XX. HET HOUTDUIFEILAND.
Reading edition
Nadat door Montbars met Morgan de noodige schikkingen waren getroffen voor den door hem beoogden aanval, nam hij afscheid van hem, doch deed hem nog uitgeleide naar zijn boot en toen hij zich daarna omkeerde stond hij vlak tegenover Francoeur.
—Och!—uitte hij.—Ik had waarlijk niet meer gedacht aan donna Clara.
—Gun mij een oogenblik, Admiraal,—sprak de jonge man op zeer eerbiedigen toon.—Ik heb u iets te verzoeken.
—Spreek,—kreeg hij zeer goedhartig ten antwoord,—is het iets dat van mij afhangt dan.…
—Het hangt geheel en al van u af, Admiraal.
—Dan is het zoo goed als toegestaan, en hebt ge mij slechts te zeggen waarin dat verzoek bestaat.
—Admiraal, gij hebt mij benoemd tot uw vlagofficier, niet waar?
—Dat is zoo, maar die benoeming is slechts tijdelijk geschied, in afwachting van de eerste de beste gelegenheid om je een kommando op te dragen.
—Houd het mij ten goede, Admiraal, doch ik zou er de voorkeur aan geven dat gij mij het kommando dat ge mij wel hebt willen toevertrouwen ontnaamt en mij de post van vlagofficier weder bij u liet bekleeden.
Montbars keek hem scherp aan en vroeg:—Welke reden drijft je tot dit verzoek?
—Mijn verlangen, Admiraal, om bij u te zijn in de ure des gevaars, in de hoop dat ik u in de hitte van den strijd eenigszins van dienst zal kunnen zijn.
Die woorden klonken zoo oprecht, en het gelaat van den jongen man was daarmee zoo geheel in overeenstemming dat Montbars er door werd getroffen.
—Goed,—sprak de Admiraal en bood hem de hand,—keer terug naar den Tijger en zeg aan uw eersten officier dat gij aan hem het gezag overdraagt. Kom dan hier terug, de betrekking van vlagofficier is steeds onbezet gebleven en kan dan weer door u worden vervuld.
—O! Admiraal, daarvoor betuig ik u mijn oprechten dank,—verzekerde Francoeur in vervoering.
—Luister nog even,—vervolgde Montbars,—breng dan tegelijk de koffers en kisten van donna Clara mee, ook zij behoort hier aan boord te komen, want niet al onze makkers munten altijd uit in hoffelijkheid, en op dit punt stel ik niet genoeg vertrouwen in uw opvolger, Alexandre IJzerarm, om haar met gerustheid dáár aan boord te laten.
Hij wenkte den jongen man vriendschappelijk toe en stapte daarop naar de kajuit waar donna Clara hem wachtte.
—Mevrouw, duid het mij, dit verzoek ik u dringend, niet ten kwade, dat ik u zoolang heb moeten laten wachten; had het van mij afgehangen, dan zou dit waarlijk niet zijn geschied.—Inmiddels had hij een zetel genomen en zich vlak tegenover haar geplaatst.
—Daarvan houd ik mij overtuigd, doch ik heb tijd te over.
—Te eer,—hernam Montbars,—daar ik u kom verwittigen dat gij niet meer naar den Tijger behoeft terug te keeren. Francoeur heeft afstand gedaan van het kommando over dien bodem, om, volgens zijne begeerte, weer de betrekking in te nemen die hij vroeger bij mij bekleedde. En nu heb ik gemeend, mevrouw, dat het voor u passender was om hier bij mij aan boord te blijven, dan te verkeeren op een schip waar gij niemand kent, en u dus zeer eenzaam en afgezonderd zoudt bevinden.
—Ik ben u zeer dankbaar voor die oplettendheid, mijnheer,—gaf zij met ontroering te kennen.
—Het is toch waarlijk iets van zoo weinig beduidenis, mevrouw, dat het zulk eene dankbetuiging niet verdient, en als u de kajuit waar wij nu zijn, bevalt, dan verzoek ik u die van nu af als uw bijzonder vertrek te beschouwen; uw trouwe en vertrouwde Birbomono kan een hut betrekken, vlak hier naast, zoodat hij ieder oogenblik te uwer beschikking blijft.
—Dat is waarlijk te veel goedheid, mijnheer.
—Toch niet, het is niet meer dan een staaltje van mijn plicht, doch dit daargelaten. Mag ik u thans verzoeken mij mede te deelen waarmeê ik u van dienst kan zijn?
—Mijnheer,—sprak zij met bevende stem,—zooals gij weet ben ik eene Spaansche, en gij, gij beoorloogt mijne landgenooten, nu verzoek ik u, wees niet altijd zonder eenige genade jegens hen.
