XI. DE TERUGKOMST.
Reading edition
Tijdens Francoeur, Martial, of wel don Gusman de Tudela, al naar de lezer verkiest hem te noemen, vertoefde op de plaats der bijeenkomst in de Groote Vlakte aan de oevers van den Artibonite, waar zijn neef don Sancho de Penaflor hem bescheiden had, heerschte er te Port-de-Paix een buitengewone opgewondenheid. Eene voor de gansche bevolking hoogst belangrijke tijding, had zich met de snelheid van een loopend vuurtje verspreid en de inwoners hadden terstond daarop hunne huizen verlaten, kroegen en herbergen waren leeggeloopen, en de menigte begaf zich in groote haast naar den kant van de haven, onder luid vreugdegejuich elkaar stootend en verdringend, daar ieder er het eerst bij wilde wezen om een goed plaatsje te veroveren.
Nu moet erkend worden dat die tijding voor de Broeders der Kust van het hoogste gewicht en al die opschudding wel degelijk waard was; de wachter die aan de punt Marigot op den uitkijk was geplaatst, had de aankomst geseind van een schooner, bemand door de vermaardste flibustiers van Tortue, een brigantijn die reeds zoo lang geleden vertrokken was, dat men die verloren of door de Spanjaarden genomen achtte en er aan wanhoopte haar ooit terug te zien. Geen wonder dus dat men uitermate verheugd was, en geestdrift ieder had aangegrepen.
Werkelijk was het die schooner; begunstigd door een flinke bries liep het schip onder volle zeilen snel en lustig de haven binnen, en reeds kon men de Broeders der Kust, die in groepjes op het dek stonden en vroolijk met hunne mutsen wuifden ten bewijs van eene gelukkige terugkomst, gemakkelijk onderscheiden.
Knarsend viel het anker neer, de zeilen werden gegeid, en de heer d’Ogeron, die met zijne officieren op de uiterste punt van het havenhoofd stond, en dit oogenblik met ongeduld verbeidde, kon zich niet langer bedwingen, en stapte haastig in de prauw, die voor hem gereed lag en nu met krachtige riemslagen naar de brigantijn werd geroeid.
Montbars zelf stond bij den valreep gereed om hem te ontvangen en stak de hand uit om hem aan boord te helpen, maar de Gouverneur greep den valreep en sprong ondanks zijne gezetheid vlug en behendig op het dek.
—Wees welkom, mijnheer d’Ogeron!—sprak Montbars, en deed dit vergezeld gaan door een hartelijken groet.
—Dubbel welkom gij zelf!—uitte de Gouverneur opgeruimd.—Wel verduiveld! Ik dacht niet anders of gij allen waart naar de grondvergadering gegaan, want het kwam geen oogenblik bij mij op, dat gij je door de gavachos zoudt hebben laten snappen. Ik verzeker je dus, waarde Montbars, dat er mij nu een heel pak van het hart genomen is.
—Ik zeg je oprechtelijk dank voor die woorden, mijnheer, en acht het een bijzonder voorrecht voor mij je hier te mogen zien, want ik heb zeer veel met je te bepraten, zoodat, wanneer gij niet zoo dadelijk aan boord gekomen waart, mijn eerste bezoek bepaald aan u zou zijn geweest.
—Hum! Hum!—liet de heer d’Ogeron schertsend hooren.—Dan schijnt er wat nieuws op til te zijn?
—Zoo is het.
—Dan hebt ge zeker eene goede reis gemaakt?
—Een uitmuntende.
—En hoeveel brengt ge mee?
—Niets.
—He! Noemt ge dit dan eene uitmuntende reis?
—Zeker.
—Daar kan ik niet goed bij! Verklaar je nader.
—Zeer gaarne, en liefst op staanden voet, zoo gij daar niets tegen hebt.
—Twijfelt ge daar aan? Ik ben immers zonder verwijl uitsluitend aan boord gekomen om het verslag over de expeditie uit uw eigen mond te vernemen.
—Nu, dan kan het niet beter. Wees zoo goed met mij naar mijn kajuit te gaan.
—Waarvoor is dat noodig? Mij dunkt dat wij dat hier ook wel kunnen afhandelen.
—Ja, als wij over koetjes en kalfjes hadden te praten, maar niet nu ik met u iets te bepraten heb, dat tusschen ons moet blijven.
