord van la Trinidad was ter hand gesteld en zei:
—Señores, gelieft mij aandachtig aan te hooren, want vive Dios! het is eene zaak die u allen betreft.
Zoo mogelijk werd het nog stiller, en de nieuwsgierigheid nog meer gaande gemaakt. De Gouverneur wierp een blik over de aanwezigen en begon de depêche voor te lezen:
„Aan den Señor kolonel don Fernando d’Avila, Gouverneur namens Zijne Katholieke Majesteit, over de provincie Venezuela, Maracaïbo en andere plaatsen.
„Señor Kolonel!
„Wij vernemen uit zekere en betrouwbare bron dat de Fransche en Engelsche ladrones, die den naam van flibustiers hebben aangenomen, in strijd met het volkenrecht, de bezworen trouw, en den thans tusschen de drie koninkrijken bestaanden vrede, op dit oogenblik eene machtige vloot uitrusten bestaande uit twaalf of veertien schepen, en bemand met drieduizend bandieten, met het doel, zooals dit op hoogen toon door hen verzekerd wordt, de steden der provincie, die onder uw gezag staat, te overvallen en te plunderen.”
Na de mededeeling van dit bericht, uitten de aanwezigen kreten van verontwaardiging en schrik, waardoor de Gouverneur genoodzaakt werd de lezing een oogenblik te staken.
—Luisteren, heeren, luisteren,—voegde hij hun toe met kalme en ferme stem,—ik ben nog niet aan het eind.
En daarna hernam hij te midden van doodsche stilte en doffe ontroering:
„Ik acht het onnoodig, señor kolonel, u aan te bevelen de noodige maatregelen te nemen die het belang van den dienst des Konings vereischen. Ik ben te zeer overtuigd van uw erkende dapperheid, en uwe groote ervaring om u de handelingen voor te schrijven die onder deze omstandigheden door u moeten worden verricht. Slechts heb ik u te verwittigen dat zoo gij u enkele dagen staande en die ladrones in bedwang kunt houden, gij er op rekenen kunt dat u uit Vera-Cruz zulke aanzienlijke hulp en versterking zal worden toegezonden, dat het u, hieraan twijfel ik niet, gelukken zal die bandieten-horde te vernietigen, die nu van plan is u aan te vallen. Wanhoop dus niet, señor kolonel, en verdedig ook thans even dapper de Castiliaansche eer, als dit reeds zoo herhaaldelijk door u is gedaan! Leve de Koning!
„Hiermede, señor kolonel, bid ik God, dat Hij u in Zijne heilige hoede neme!
„De Onder-Koning van Nieuw-Spanje: Hertog de Penaflor,
„Caballero cubierto, Grande van Spanje der eerste klasse, enz. enz.”
Die brief bevatte nog enkele regels tot naschrift, maar don Fernando achtte het raadzaam daarvan de voorlezing achterwege te laten. De inhoud van dit naschrift was als volgt:
„Nog moet ik u verwittigen, señor kolonel, dat de ladrones worden aangevoerd door de beruchtste schelmen van hunne verfoeielijke vereeniging, en dat de twee voornaamste bevelhebbers zijn Montbars de Verdelger en de Engelschman Morgan, een paar ellendelingen, die, zooals ieder weet, nooit genade aan de overwonnenen schenken, zoodat dit eene aansporing te meer is om u liever te laten dooden, dan u over te geven.”
Don Fernando hield de inhoud van dit naschrift voor zich alléén, want zoo hij ook daarvan aan de vergadering mededeeling had gedaan, dan zou de reeds wankelende moed zeker totaal vernietigd zijn geworden, daar vooral de naam van Montbars een onoverkomelijke vrees bij velen teweeg bracht. Na de lezing van den brief van den Onder-Koning heerschte er gedurende eenige minuten zulk een verward en hevig rumoer door geschreeuw, vervloekingen en verwenschingen, dat het den Gouverneur ondoenlijk bleef zich te doen verstaan; eindelijk verminderde het tumult van lieverlede, don Fernando haastte zich daarvan gebruik te maken en nam toen het woord.
—Thans,—sprak hij op barschen toon,—is het geen oogenblik om te jammeren of te weeklagen, thans moet gehandeld worden, de tijd dringt ons. Volgt mijn raad zonder een oogenblik te talmen, en dan sta ik er voor in, zoo al niet dat de stad behouden zal blijven, dan toch dat gij in staat zult zijn om uwe gezinnen te redden, en uw vermogen te behoeden voor de roofzucht dier bandieten.
