IV. BERAADSLAGING.
Reading edition
Het pad dat de vrijbuiters volgden liep langs de rivier. Van die ontzaglijke menigte kaaimannen in den afgeloopen nacht vóór den ingang van het meer verzameld, waren nu slechts weinigen overgebleven; verscheidene sliepen aan den oever, of warmden zich in de zon en wentelden zich in het slijk; anderen zwommen heen en weer, zonder bepaalde richting. Maar één van die alligators, een kaaiman van bijzondere grootte, die met den stroom meezwom en op afgrijselijke manier schreeuwde en brulde, trok zeer de aandacht der vrijbuiters; een vast aaneengesloten groep van minstens een honderdtal jonge kaaimannen volgde in het zog van dit monster, dat hun moeder of beter gezegd hun beschermster was. Zwemmend vormden zij eene lange colonne die noch te rechter noch te linkerzijde afweek. Al die kleine dieren schenen van denzelfden leeftijd, hadden eene lengte van ongeveer vijftien centimeter, waren zwart met schuinsche strepen of donker gele vlekken, en hadden wat de kleur betreft veel van ratelslangen. De moeder of aanvoerdster stootte voortdurend dreigende geluiden uit, en de kaaimannen die in de rivier rondspartelden, haastten zich om haar niet in haar vaart te belemmeren daar zij er blijkbaar weinig trek in hadden met haar in gevecht te komen.
Steeds langs den oever voortloopende, bespeurden de vrijbuiters bij eene kromming van de rivier een groot aantal heuveltjes, of pyramiden, het best te vergelijken met hoopen hooi, en als eene rij tenten langs de oevers der rivier opgesteld. Die heuveltjes stonden acht tot tien vademen van het water af, en staken ongeveer vier voeten rechtstandig daar boven uit. Verscheidene groote alligators zwommen kort in den omtrek. Het waren niet anders dan krokodillen-nesten, de meesten reeds verlaten, terwijl men er om heen op den grond groote witachtige schalen zag liggen afkomstig van de gebroken eieren.
Hoeveel haast de vrijbuiters ook mochten hebben om de brigantijn te bereiken, toch konden zij hunne in hooge mate opgewekte nieuwsgierigheid niet bedwingen, en daarom besloten zij naar die nesten te gaan, om die nader te onderzoeken, daar zij meermalen er over hadden hooren vertellen, doch geen van hen er ooit een had gezien.
Het resultaat van dit onderzoek was het volgende:
Die nesten of heuveltjes hebben den vorm van een afgeknotten kegel, vier voeten hoog en aan de basis vier tot vijf voeten in doorsnede, en zijn samengesteld uit slik en gras. Het dier gaat bij de vervaardiging op de volgende wijze te werk: Eerst maakt het op den grond een laag gras en slijk, legt daarop een rij eieren, bedekt die vervolgens weer met een laag van zes tot acht centimeters dikte, legt daarop wederom een rij eieren en zoo vervolgens tot bijna aan den top van den kegel. Ieder nest bevat dan van honderd tot tweehonderd eieren. Waarschijnlijk worden die door de hitte der zon uitgebroed, doch het zou ook kunnen wezen dat de plantaardige bestanddeelen vermengd met slijk, waaruit die nesten bestaan, onder den invloed der zonnewarmte overgaan tot eene soort van gisting, en dat daardoor de voor de broeding noodige warmte ontstaat. Ik laat het aan de geleerden over om hierover uitspraak te doen.
In den omtrek van verscheidene bunders, rondom deze nesten, droeg de grond onmiskenbare sporen dat daar kaaimannen aanwezig geweest waren. Het gras was overal platgedrukt, en de aarde vast gestampt, en er was bijna geen plant of struik meer te bekennen, terwijl verder op het gras zeer dik en vijf, op sommige plaatsen zelfs zes voet hoog stond. Het kan als zeker worden aangenomen dat het wijfje met de meeste zorg haar nest bewaakt tot de eieren zijn uitgekomen, en het zou ook wel mogelijk zijn, dat zij daarna al de jongen die tegelijkertijd uitkomen, zoowel van haar eigen nest als van die van anderen onder haar bescherming neemt; dit ten minste is stellig dat die kleine kaaimannetjes nooit zonder toezicht blijven. Wij moeten hier nog opmerken dat de liefde van die moeders voor de kleinen even groot is als die van de kloekhen voor hare kuikens; zij zijn even oplettend als deze en even bereid te allen tijde de kleinen die aan hare zorgen worden toevertrouwd te beschermen of te voorzien van het noodige voedsel; en als die beestjes uit het water komen om zich in de zon te warmen, dan hoort men hen schreeuwen en roepen, juist zooals de kuikens doen.