—Wel drommels!—liet de andere hooren, en wreef zich in de handen.—Wat spreekt ge geheimzinnig! Ik hoop toch dat de kool de sop waard is, he?—werd er spottend bijgevoegd.
—Gij zult dat zelf kunnen beoordeelen zoo gij met mij naar beneden gaat.
—Gaarne, gaarne, maar vertel mij eerst even hoe het komt dat ge op een brik zijt uitgevaren en op een schooner terugkomt?
—Ei, ei!—luidde het antwoord.—Heb je dat reeds opgemerkt?
—Dat was toch waarachtig gauw genoeg te zien, dunkt mij.
—Het komt omdat mijn brik die tamelijk oud en zoo lek als een zeef was, bij een stormvlaag onder mijn voeten is weggezonken en ik met enkele metgezellen verplicht ben geworden, op het vaste land een schuilplaats te zoeken.
—He! op het vaste land midden onder de gavachos. Maar beste vriend, dan hebt ge u letterlijk gewaagd in het hol van den wolf.
—Dat is zoo, maar zooals ge ziet, ben ik er ongedeerd uitgekomen.
—Het zou er ook waarachtig hier mooi uitgezien hebben als dit niet het geval ware geweest.
—Wel mogelijk,—luidde het eenigszins droefgeestige antwoord.—Maar misschien zal dit mij een volgenden keer niet weer gelukken.
—Kom, kom! Dat weet ge niet!
—Wie weet! zooals de gavachos zeggen, doch wat daarvan zij, gij ziet mij nu springlevend weer, zeer bereid, dit zweer ik je, om op nieuw er de proef van te nemen wat ook later de gevolgen mogen zijn. En als gij het mij nu veroorlooft zal ik je nu naar mijne kajuit voorgaan.
—Doe zoo, daar ge dit noodig schijnt te vinden.
De Gouverneur volgde Montbars, die hem naar zijn kajuit bracht en plaats deed nemen aan een tafel waar rum, water, suiker, citroen en notenmuskaat gereed stond. Gewoon aan de gastvrijheid der flibustiers maakte de heer d’Ogeron dadelijk een grogje voor zich klaar en middelerwijl werd Philippe even door Montbars ter zijde genomen om hem met een paar woorden te gelasten, dat niemand tot de kajuit mocht worden toegelaten. De jonge man groette zijn oom, wisselde met dezen een paar woorden ter verwelkoming, en haastte zich toen weer naar het dek, waar zijn eerste zorg was een wacht bij de luikklep te plaatsen, met uitdrukkelijken last te zorgen dat niemand naar beneden ging. De beide heeren waren er nu zeker van niet lastig gevallen noch beluisterd te zullen worden en konden er dus nu in alle gerustheid toe overgaan hunne zaken te behandelen. Montbars zette even de lippen aan zijn glas, en opende daarna het gesprek.
—Waarde mijnheer d’Ogeron,—zoo begon hij.—Hebt gij nog altijd evenveel vertrouwen in mij?
—Het onbepaaldste vertrouwen, beste vriend—werd onmiddellijk en zonder de minste aarzeling door den Gouverneur verzekerd.—Maar zeg mij eens waarom doet gij mij zulk eene zonderlinge vraag?
—Omdat ik, hoewel bijna zeker van het antwoord dat ik zou ontvangen, er toch behoefte aan had dit nog eens uit uw mond te vernemen.
—Welnu, dan zult ge er mee voldaan zijn, niet waar?
—Volkomen!
—Op je gezondheid!
—Op de uwe!—Zij klonken.
—Ik had echter nog eene andere beweegreden,—hernam Montbars.
—Wel drommels! Dacht ge nu waarlijk dat ik dit niet begrepen had? En wat is die beweegreden?
—Deze, dat ik je iets onmogelijks heb voor te stellen.
—Voor jou Montbars bestaat er niets onmogelijks!
—Meent gij dit?
—Ja, het is mijne vaste overtuiging, dit verzeker ik je op mijn woord.
—Dank je. Nu, dan zal alles wel losloopen.
—Goed! Maar waarin bestaat dan die onmogelijke zaak?
—Laat ik eerst een gesprek in uw geheugen terugroepen dat wij enkele dagen vóór de herovering van het Schildpaddeneiland met elkander hadden.