Het gelaat van Montbars betrok eenigszins.
—Helaas, mevrouw! Ik durf verklaren dat het mij tot in de ziel grieft, maar wat gij mij vraagt is juist de eenige zaak waarin ik niet aan uw verlangen kan voldoen.
—Ach! Hebt gij dan waarlijk nog niet genoeg van dien vreeselijken naam van Montbars den Verdelger, waarmede uwe vijanden u bestempeld hebben!
—Mevrouw, het is ongelukkig genoeg in dit opzicht maar al te waar dat ik zelf in deze zaak eigenlijk niets te zeggen heb. De wetten van onze Vereeniging luiden stellig en bepaald, en ik moet mij daaraan onderwerpen even goed als al mijne broeders. Bij die wetten is het ons verboden aan de Spanjaarden genade te verleenen, of hen vrij te laten.
—Maar mijnheer, al uwe vrienden maken toch gevangenen.
—Dan moeten zij het voor zich weten te verantwoorden dat zij de wet verkrachten, ik voor mij zou dit niet kunnen, om de eenvoudige reden, dat die wetten door mij zijn gemaakt, en bijgevolg ik dus, meer nog dan een hunner, gehouden ben daaraan te gehoorzamen.
—Het zij zoo, mijnheer,—zuchtte zij,—dan zal ik niet langer er op aandringen. Gods wille geschiedde! Vergeet wat ik tot u gezegd heb, en vergeef mij dat ik het waagde op die manier tot u te spreken.
Montbars stond op, groette zeer beleefd en verliet de kajuit om zich weer naar het dek te begeven.
—O God!—snikte donna Clara, die haar hoofd in de handen verborg en half wanhopend op een zetel neerzonk.—O God! Ben ik nog niet zwaar genoeg gestraft voor eene misdaad waaraan ik onschuldig ben. Groote God! Welke smarten hebt Gij mij nog toebedacht, te midden van deze onverzoenlijke menschen!
Zij knielde voor een kruisbeeld door haar gehecht aan den wand van het schip en bleef verzonken in gebed; zoo ging voor haar de dag voorbij; toen Birbomono met een licht de kajuit binnentrad vond hij haar bewusteloos aan den voet van het kruis; hij nam haar op, lag haar in een hangmat en wendde de hulpmiddelen aan die door haar toestand werden vereischt. Donna Clara sloeg de oogen weer open, doch bleef zwak en moedeloos, de wanhoop had haar aangegrepen.
—Arme vrouw!—klaagde de mayordomo, die kort bij haar in de schaduw bleef zitten om zoo noodig haar verder hulp te bieden.
Den ganschen nacht bleef donna Clara zacht snikken en weenen; eerst tegen den morgen sliep zij in, overmeesterd door vermoeidheid. Toen stond Birbomono zeer behoedzaam op, en verliet de kajuit op de teenen loopend uit vrees dat hij zijne meesteres in haar slaap zou storen.
Kort daarna begon het te dagen, en het oogenblik naderde waarop groote gebeurtenissen zouden plaats grijpen, want, zooals de lezer zich zal herinneren was door Montbars gezegd, dat hij besloten had het Houtduifeiland aan te tasten. Den vorigen avond, tegen zonsondergang, was door Montbars eene lichte boot bestegen, bemand door twaalf matrozen, en zoo dicht mogelijk onder de kust gekomen, om, zelf onzichtbaar door de zware deining, met behulp van een verrekijker op te nemen wat aan wal voorviel. Hij had verscheidene zware booten bemerkt tot overladens toe bemand, die met kracht van riemen op het Houtduifeiland aanhielden; die booten waren langs het strand gaan liggen en hadden daar hunne passagiers ontscheept. Het gevaar niet achtende waar aan hij zich blootstelde door nog meer te naderen, het gevaar van ontdekt en gevangen te worden genomen, had Montbars, die zich zeer ongerust maakte over die heimelijke ontschepingen, aan zijne matrozen gelast om zoo dicht mogelijk naar het eiland te roeien.