—Laat hooren, laat hooren! Wat moet er gedaan worden?—schreeuwden allen te gelijk.
—Luistert liever bedaard in plaats van zoo dolzinnig te schreeuwen—donderde hij hun toe, en stampte zelf in de uiterste drift op den vloer.
Ieder zweeg.
—Het is gelukkig voor ons—vervolgde hij,—dat de Spaansche vloot hier op de reede ligt, en onze haven vol is met schepen van allerlei grootte. Haast u dus uwe vrouwen en kinderen met uw kostbaarste zaken op deze schepen te brengen, die zullen naar Gibraltar overvaren. Maracaïbo kan geen beleg doorstaan en het is dus beter deze stad te verlaten. Wij moeten die door de bandieten laten bezetten zonder wederstand te bieden en terwijl die schelmen dan hier hun tijd zullen verspillen door te plunderen en te verbrassen het weinige wat wij hier achter hebben gelaten, moeten wij werken, werken met man en macht om de versterkingen van Gibraltar, die toch reeds zeer beduidend zijn, nog te vermeerderen en krachtiger te bevestigen. Als de bandieten het durven wagen ons ook dáár aan te vallen, dan hebben wij groote kans, dit acht ik genoegzaam zeker, om hen zóó toe te takelen, dat zij voor langen tijd er genoeg van zullen hebben weer eene nieuwe expeditie naar deze streken uit te zenden. En vergeet daarbij niet, dat de Onder-Koning aan ons spoedige hulp heeft toegezegd, het is dus zeer waarschijnlijk dat die bandieten weinig lust zullen gevoelen ons in dien schuilhoek aan te vallen. Geeft dus met den meesten spoed van dit alles kennis aan uwe medeburgers en zorgt nu goed dat zij dadelijk alles in gereedheid brengen voor hun vertrek. Allen die morgen bij zonsopgang nog te Maracaïbo zijn achter gebleven, zullen dáár blijven. Ik vertrouw dat gij mij begrepen hebt, gaat dus heen. U, Señores officieren, verzoek ik hier te blijven.
Haastig en in verwarring snelden de burgers naar de deuren en in een oogwenk was de zaal door hen ontruimd. Bijna dadelijk daarna hoorde men buiten klagen en gejammer en daarin mengden zich spoedig de sombere toonen van den alarmklok die in alle kerken geluid werd.
Zoodra de Gouverneur zich overtuigd had, dat al de burgers vertrokken en alleen de officieren gebleven waren, sprak hij de laatsten toe:—Caballeros wij hier, wij zijn krijgslieden en zullen ons niet zoo licht laten ontmoedigen, want wij kennen onzen plicht. Ik hoef u dus niet uit te noodigen dapper in den dienst des Konings te strijden, Kolonel don Santiago Tellez!
—Excellentie!—antwoordde de kolonel, die vooruit trad.
—Neem onder uw bevel vijftig flinke manschappen en ga met hen naar de haven; dáár zult gij een schipper aantreffen, een zekeren Aguirre. Scheep u met uwe onderhoorigen in op zijn brigantijn, en laat u overbrengen naar het Houtduifeiland, waar het garnizoen niet meer bedraagt dan vijfenveertig man. Gij moet het daar zoo noodig, minstens één dag tegen de ladrones uithouden.
—Excellentie, ik geef er u mijn woord op, dat ik het twee dagen lang zal verdedigen.
—Goed, des te beter! Vaarwel, kolonel!
—Vaarwel, Exellentie. Gij zult spoedig het bericht van mijn dood vernemen, doch kunt er staat op maken, dat ik mijn leven duur aan die bandieten zal verkoopen.
Hij boog en vertrok, voor het uiterlijk zoo kalm alsof hij eene wandeling ging maken. De Gouverneur versmoorde een zucht en vervolgde:—Kapitein Ortega, doe vijftig soldaten opzitten en zendt hen in alle richtingen uit, om de buitenlui te waarschuwen dat de ladrones in aantocht zijn; u kunt gaan.
Kapitein Ortega ging dadelijk heen.
—En aan u, kolonel don José Ortez,—hernam de Gouverneur,—draag ik het bevel over het garnizoen over. Trek daarmee af naar Gibraltar; gij laat hier niet meer achter dan vijftig manschappen, mits geschikte en gewillige kerels. Naar ik vermoed zult gij mij begrepen hebben.
—Volkomen, Exellentie.