Hoogstens een zesde van een broedsel en gewoonlijk nog minder wordt volwassen, want de groote krokodillen zijn er zeer opgesteld om de kleine op te peuzelen, zoolang die nog niet in staat zijn zich te verdedigen.
De Amerikaansche krokodil, kaaiman of alligator is tegenwoordig te algemeen bekend, dan dat wij die in het breede behoeven te beschrijven. Wij willen ons dus bepalen tot de mededeeling, dat het dier tot vollen wasdom gekomen kolossaal groot is, eene verbazende kracht heeft en onbegrijpelijk vlug en vaardig is bij al zijne bewegingen in het water; de gemiddelde lengte bedraagt ongeveer twintig voet, doch er zijn er die twee-en-twintig soms zelfs drie-en-twintig voet lang worden. Hun gebrul is angstwekkend om aan te hooren, vooral in de lente dat de paartijd is; het gelijkt op het gerommel van den donder in de verte.
Een der oudste kaaimannen is gewoonlijk de alleenheerscher van ieder klein meer of moeras; al zijn er ook vijftig andere, net zoo sterk als hij, bijeen, zoo wagen zij het niet te brullen dan alleen in de naburige kleine kreken. Als de kaaiman te voorschijn komt van onder de struiken of het riet waar hij zijn schuilhoek heeft, vertoont hij zich in zijn volle lengte aan de oppervlakte van het water, en neemt in rechte lijn de richting naar het midden. Aanvankelijk is daarbij zijne snelheid bijzonder groot, maar van lieverlede vermindert die tot hij in het midden van het meer komt, daar houdt hij stil; dan zuigt hij door zijn bek lucht en water op, zoodat hij opzwelt, waardoor uit zijn borst een snijdend scherp gefluit dringt dat bijna een minuut aanhoudt; maar dat water, met geweld teruggedrongen, spuit kort daarna met groot geraas uit zijn bek en neusgaten en vormt een damp zoo dik als rook. Tezelfder tijd steekt het monster zijn staart in de hoogte en geeselt daarmeê het water. Soms ook wanneer hij tot berstens toe opgezwollen is, heft hij zoowel den kop als den staart op en draait in vliegende vaart rond bijna met het water gelijk.
In dergelijke omstandigheden vervult de kaaiman, de koning van het water, als het ware de rol van een Indiaansch opperhoofd, die eene voorstelling geeft van een zijner gevechten; daarna zwemt hij langzaam terug en laat de plek vrij aan anderen die het durven wagen zich te vertoonen, en hun best doen elkaar te overtreffen om zoodoende de aandacht te trekken van het wijfje dat bijna altijd bij dit spel tegenwoordig is, schijnbaar zonder daarin het geringste belang te stellen. Dit zijn nagenoeg de meest kenmerkende eigenaardigheden van die geduchte halfslachtige dieren (amphibiën).
Ten laatste was de weetgierigheid der vrijbuiters ten opzichte van die nesten voldaan en vervolgden zij hun tocht langs den oever van de rivier stroomopwaarts; eindelijk kwamen zij aan den zoom van een prachtig bosch, laurier- en oranjeboomen en hielden daar bijna een uur lang halt, zoowel om wat uit te rusten, als om de ergste hitte van den dag te laten voorbijgaan. Op dien tijd van den dag heerscht over de woestijn een indrukwekkend stilzwijgen; men hoort dan letterlijk niets dan het onophoudelijk suizen van millioenen muskieten, die spiraalsgewijze boven het moeras rondzweven. Na eenigszins uitgerust en verfrischt te zijn onder dit verrukkelijke lommer, stonden de vrijbuiters na een wenk van Philippe op, en begaven zich weer op weg, nu echter verwijderden zij zich van de rivier en drongen in het bosch, dat zij in rechte lijn doortrokken.
—Zouden wij er haast zijn?—vroeg Montbars, nadat zij reeds bijna een uur geloopen hadden.—De dag loopt zoetjes aan ten eind, en ik vrees dat ge wellicht verdwaalt zijt, vriend.
—Daarvoor behoeft ge niet te duchten; wij houden nu recht aan op de kust en zullen binnen een uur aan boord zijn.
—Nu, ik voor mijn part zal daar niet tegen hebben, want ik ben nooit meer geweest dan een zeer middelmatig voetganger, en zoo’n tocht over paden die op zijn best gebaand zijn, daar heb ik verbazend het land aan.
—He! Kijk eens naar Monaco,—zei Philippe,—die heeft de lucht gekregen van onze schildwachten; dan zijn wij reeds dichter bij dan ik dacht.