Het mocht voor hem gelukkig worden geacht dat de zon onder gegaan en het vrij donker was, nu toch kon hij de verkenning zoo ver uitstrekken als hij dit noodig oordeelde. Toen bemerkte hij, door middel van een uitnemenden nachtkijker, dat al de aangebrachte personen, hoogst waarschijnlijk soldaten, zeer druk bezig waren den grond om te graven, en daaruit maakte hij op, wat ook werkelijk het geval was, dat hunne werkzaamheid bestond in het oprichten van verschansingen, die dienen moesten tot meerdere verdediging van het eiland. Die mannen waren dan ook de vijftig soldaten, door don Fernando d’Avila, onder bevel van kolonel don Santiago Tellez afgezonden, ter versterking van het garnizoen. De vrijbuiter was voldaan over wat hij te weten was gekomen, achtte het onnoodig nu nog langer daar te vertoeven, en haastte zich te laten wenden om zijn schip te bereiken, waar hij tegen middernacht aankwam. Dadelijk daarop werd Francoeur door Montbars naar de andere schepen gezonden, met last aan de gezagvoerders dat zij bij het aanbreken van den dag onder zeil moesten zijn, en in een halven cirkel op het eiland aanhouden, doch het aan het fregat overlaten in de voorhoede te blijven.
De Admiraal was tot het inzicht gekomen dat de Spanjaarden bekend waren met zijne aanwezigheid, en wilde hun den tijd niet laten den toegang tot de golf zoodanig te versterken dat het ondoenlijk zou worden die te forceeren; daarom besloot hij den aanval in linie te beproeven, en zich tot iederen prijs meester te maken van het Houtduifeiland, daar van het bezetten dier stelling, waardoor de ingang van de baai werd beheerscht, voor hem den goeden uitslag van de expeditie afhing.
Voor de Spanjaarden was het in waarheid een grootsch maar tevens geducht schouwspel, een vloot van vijftien schepen die bij het aanbreken van den dag als uit de golven scheen op te rijzen, naar de golf van Maracaïbo te zien koers houden; doch de in het fort geposteerde soldaten, waren allen kernachtige kerels aangevoerd door ervaren officieren; en ieder hunner was evenzeer bereid om het leven op te offeren. Met woede en toorn, maar ook met een gevoel van trots zelfs eenigermate van voldoening, zagen zij hun geduchte vijanden hunne versterkingen naderen, die vijanden voor wie zij zoo dikwerf het onderspit hadden moeten delven, en zij brandden van verlangen om eene schitterende weerwraak te nemen.
Toen de schepen op slechts enkele kabellengten van het eiland verwijderd waren, wendden zij, op een sein van het Admiraalsschip hunne zijden daarnaar toe en bleven stil liggen. Een vuurpijl die uit den wachttoren was afgestoken, diende tot waarschuwing aan het Spaansche garnizoen dat de vloot der vrijbuiters zich gereed maakte het kanaal van de golf te passeeren; de kanonniers werden dus met brandende lont bij hunne stukken geplaatst om op het eerste sein den doortocht die volkomen door het fort werd beheerscht, onder vuur te nemen. Er verliep een vrij langen tijd waarin, naar het scheen, niets door de vrijbuiters werd uitgericht. De Spanjaarden begrepen niets van eene dergelijke werkeloosheid en wisten niet waaraan die moest worden toegeschreven, doch op eens bemerkten zij dat van het fregat een boot werd afgezonden die, voorzien van een parlementaire vlag, met kracht van riemen op het eiland aanhield.
—Wat moet dat beteekenen?—werd door den vroegeren kommandant aan den kolonel gevraagd.
—Niet anders,—luidde het antwoord—dan dat die lieden dáár waarschijnlijk iets hebben voor te stellen.
—Zouden wij er over denken om met zulke ellendelingen te onderhandelen!—viel de officier woedend uit.—Dat zou eene schande van ons zijn! Ik ga dadelijk order geven die vervloekte boot in den grond te boren.
En reeds stond hij gereed om naar de dichtst bijzijnde batterij te gaan, doch haastig hield de kolonel hem tegen en zei:
—Doe dit vooral niet! Ik heb order ontvangen om het hier zoo lang mogelijk uit te houden, en dus is het zaak om hun tijd te doen verliezen, daardoor zal aan dit bevel veel beter voldaan worden.
—Neem u dan het gezag over, kolonel—gaf de ander verstoord ten antwoord,—want vive Dios! ik bedank er voor om met die bandieten praatjes te gaan houden.
—Goed,—uitte de kolonel,—ik neem de verantwoordelijkheid op mij. Waarlijk, het is nu het geschikte oogenblik niet om zich al te trotsch, en evenmin om zich licht geraakt te toonen. De hoofdzaak is nu, de stad te redden; laat mij dus mijn gang gaan.
—Doe zooals u goeddunkt, kolonel! Gij zijt buitendien ouder in rang dan ik, derhalve moet ik gehoorzamen.