—Nog moet ik u ten sterkste aanbevelen stipt er voor te zorgen dat geen enkel wapen, en niets van de krijgsbehoeften hier achter blijft, want het zou te groote dwaasheid zijn als wij de ladrones in staat stelden daarvan voor hunne kanonnen gebruik te maken.
—Dat zou werkelijk meer dan dwaas zijn, Exellentie. Waar moeten die soldaten post vatten?
—Hier op de cabildo.
—Goed, en wanneer moet ik vertrekken?
—Met het laatste konvooi inwoners. Vaarwel, kolonel!
—Toch niet, Exellentie, tot weerziens!
—Wie weet?—mompelde de Gouverneur. Ook die kolonel verwijderde zich en toen bleef de gouverneur slechts over met één persoon, den kapitein van la Trinidad.
—Hoe nu!—uitte don Fernando, zoodra hij hem gewaar werd.—Zijt ge nog hier, kapitein?
—Ja, Exellentie, ik was er op gesteld bij u te blijven.
—Doch, houd het mij ten goede dat ik u dit onder het oog breng, kapitein, dit is waarlijk geheel in strijd met uw eigen belang.
—Exellentie, ik heb iets opgemerkt,—gaf de kapitein te kennen, zonder bepaald de opmerking van den Gouverneur te beantwoorden.
—En waarin bestaat dit, kapitein?
—Dat gij, sedert wij hier in de zaal zijn, u druk hebt bezig gehouden met anderen, doch aan u zelven niet schijnt te denken.
—Dat is immers mijn plicht?
—Zeer zeker! Verre zij het dus van mij door die opmerking eene afkeuring te bedoelen.
—Welnu dan?
—Welnu, dan dunkt mij dat thans uwe beurt gekomen is en daarom juist ben ik hier gebleven. Door u is last gegeven om naar Gibraltar af te trekken en zeker hebt gij daarvoor afdoende redenen.
—Zeer gewichtige, en zeer afdoende, kapitein.
—Maar als zoodanig kunt gij niet laten gelden uw voornemen om te sneuvelen, zonder glorie en zonder eenig voordeel, hier aan het hoofd van een onnoozel troepje manschappen. Buitendien hebt gij eene pupil, en uw plicht is het ook voor haar te zorgen.
—Mijne pupil zal de overtocht naar Gibraltar doen aan boord van uw schip.
—Alleen?
—Met u.
De kapitein schudde het hoofd en zei botweg:—Neen!
—Hoe!—uitte don Fernando hoogst verbaasd;—weigert gij mij dit?
—Niet ik weiger, Excellentie, maar zij zal dit doen.
—Kom, kom, hoe krijgt ge het in het hoofd dit te beweren, kapitein!
—Vraag het haar, en dan zullen wij nader spreken; doch luister even, Excellentie, en houd dit goed in gedachte. Van daag nog of stellig dezen nacht zullen al de schepen naar Gibraltar uitzeilen, doch één zal hier blijven en wel het mijne. Ik heb er een eed op gedaan dat ik u hier niet achter zal laten.
De Gouverneur bleef een oogenblik in gepeins, toen stak hij hem de hand toe, en sprak met bewogen stem:—Het zij zoo, kapitein, ik neem uw aanbod aan, doch ik moet u vooraf waarschuwen dat ik mijn post niet verlaat dan als de laatste en op het uiterste oogenblik, eerst dan als voor mij niets anders meer te doen overblijft.
—Vive Dios! Dacht gij dat ik iets anders van u verwachtte?
—Kom nu mee, dan gaan wij naar mijne pupil.
Thans verlieten zij ook op hun beurt de cabildo, en liepen met haastigen tred naar het verblijf van den Gouverneur.
Het voorkomen van de stad was binnen de laatste twee uren totaal veranderd; nog steeds waren de straten opgepropt door eene talrijke menigte, dat is waar, doch nu hoorde men geen gelach meer en geen gezang, nu zag men geen opgeruimde gezichten; thans werden kreten van smart gehoord, gesnik en geween, thans was ieders gelaat bleek en ieders blik beangst, in één woord thans heerschte overal en bij allen schrik en bezorgdheid, die aan wanhoop grensde. Ingevolge het door den Gouverneur uitgevaardigde bevel had de verhuizing der bevolking reeds een aanvang genomen; gevolgd door hunne weenende vrouwen en kinderen, en beladen met hunne rijkdommen hadden de bewoners hunne huizen verlaten. Het was een hartverscheurend tooneel. Kwade tijdingen worden gewoonlijk bliksemsnel verspreid; zoo had dan ook donna Juana reeds alles vernomen. Toen don Fernando haar kamer binnentrad, zag hij haar, half liggende op kussens, bleek van gelaat, maar met koel vastbesloten voorkomen. Na Cigala zat in een hoek der kamer ineengedoken, weenende en met het gelaat in de handen verborgen. Bij den eersten oogopslag begreep don Fernando hoe hier de toestand was.—Juana, liefste kind, ge hebt, naar ik merk, reeds kennis gekregen van het gevaar dat ons boven het hoofd hangt.