—Doe zoo, wij hebben al den tijd.
—Toen heb ik je gezegd, indien gij het je nog herinnert, dat onze Vereeniging, zoo die op meer solide grondslagen gevestigd was, in staat zou zijn de Spaansche macht te doen beven en sidderen, en dat wij dan, zoo wij wilden, krachtig en sterk genoeg zouden zijn om aan den handel der Spanjaarden in de Amerikaansche koloniën een knak toe te brengen, zoo al niet dien geheel te vernietigen.
— Juist, diezelfde woorden zijn door je gebezigd, en ik heb de bedoeling daarvan zoo ten volle begrepen, dat ik er toen ten sterkste op aangedrongen heb, zoo spoedig mogelijk te trachten Tortue te heroveren, als een uitnemend strategisch punt om den vijand in bedwang te houden.
—En als gevolg daarvan hebben wij het Schildpaddeneiland hernomen.
—Ja, en de gavachos zullen dit nimmer meer in hun bezit krijgen, tenminste zoolang ik de eer zal hebben uw Gouverneur te zijn, dit verzeker ik je!
—Daaraan twijfel ik ook geenszins, doch ik geloof dat thans de tijd daar is, om een goeden slag te slaan.
—Nu zal ik dan eindelijk iets vernemen,—meende de oude heer die met kleine slokjes zijn grogje uitdronk—en naar de manier waarop die zaak door u word ingeleid, vermoed ik dat die allesbehalve eene kleinigheid is.
Montbars lachte even, en zei schertsend:
—Men kan voor u toch niets verborgen houden!
—Kom, kom! Vertel er nu meer van.
—Moet ik open spel met u spelen?
—Zeker.
—Zult gij mij niet beschuldigen, een halve dwaas of een dweeper te zijn?
—Noch het een, noch het andere. Ik houd je voor een zeer ernstig man, die geen expeditie, welke ook, zult wagen, dan na daarvan eerst goed alle kansen te hebben overwogen.
—Nu als dit het geval is, wil je dan verder luisteren.
—Ik ben geheel gehoor.
—Ik heb je reeds verteld, dat ik, na het verlies van mijn schip, de toevlucht naar het vaste land had genomen. Waarheen denkt gij dat het toeval mij heeft gebracht?
—Ja, hoe kan ik dit gissen?
—Ongeveer een paar mijlen onder den wind in de golf van Maracaïbo.
—Ei, ei, ik ken die. Behalve de gavachos houden zich daar wilden op, met wie men ook liever niet in aanraking moet komen. Ge zult het er dus wel kwaad te verantwoorden gehad hebben, waarde Montbars!
—Toch niet, want nauwelijks was ik aangeland, of ik ontmoette daar uw neef Philippe, die zijn brigantijn in eene verlatene kreek aan de kust verborgen had.
—Wat drommel had de snaak dáár uit te voeren?
—Dat weet ik niet, en ronduit gezegd heb ik hem daarnaar niet eens gevraagd.
—Dan zal ik dat doen, daar kunt ge op aan!
—Dat is iets wat u aangaat. Doch toen is bij mij de gedachte ontstaan op een nieuw plan.
—Dat is juist iets voor een man als gij,—verklaarde de Gouverneur, met eene hoffelijke buiging.—En wat is dat plan? Ik twijfel er niet aan of het zal er een wezen, dat meer dan gewone stoutmoedigheid vereischt.
Montbars beantwoordde zijn buiging.
—Och!—zei Montbars op onverschilligen toon.—Het is eigenlijk zoo ingewikkeld niet. Het is zeer eenvoudig en bestaat alleen maar in de verovering van Maracaïbo.
—Maracaïbo te nemen!—viel de heer d’Ogeron uit, van zijn stoel opspringend.—Maracaïbo te nemen!—herhaalde hij.
—Anders niet. Hoe denkt gij daarover?
—Wel verduiveld! Ik ben er geheel en al door verbluft! En ge doet, naar uwe gewoonte, mij die vraag als met het pistool op de borst.
—Zijt gij er dan zoozeer over verwonderd?
—Ik moet zeggen dat ik je met al uwe koelbloedigheid hoogst naïef vind, op mijn woord! Maar vertel mij nu eens, is het je alles waarlijk ernst?