Het was zoo, de patrijshond was onrustig geworden, het dier liep kwispelstaartend heen en weer en blafte kort en afgebroken doch kennelijk van genoegen.
—Werda!—werd plotseling geuit door de krachtige stem van een man, nog onzichtbaar daar hij zich achter de boomen verborgen hield. Tegelijkertijd hoorde men dat de haan van een geweer werd overgehaald. Philippe haastte zich om dien aanroep te beantwoorden.
—Vrienden! Broeders der Kust!
Terstond daarop werden de takken uiteengeschoven en kwamen verscheidene vrijbuiters te voorschijn. Men was dus aangekomen. Zoodra zij Montbars gewaar werden, Montbars door al de Broeders der Kust zoo geliefd en gewaardeerd, snelden zij naar hem toe en verwelkomden hem met vreugdegejuich. Op een wenk van Philippe kwamen allen weer tot kalmte en stilte, en sloeg men de richting in naar de brigantijn, die zij spoedig in het oog kregen, geankerd midden in eene nauwe, ondiepe kreek, verscholen achter een zwaar gordijn van boomen, zoodat het onmogelijk was van den zeekant het schip gewaar te worden.

—Kijk eens naar Monaco,—zei Philippe,—die heeft de lucht gekregen van onze schildwachten.—Blz. 32.
Het was een flink vaartuig, hoogstens driehonderd ton metend, licht, fijn en slank van vorm, hoog op het water, en dat als de wind goed in zijne zeilen viel, door het water heen moest snijden met verwonderlijke vaart.
Montbars en Philippe stapten in een boot en lieten zich naar boord roeien. Zoodra de vermaarde vrijbuiter den voet op het dek van het vaartuig zette, bemerkte hij met een glimlach van voldoening dat het evenzeer geschikt was om den strijd te aanvaarden als dien ijlings te ontwijken, al naar mate de omstandigheden eischten. Bij Philippe aan boord heerschte strenge tucht, alles was er geregeld, alles goed en netjes in orde, en dit waren zaken, die op de schepen der flibustiers tot de zeldzaamheden behoorden. De beide zeelieden daalden naar de kajuit af, en namen daar tegenover elkaar plaats op rolstoelen. Op last van Philippe verscheen een aardige kleine scheepsjongen van twaalf jaren met een guitig en slim gezicht, om voor hen eenige verfrisschingen gereed te zetten waarna de knaap vertrok.
—Zoo, zoo,—begon Montbars terwijl hij voor zich een glas oranjewater gereed maakte,—naar ik zie hebt ge den zoon van Meursel in dienst genomen.
—Ja, de arme kleine duivel was na den dood van zijn vader zoo geheel en al verlaten; hij stierf half van honger, en toen heb ik hem opgenomen.
—Dat was een goede daad, maar buitendien heeft die kleine snaak een zeer goed uiterlijk, hij schijnt opgeruimd, en zoo fijn als een zijden draad.
—Dien naam hebben wij hem ook juist gegeven en hij beantwoordt daaraan in alle opzichten.
—Dat dunkt mij ook,—beaamde Montbars.
Hij dronk, liet de tong tegen het verhemelte klappen, zette niet al te zacht zijn glas op tafel neer, keek zijn overbuur vlak in het gezicht en hernam:
—Dat alles is zeker heel belangrijk, maar zullen wij nu over iets anders praten?
—Zeer gaarne, maar waarover?
—Over de wijze waarop wij in de stad Maracaïbo zullen komen, en over onze gedragslijn gedurende den tijd dat wij onder de gavachos moeten vertoeven. Vindt ge dit onderwerp interessant genoeg?
—Zeer zeker, maar ik durfde daarmee zonder je toestemming niet beginnen.
—Die schenk ik je gaarne, spreek op, vriendlief, ik luister.
—Rondweg moet ik je bekennen, waarde Montbars dat ik niet veel vindingrijkheid bezit. Veel aangenamer zou het mij dus wezen zoo gij je de moeite wildet geven een plan te ontwerpen en mij dit uit te leggen; dan heb ik niet anders te doen dan dit te volgen, en op die manier zou deze zaak voor mij zeer worden vereenvoudigd.
—Ge denkt te gering over je zelven, vriendlief,—merkte Montbars aan met een ietwat spotachtig lachje,—doch zoo ge er op staat, en ook om verder geen tijd te verspillen aan ijdele plichtplegingen, wil ik aan je verlangen voldoen en aan je oordeel een plan onderwerpen dat reeds door mij gemaakt is; een plan trouwens waarover wij te zamen moeten beraadslagen.