De kolonel liet dadelijk op het fort een parlementaire vlag hijschen en tegelijkertijd gaf hij last een boot te bemannen. Toen de boot van de vrijbuiters op den afstand van een geweerschot bij het fort was gekomen, bleef die stil liggen en haalden de roeiers de riemen in. De kolonel was reeds in de boot gestapt, die hij had laten gereed maken, en zoodra hij bemerkte dat de vrijbuiters niet verder kwamen, liet hij op hen aanroeien. De beide booten waren weldra niet verder dan een pistoolschot van elkaar. Montbars, die zich persoonlijk in de boot der vrijbuiters bevond, stond op, nam zijn hoed af en sprak:
—Heb de goedheid, señor, langs zij aan te leggen. Ik geef mijn woord tot pand, dat gij van onze zijde noch bedrog noch verraad te wachten hebt.
—Wie of wat is mij daarvoor een waarborg?—vroeg de kolonel.—Ik ben de Gouverneur van het fort.
—En ik de Admiraal van de vloot,—antwoordde Montbars.—Ten overvloede ziet gij dat hier in mijn boot niet meer zijn dan vier ongewapende matrozen, terwijl gij vergezeld zijt door twintig goed gewapende manschappen. Wij zouden dus veeleer reden hebben voor u bevreesd te zijn.
—Gij hebt gelijk,—erkende de kolonel en gelastte den bootsman:—Ga langs zij liggen.
De twee booten kwamen boord aan boord. Montbars greep den rand van het grootere vaartuig om het tegen te houden, en wipte met vluggen sprong er over heen, om dadelijk naast den kolonel plaats te nemen. Werkelijk was de flibustier ongewapend.
—Gij ziet, caballero, dat ik u voorga met een blijk van vertrouwen.
—Señor,—antwoordde de kolonel op waardigen toon.—Gij zijt thans onder de hoede van de Castiliaansche eer.—Montbars beantwoordde dit met eene hoffelijke buiging.
—Door u wordt eene bijeenkomst verlangd, señor,—vervolgde de kolonel.—Mag ik u verzoeken mij daarvan verklaring te geven.
—Voor die verklaring, caballero, zijn een paar woorden voldoende. Ik verlang eenvoudig van u de overgave van het fort.
De kolonel begon te lachen en zei:—Op mijn woord dat klinkt kort en bondig, en gij valt met de deur in het huis, zooals men wel eens zegt.
—Dat is mijne gewoonte, caballero. Mag ik u nu op mijn beurt verzoeken, daarop te antwoorden.
—Señor, ik zal uw voorbeeld volgen en heb voor dat antwoord slechts één woord noodig: Nooit!
—Dan moet ik u onder het oog brengen, mijnheer, dat het nestige fortje waarover gij het bevel voert, geen weerstand kan bieden aan de geduchte overmacht waarmee het zal worden aangevallen.
—Dat is iets, mijnheer, wat alléén mij aangaat. Dat nestige fortje, zooals gij het gelieft te noemen, is aan mij toevertrouwd. Zoo ik er niet in slaag om het te behouden, dan zal ik bij de verdediging sneuvelen, zóó als het een krijgsman past.
—En waarlijk, señor, dat zal een roemrijke dood zijn, doch … geheel nutteloos.
—Dat blijft de vraag, señor. Daarbij gij zijt niet bekend met den staat onzer middelen tot verdediging.
—Toch wel, minstens even goed als gij zelf. Denk nog eens aan graaf de l’Atalaya en zie mij nu goed aan,—en na die woorden nam hij zijn hoed af en streek te gelijk zijn haar naar achter.
—Hoe is het mogelijk!—liet de verbaasde kolonel zich ontvallen.
—Dat was ik, mijnheer, ik! Brengt die ontdekking geen wijziging in uwe plannen?
—Volstrekt niet, señor! Mijn besluit blijft even vast.
—Luister nu kalm en bedaard,—voegde Montbars hem toe op verzoenenden toon.—Gij zijt een dapper man, maar waarom laat gij u drijven door overdreven trots en valsch eergevoel om het onder uw bevelen geplaatste garnizoen nutteloos op te offeren? Ik geef er u mijn woord op, dat ik u in staat zal stellen eervol te capituleeren.
—Ik heb u reeds gezegd, dat mijn besluit vast en onveranderlijk blijft.
—Is dat uw laatste woord?
—Het laatste,—werd kortaf door den kolonel geantwoord.
—Dat dan uw noodlot vervuld worde, doch gij zijt verantwoordelijk voor al het bloed dat vergoten zal worden!
—Daarover laat ik met gerustheid het oordeel aan God! Ik vertrouw op Zijn almacht en goedheid!
—Dat Hij u dan ter hulp kome, want dat is de eenige uitkomst die u overblijft. Vaarwel, señor! Binnen een kwartier laat ik met de vijandelijkheden een aanvang maken.