—Twijfelt gij daaraan? Langer dan een maand loop ik al met dit plan rond, in al dien tijd heb ik over niets anders gedacht.
—Maar je bent gek, stapelgek. Het is te gek om er langer over te praten!
—Zoo, zoo! Nu heeft het er toch veel van alsof ge in mij niet veel meer dan een kwâjongen ziet!
—Dat komt omdat ik mij geen begrip kan maken hoe zulk een dwaas plan in iemands brein kan opkomen, Maracaïbo te willen veroveren!
—En waarom niet?
—Och, kerel! Ge schijnt wel te denken dat je tot alles in staat zijt!
—Dat is juist de beste manier om in alles te slagen. Maar luister nu liever verder en bedaard, want voor dit plan is reeds meer verricht, dan door je kan vermoed worden.
Daarop deelde Montbars tot in de geringste bijzonderheden alles mede, wat er tijdens zijn verblijf op de kust was voorgevallen; de manier waarop hij in de stad was gekomen, de wijze waarop hij dáár ontvangen was, de voorbereidende maatregelen door hem genomen, en dergelijke zaken meer. De heer d’Ogeron luisterde met open mond; hij durfde zijne ooren niet te vertrouwen. Toch was dezelfde heer d’Ogeron voor geen klein geruchtje vervaard; hij was zelf jaren achtereen vrijbuiter geweest, had menig heldenfeit bedreven en dan nog welke feiten! Maar aan zulke ongehoorde expedities had men in zijn tijd niet gedacht; en dit plan ging alles te boven wat men uitzinnigs bedenken kon, en grensde aan het onbestaanbare! Hij was dan ook, zooals hij reeds aan Montbars had gezegd, geheel en al overbluft, en waande half dat hij eigenlijk aan een nachtmerrie ten prooi was. Montbars glimlachte, lepperde aan zijn grogje en besloot bedaard en onverstoord zijne mededeelingen, met eene verdere ontwikkeling van zijn plan, en van de middelen die moesten gebezigd worden om het goede gevolg daarvan te verzekeren. Het gevolg daarvan was het gewone, wanneer twee flinke mannen tegenover elkaar staan en die twee elkaar reeds lang kennen, en naar waarde weten te schatten; wie van hen dan de meeste stoutmoedigheid betoont, eindigt met den ander te overtuigen, en zijn plannen te doen aannemen, al moeten die dan ook op sommige punten eenigermate worden gewijzigd. Zoo ging het ook nu; de heer d’Ogeron helde langzamerhand over tot de meeningen van Montbars, trad met hem in discussies over het geopperde plan, en eindigde met daaraan zijne goedkeuring te verleenen.
—Het is een grootsch plan,—verklaarde hij ten slotte,—en geheel den man waardig, die het heeft durven ontwerpen, maar de uitvoering zal vele bezwaren opleveren.
—Minder dan gij denkt, mijnheer. Want als wij het nu eens bedaard nagaan, waar komt dan eigenlijk alles op neer? Op eene verrassing, op niets anders,—verzekerde Montbars op stelligen toon.—Gij moet vooral niet uit het oog verliezen, dat het betreft een zeer afgelegen streek, bijna van elke hulp van buiten verstoken en daardoor genoegzaam aan zich zelf overgelaten; de bewoners zijn niet talrijk en verspreid over eene groote oppervlakte, de garnizoenen zwak, en de versterkingen onbeduidend. Wij moeten met de snelheid des bliksems de kolonie overvallen, zoodat de kolonisten niet kunnen gissen met wie zij eigenlijk te doen hebben, en geen tijd meer hebben om, na van den eersten schrik te zijn bekomen, zich te verzamelen. Zóó zal onze slag geslagen en zullen wij weer ingescheept zijn, terwijl zij nog in het onzekere zijn wie hunne vijanden waren.
—Maar stel eens dat je een Spaansch eskader ontmoet?
—Geen nood! Dan zullen wij het bevechten, en zoo noodig in den grond boren. Daarenboven, wie niet waagt, wie niet wint, volgens het spreekwoord. Wij hebben kans op een ontzaglijken buit, want gij kunt je niet voorstellen welke onmetelijke rijkdommen in dat land te vinden zijn.
—Dat wil ik graag gelooven,—zei de heer d’Ogeron lachend—want wij zijn daar nog nooit geweest, voor zoover ik mij herinner?