—Best! Op uwe gezondheid!
De twee zeelieden klonken met elkaar, dronken de glazen tot den laatsten druppel leeg, en toen nam Montbars het woord.
—Mag ik vrij uit en zonder de minste achterhoudendheid spreken?—vroeg hij met uitvorschenden blik.
—Ik verzoek je dit zelfs zeer dringend.
—Op uw woord?
—Wis en waarachtig, Montbars!—verklaarde de jonge man hartelijk, terwijl hij hem de hand toestak die door den vrijbuiter welgemeend werd gedrukt.
—Goed, dan meen ik te mogen vertrouwen dat wij het wel met elkaar eens zullen worden.
—O! Daarvan ben ik overtuigd!
—Stellen wij dan eerst de feiten vast.
—Niets liever dan dat.
—Gij en ik, wij beiden beoogen éénzelfde doel, welke drijfveeren ons daartoe ook mogen voeren, en dat doel is, de inneming van Maracaïbo, niet waar?
—Zoo is het!
—En dat doel willen wij bereiken, tot iederen prijs.
—Tot iederen prijs!—herhaalde Philippe.
—Goed zoo! Op die manier wordt de zaak heel wat eenvoudiger. Ik heb je beloofd openhartig te zullen zijn, nu zal ik daaraan voldoen, luister dus goed toe. Ge hebt mij niet den geringsten voorslag gedaan, ik ben dus noch je vertrouwde, noch je medeplichtige en ik ben daarom tegenover jou geheel vrij in al mijn handelingen. Stem ge dat toe?
—Volkomen, Montbars.
—De eenige drijfveer die je, naar mijne meening, in deze omstandigheden tot handelen aanvuurt is de begeerte om eene vrouw terugtevinden en haar te schaken. Val mij nu niet in de rede,—liet hij er op volgen en strekte den arm naar hem uit.—Dus is die drijfveer de liefde, met andere woorden, een hartstocht. Ge zult het met mij eens zijn dat de hartstocht geen berekening kent; hij beheerscht en sleept mee, en het gevolg daarvan is meestal het verderf van hem of haar wie hij overmeesterd heeft. Ge bemerkt dat ik koel en logisch redeneer, doch dit moet, want de zaak is van hoogst ernstigen aard, en vereischt dat wij zorgvuldig alle hulpmiddelen overwegen die ons door inzicht en verstand aan de hand worden gedaan.
—Vervolg, vervolg, waarde vriend, ik luister met aandacht, er ontgaat mij geen woord van hetgeen je mij zegt.
—Nu kom ik tot deze gevolgtrekking. De leiding van de gansche expeditie moet aan mij en uitsluitend aan mij verblijven; ik behoud altijd en in alles het recht om naar eigen goedvinden te handelen. Gij van uw kant daarenboven doet er een eed op dat ge mij onbepaald zult gehoorzamen. Hebt ge bezwaar tegen zulk een eed? Denk er goed over na, en antwoord dan.
—Montbars,—werd door Philippe op ernstigen toon ten antwoord gegeven,—ik erken de waarheid van alles wat door je is aangevoerd, en aarzel geen oogenblik om den door jou gevergden eed af te leggen. Ik zweer dus je in alles te zullen gehoorzamen, zonder er zelfs ooit aan te denken om je rekenschap te vragen van je handelingen.
—Dat is mij een bewijs, Philippe, dat ik mij te uwen opzichte niet bedrogen heb en ge in werkelijkheid zijt de man van wien ik steeds en zoo gaarne heb gehouden. Maar wees gerust, beste vriend, ge kunt er op aan dat ik geen misbruik zal maken van de mij verleende macht, integendeel, ik zal die steeds aanwenden in ons wederzijdsch belang, want even zeer, ja, misschien nog meer dan jij, haak ik er naar onze pogingen met een goeden uitslag bekroond te zien. Luister nu naar hetgeen dat, mijns bedunkens, door ons moet worden gedaan. Gij hebt gezegd dat ge in het bezit zijt van de noodige papieren, niet waar?
—Ja, dat heb ik.
—Best. Zoek nu of er onder die papieren wellicht een is, dat kan dienen als bewijs dat men de een of andere aanzienlijke betrekking bekleedt, bijvoorbeeld van het hooge gerechtshof of iets dergelijks.