—Helaas, ja, mijnheer,—luidde het droefgeestige antwoord.
—Ge weet dus zeker ook dat wij genoodzaakt zijn voor de overmacht te wijken, en de stad te ontruimen.
—Ook dat is mij bekend, mijnheer.
—En daarom moet ik je verzoeken, uwe kostbaarheden voor zooverre dit mogelijk is in te pakken, en dan met mij meê te gaan.
—Gaan wij dan heen?—vroeg zij, en sprong haastig overeind.
—Dat wil zeggen, kindlief, gij gaat heen; ik moet hier nog een poos blijven, om zoo veel doenlijk te waken en te zorgen voor het belang van de ongelukkige bevolking.
Zij viel weer op hare kussens neer en zei:—Goed, dan zal ik blijven wachten.
—Hoe! Wilt ge blijven wachten?
—Wilt ge mij de beleediging aandoen, mijnheer, van één oogenblik te gelooven, dat ik zonder u zou heen gaan?
—Wees verstandig, Juana, lief goed meisje, het gevaar is zeer dreigend; ge weet hoeveel ik van u houd, en dan eerst zal ik gerust zijn, wanneer ik de zekerheid heb dat gij in veiligheid zijt. Kom dus mee, want de kapitein wacht op u.
—Ik ben den kapitein daarvoor zeer verplicht, doch ik ga niet van hier dan met u. Neen, mijnheer, schud nu uw hoofd zoo niet, ik heb vast daartoe besloten. Gij hebt gezegd dat gij zooveel van mij houdt, maar evenzeer, misschien nog meer, is dat bij mij het geval, want voor mij, arm verlaten kind zonder ouders of familie, zijt gij alles, en dit altijd geweest. Ernstig en dringend verzoek ik u dus, er verder niet meer over te praten, want het zou vergeefsche moeite zijn. Met u zal ik sterven of met u gered worden.
—Juana, ik smeek het je, zie af van dit besluit, ge brengt mij door uw voornemen tot wanhoop. Stem in mijn verzoek toe en vertrek.
—Met u, ja, zonder u, neen! Ik ben uw eigen kind niet, dit is waar, maar ik beschouw mij als uwe dochter, en de plicht eener dochter is, wat er ook moge gebeuren, te blijven bij haar vader. En dus, ik blijf!
Wat don Fernando ook beproefde, alles was vergeefs, zij volhardde onwrikbaar bij haar besluit, en er bleef dus niets anders over dan toe te geven aan haar verlangen. Toen vloog het jonge meisje op, wierp zich in de armen van don Fernando, en barstte uit in tranen, hem snikkend en hartstochtelijk haar dank betuigende.
—Denk nu nog eens aan mijn voorgevoel van dezen morgen,—voegde zij er bij met een weemoedig lachje.—Zegt gij nu nog dat ik een zottinnetje was?
—Neen, neen,—gaf hij ten antwoord.—Ik was blind, God heeft het u ingegeven.
Den anderen dag, reeds zeer in de vroegte, was de stad doodsch en verlaten. In de straten en op de pleinen zag men slechts nu en dan enkele personen ronddwalen, arme drommels te behoeftig om iets van de vrijbuiters te duchten te hebben, en die het dus onnoodig hadden geacht voor hen te vluchten. Don Fernando bleef voortdurend op het stadhuis, waar de vijftig soldaten geposteerd waren, de eenige die hij bij zich had willen houden van de achthonderd man waaruit het garnizoen bestond. Donna Juana had zich met na Cigala begeven aan boord van la Trinidad, en de kapitein van dit schip had aan het jonge meisje zijn woord verpand dat hij zonder don Fernando niet zou vertrekken. Al de in het belang der bevolking beraamde maatregelen waren dus ten uitvoer gebracht, en de daardoor gerustgestelde Gouverneur wachtte nu onvervaard de vrijbuiters af, die niet lang op zich zouden laten wachten.