—Nooit; ook dient Maracaïbo, als het ware, tot stapelplaats voor de andere koloniën, zoo veilig gelooven de inwoners zich dáár voor iederen overval.
—Arme Spanjaarden! Dan hebben zij niet het minste vermoeden van wat hen boven het hoofd hangt.
—Hoe heb ik het nu, wordt gij waarlijk weemoedig bij het aanstaande lot van de gavachos?
—Ja, ja! Want ik denk daarbij aan het vreeselijke bloedbad dat gij onder hen zult aanrichten.
—Nooit zal ik naar mijn zin genoeg van die verwenschte natie kunnen laten ombrengen!—viel Montbars uit op barschen toon en met woeste blikken.
—Hebt ge dan aan hen zulk een gloeienden haat?
—Ik?! Ik zou graag, even als Nero, nieuwe straffen willen uitdenken, om hen des te erger te doen lijden! Maar bepalen wij ons nu tot onze zaken. Hoeveel schepen zijn er hier?
—Te Port-de-Paix?
—Te Port-de-Paix, te Margot, te Leogana, op Tortue, in één woord overal.
—Niet bijzonder veel; hoogstens een dertig, maar daarvan zijn zeker twaalf of veertien bijna niet in staat om zee te houden.
—Dan zijn er toch meer dan wij noodig hebben, mits dat het snelzeilers zijn; en in dat geval koop ik ze.
—Sapperloot! Dan moet het je niet aan geld ontbreken!
—Ik ben heer en meester over de schatkist der Twaalven,—gaf Montbars lachend ten antwoord.
—Laat die je geen bezorgdheid inboezemen, mijnheer. De opperste leiding berust in mijne handen, en die vereeniging heeft geen ander doel, dan de glorie en het fortuin van de flibustiers.
—Goed, dan zal ik daarover niet verder spreken, doch onder voorbehoud later daarop terug te komen.
—Ieder oogenblik ben ik daartoe bereid, mijnheer. Dus hebt gij er niets tegen mij die schepen te verkoopen?
—Van dit oogenblik af, kunt gij er over beschikken.
—Ik dank je! Nu komt het er op aan manschappen aan te werven.
—Aan manschappen ontbreekt het niet.
—Wel mogelijk, doch ik moet mij beter uitdrukken. De mannen waaraan ik behoefte heb, moeten geharde kerels zijn, bereid en in staat om mij tot naar de hel te volgen, zoo ik dit eischte.
—Ik houd het er voor, dat ge zonder veel moeite die mannen wel vinden zult.
—Heerlijk! Nu heb ik niets meer te doen dan je slechts ééne zaak zeer dringend aan te bevelen.
—En die is?
—Alles stipt geheim te houden. Gij weet dat hier meer dan te veel spionnen loeren en één enkel onbedacht woord zou genoegzaam zijn om alles te doen mislukken.
—Ge zegt daar iets, waarde Montbars, dat ongelukkig genoeg maar al te waar is, en ik moet je zelfs mededeelen, daar ge dan in tijds de noodige voorzorgen kunt nemen, dat er, hoe het komt weet ik niet, in den laatsten tijd een booze geest onder ons schijnt te waren. Er kan tegenwoordig door ons geen enkel besluit meer genomen worden dat geheim blijft; dadelijk wordt alles aan de Spanjaarden verklapt, die dus gemakkelijk overal op hunne hoede blijven, waardoor al onze ondernemingen mislukken.
—Dat is een zeer ernstig geval, mijnheer d’Ogeron! Dan moet er een verrader onder ons schuilen.
—Dat heb ik ook reeds gedacht.
—En wat hebt gij toen gedaan?
—Iets dat gij zelf zeker ook zoudt gedaan hebben. Ik heb enkele der voornaamste onder de Broeders der Kust bijeengeroepen, zooals Grammont, Drack, Francoeur, en een paar andere; ik heb hun toen mijn vermoeden meegedeeld en zeer ernstig op het hart gedrukt een wakend oog te houden, niet alleen op hunne kameraden en de inwoners, maar zelfs op de pandelingen.
—En het gevolg?
—Het gevolg is, dat wij niets ontdekt hebben.