Philippe stond op, en deed met een sleutel, die aan een stalen kettinkje om zijn hals hing een koffertje open, dat in een hoek van de kajuit stond; hij haalde daaruit een gansche hoop bescheiden die hij ijverig begon te doorsnuffelen. Kort daarop zei hij:—Zie eens, ik geloof dat ik daar iets vind, dat ons juist van pas zal komen. Hier hebt gij,—en bij die woorden stelde hij hem verscheidene geelachtige perkamenten ter hand—familie documenten van zekeren graaf de l’Atalaya; die graaf de l’Atalaya is een paar weken geleden gesnapt aan boord van een Spaansch schip op de hoogte van Jamaïca.
—Waar kwam hij van daan?
—Uit Spanje.
—Dat treft goed. En wat is er van hem geworden?
—Hij is gestorven aan de wonden, die hem tijdens de entering waren toegebracht; het schijnt dat hij zich met leeuwenmoed verdedigd heeft, zoo ten minste werd mij verteld door Pierre Legrand, die het kommando had over het vrijbuiters-schip dat het Spaansche vaartuig overmeesterde.
—Dat treft waarlijk hoe langer hoe beter! Wij moeten die stukken eens wat nader onderzoeken.—Vluchtig doorliep hij die documenten en vervolgde toen:—Die graaf don Pacheco de l’Atalaya begaf zich naar Mexico, als afgevaardigde van het Spaansche gouvernement, tot onderzoek van verduisteringen gepleegd door intendanten en ter opneming hunner rekeningen, met de meest uitgebreide volmacht, zoodat hij hen zelfs desgevorderd kon doen arresteeren en naar Spanje opzenden. Hier heb je zijne benoeming tot buitengewoon Opper-intendant,—daarna las hij dat stuk geheel voor, en hernam toen,—dit pakket brieven met een lint samengebonden bevat de koninklijke bevelschriften met het gewone onderschrift Ik, de Koning, gericht aan al de Onder-Koningen, Intendanten, Adelantados en Gouverneurs der Spaansche bezittingen. Heerlijk! Heerlijk! Ge zoudt geen betere vondst hebben kunnen doen! Dit zijn, zooals ge reeds gezegd hebt, beste vriend, juist de papieren, die wij noodig hebben, en het is onnoodig er nog verder in te zoeken. Luister nu goed. Ik treed op als die graaf, en noem mij dus graaf don Pacheco de l’Atalaya, buitengewoon gezant van Zijne Majesteit Koning Filips IV; gij, gij wordt don Cardenio Figueroa, mijn geheim secretaris; beide die namen en hoedanigheden worden vermeld in de documenten die ik hier voor mij heb. Weet ge wellicht ook wat er van dien Cardenio geworden is?
—Pierre Legrand heeft hem aan Zwartkop verkocht.
—Zoo, dan kunnen wij ook wat hem betreft gerust zijn, want al is hij niet dood dan scheelt dit toch niet veel, wij beiden, gij en ik, weten hoe onze vriend Zwartkop zijne pandelingen behandelt. Spreekt Zijden-Draad Spaansch?
—Als een Castiliaan!
—Ook al goed! Dan wordt hij mijn page en krijgt tot naam, Lopez Cardenas. Nu moeten wij nog drie bedienden kiezen, iemand van mijn rang en stand kan het niet minder stellen. Als zoodanig moeten optreden Tributor, Pitrians en Luiwammes, en gij moet er voor zorgen dat de taak die ik hun eerst had opgedragen aan drie andere daarvoor bekwame en goed berekende personen wordt opgedragen. Zij met hun drieën zijn genoegzaam bekend met het Spaansch en bovendien, flinke ferme kerels op wien wij, zoo dit noodig mocht wezen, gerust staat kunnen maken.
—En daarbij komt nog,—werd door Philippe aangemerkt,—dat het dan voor ons onnoodig wordt naar vreemde bedienden om te zien, en wij verzekerd zijn dat ons geheim trouw verzwegen zal worden.
—Dat alles blijft dus afgesproken. Nu hebben wij verder niets te doen dan van kleeren te verwisselen, goud genoeg bij ons te steken en …
—Een oogenblikje,—viel Philippe op eens in.—Gij vergeet onze bagage; hoe moet die vervoerd worden?
Montbars lachte hartelijk en hernam:—Hoe komt ge er toe om mij voor zoo’n bagatel in de rede te vallen! Geef maar order om onder zeil te gaan. Tien of twaalf mijlen oostwaarts ligt een armzalig dorp, eertijds gesticht door Fernando Cortez doch thans verlaten, daar zullen wij alles vinden wat wij noodig hebben. Begrijpt ge mij nu?
—Drommels goed!
—Zoodra wij ontscheept zijn, moet uw schip onder zeil gaan om hier weer te ankeren, dan hebben wij het altijd te onzer beschikking.
Een half uur later was de schooner onder zeil.