—Wij zullen trachten, señor, u warm te ontvangen.
De beide heeren groetten elkaar beleefd. Montbars stapte weer in zijn boot, die terstond afstak en naar het fregat werd geroeid, terwijl de kolonel haast deed maken om zoo spoedig mogelijk aan wal te komen.
—Welnu?—vroeg de Gouverneur toen de kolonel op het fort was gekomen. De kolonel trok zijn degen en zei:
—Heeren, maakt u gereed voor het gevecht en vergeet niet dat wij te doen krijgen met mannen die nooit kwartier geven.
Iedereen spoedde zich naar zijn post, vast besloten niet te kort te schieten in de vervulling van zijn plicht. Wij moeten hier nog even opmerken, dat de laatste handeling van Montbars, een handeling die geheel en al in strijd was met de gewoonten van den vermaarden vrijbuiter, alleen het gevolg was van de dringende bede van donna Clara; toch moeten wij er als in één adem bijvoegen, dat hij, toen hij zijn toestemming daartoe gaf, wellicht een geheim voorgevoel had dat daarvan toch niet het minste resultaat te verwachten was.
Nauwelijks was de Admiraal aan boord terug, of er werden met de vloot verscheidene signalen gewisseld en zeer kort daarna kon men gewaar worden dat tal van zwaar bemande booten de schepen verlieten, en zich langzaam naar wal richtten. Dat eskadertje bestond uit vijfentwintig barkassen, bemand met ongeveer vijfhonderd man en was bestemd om eene landing te beproeven. Montbars, Morgan en de voornaamste gezagvoerders, voerden het aan. De Spanjaarden lieten de booten tot onder geweerschot naderen. Plotseling schoten de kanonniers hunne stukken af, en het eskader werd begroet met een hagelbui van kruit. De vrijbuiters beantwoordden dit vuur niet; rustig roeiden zij voort, onder het zingen van een statig lied wat altijd hunne gewoonte was, en zonder zich in het minst te bemoeien met hunne makkers, die door een schot mochten getroffen zijn. Ten tweede male werden de stukken gelost en onmiddellijk volgde daarop het derde vuur.

—Voorwaarts!—bulderde toen Montbars; hij trok zijn zwaard en sprong in zee.—Blz. 173.
—Voorwaarts!—bulderde toen Montbars, trok den degen en sprong in zee.
—Voorwaarts! Voorwaarts!—herhaalden de vrijbuiters die ook uit de barkassen sprongen, en hem volgden, zonder er over te denken of zij dicht genoeg bij den wal waren om grond te voelen. De Spanjaarden verdubbelden hun vuur; de avonturiers bereikten het strand, en ijlden naar de palissaden die, met aarde bedekt, den vijand als voorposten dienden. De vervoering van de aanvallers was onwederstaanbaar; de palissaden werden in één oogwenk uit den grond gerukt of verbroken; de Spanjaarden overhoop geworpen en vertrapt of gewurgd; de vluchtenden, met het zwaard in de hand, achterna gezeten en op zulk een korten afstand vervolgd dat Franschen en Spanjaarden te gelijker tijd het fort binnen stormden. De vrijbuiters wierpen zich onmiddellijk op de kanonniers, doodden hen bij hunne stukken, zonder hen tijd te laten die nog eens af te vuren, en keerden de mond der kanonnen terstond naar de vluchtende soldaten, die nu door het schroot als weggemaaid werden.
De vrijbuiters hadden het Houtduifeiland bemachtigd, en de toegang tot het meer was dus nu vrij. Naar de vloot werd dadelijk het verkregen resultaat overgeseind, terstond werden de zeilen gesteld en zette men koers naar het meer om zoo dicht mogelijk onder de stad te komen. Aan slechts enkele soldaten gelukte het te ontkomen, al de overigen werden zonder genade gedood. De vrijbuiters vonden in het fort veertien kanonnen van zwaar kaliber, wapens, kruit en eene aanzienlijke hoeveelheid levensmiddelen van allerlei aard.
Door de bemachtiging van het fort was het goede succes van de expeditie verzekerd, de val van de overige steden aan het meer moest onvermijdelijk volgen, en het was alleen de vraag of dit na korten of langeren tijd zou geschieden.
Zooals de kolonel aan don Fernando d’Avila had beloofd, had hij zich zoolang mogelijk staande gehouden, doch was na dapperen strijd aan de spits van het garnizoen gesneuveld. Die dood mocht roemrijk genoemd worden, doch bleef bijna volslagen nutteloos, want het fort was binnen een uur tijds overmeesterd.