—Bij den hemel! Dan zal ik dien verrader ontdekken, dat zal ik, dat zweer ik u, mijnheer d’Ogeron,—verklaarde de flibustier op somberen toon,—en dan, wee hem! Wee, wie het ook wezen moge!
—Daar hebt ge nu om een voorbeeld te noemen,—hernam de heer d’Ogeron.—Ge zijt zoo pas te Port-de-Paix binnengeloopen, niet waar?
—Nauwelijks een uur geleden, dat weet gij.
—Juist. Welnu, sedert twee of drie dagen was reeds in de stad het gerucht in omloop van uw aanstaande terugkomst, en men wist bovendien nog te vertellen dat ge bepaald van plan waart, weer eene zeer belangrijke expeditie uit te rusten. Nu vraag ik je wie en hoe kan dat te weten zijn gekomen?
—Dat is hoogst bevreemdend en gaat alle begrip te boven, te meer daar slechts drie personen bepaald met mijne voornemens bekend zijn; het overige van de bemanning van den schooner vermoed wellicht iets, doch zonder eenige zekerheid.
—En wie zijn die drie personen?
—Uw neef Philippe, voor wiens stilzwijgendheid ik borg blijf, gij zelf en ik; doch genoeg daarover en wees gerust, ik sta er voor in dat alles door mij zal behandeld worden op zulk eene manier, dat de verrader, wie of wat hij zijn moge, er niet in zal slagen om van iets op het spoor te komen.
—God geve het!—uitte de heer d’Ogeron, terwijl hij opstond.—Blijft ge nog aan boord?
—Stellig niet. Ik ga dadelijk met je naar wal, zoo gij er niets op tegen hebt.
—Niets liever dan dat. Hebt ge een verblijf, waar ge je intrek denkt te nemen?
—Waarom?
—Omdat, zoo dit niet het geval mocht zijn, ik je een kamer bij mij aan huis zou aanbieden.
—Ik blijf je daarvoor zeer dankbaar, doch kan dit zeer beleefde aanbod niet aannemen, daar ik mij onverwijld met de besprokene zaak wil bezig houden en dus vóór alles vereischt wordt, dat ik volkomen vrij blijf om over al mijn tijd te beschikken, terwijl ik bovendien met mijn kameraden nog tot overeenstemming moet komen.
—Zoo! ge komt toch van avond bij mij eten, niet waar?
—Dat zeer gaarne, ten minste zoo ge niet te laat eet, daar ik gaarne vroeg vrij wilde zijn.
—Vijf uur, schikt je dit?
—Zeer goed, dus blijft dit afgesproken.
Daarna begaven zij zich weer naar het dek, waar de heer d’Ogeron door de equipage der brigantijn werd ontvangen met groot gejuich, dat gegrond was op zuivere toegenegenheid en ware hoogachting. Wij hebben reeds vroeger medegedeeld dat de heer d’Ogeron half aangebeden werd door de vrijbuiters, waarvan hij de meesten persoonlijk kende, en zeker werd dit ook veroorzaakt, doordien hij bij uitnemendheid den slag bezat om hen in hun zwak te tasten, doch tevens hen eerbied en zelfs waar dit noodig was vrees voor zich in te boezemen. Eer de Gouverneur van boord ging drong hij er op aan om het schip van het dek tot het ruim te inspecteeren, (eene beleefdheid waardoor de bemanning zich zeer gevleid betoonde), en na zijn neef en de voornaamste officieren van den schooner bij zich op het diner te hebben genoodigd, stapte hij, vergezeld door Montbars, in de boot die door de goede zorg van Philippe reeds voor hem in gereedheid was gebracht.
Bij het aan wal stappen hernieuwde de heer d’Ogeron zijne uitnoodiging aan Montbars en drong er op aan dat deze vooral niet te laat zou komen; daarna namen de beide heeren op zeer hartelijke wijze afscheid van elkaar, en ging ieder van hen een anderen kant uit.
Montbars had de grootste moeite zich te onttrekken aan de ovatie die de Broeders der Kust hem bereid hadden daar zij voornemens waren hem in triomf door de straten te dragen; eindelijk gelukte het hem te ontkomen, door onverhoeds een logement binnen te gaan dat hij toevallig in het oog kreeg en nadat de menigte lang genoeg vóór de deur had post genomen om te bemerken dat hij niet meer voor den dag kwam ging zij eindelijk uiteen.