Waarin men twee dichtregels zal lezen, die misschien van den duivel zijn.
Reading edition
Voor wij verder gaan is ’t noodig, eenigszins omstandig een zonderling feit te verhalen, ’t welk te zelfder tijd te Montfermeil plaats had en misschien niet zonder invloed was op zekere gissingen van het openbaar ministerie.
In de omstreken van Montfermeil bestaat een zeer oud bijgeloof, te vreemder en merkwaardiger, wijl een volksbijgeloof in de nabuurschap van Parijs als een aloë in Siberië is. Wij behooren tot degenen die achting voor zeldzame planten hebben. Het bijgeloof van Montfermeil bestaat hierin: sinds onheugelijke tijden gelooft men, dat de duivel de bosschen kiest om er zijn schatten te begraven. Oude vrouwen beweren dat het niet zeldzaam is tegen den avond, in afgelegen hoeken van het bosch, een zwarten man te ontmoeten, die het voorkomen van een voerman of houthakker heeft, met klompen aan de voeten, gekleed in een linnen broek en kiel, en herkenbaar aan twee groote hoorns, in plaats van muts of hoed op het hoofd. Inderdaad, dit moet hem wel kenbaar maken. Deze man is gewoonlijk bezig met een kuil te graven. Men kan zich op drieërlei wijze bij zulk eene ontmoeting gedragen. Vooreerst, door tot den man te gaan en hem aan te spreken. Dan ziet men dat de man eenvoudig een boer is, dat hij zwart schijnt, omdat het avond is, dat hij volstrekt geen kuil graaft, maar gras voor zijn koeien snijdt, en dat zijn gewaande hoorns niets anders zijn dan een mestvork, die hij op den rug draagt en wier tanden, op een afstand gezien, uit zijn hoofd schijnen te komen. Men gaat naar huis en sterft binnen een week. De tweede wijze is, hem gade te slaan, te wachten tot hij zijn kuil gegraven, dien weder dicht gemaakt heeft en heen is gegaan: dan haastig naar den kuil te loopen, dien te openen, en den „schat” er uit te halen, dien de zwarte man er noodwendig heeft in gelegd. In dat geval sterft men binnen een maand. Eindelijk de derde manier is, den zwarten man niet toe te spreken, hem niet aan te zien en zoo snel mogelijk weg te loopen. Men sterft dan binnen een jaar.
Aangezien alle drie manieren hare bezwaren hebben, wordt de tweede, die ten minste eenige voordeelen biedt, onder anderen dat van—al is het slechts gedurende een maand—een schat te bezitten, het meest gevolgd.
Naar men verzekert hebben stoutmoedige mannen zich dikwijls door de kans laten verlokken, om de door den zwarten man gegraven kuilen weder te openen en den duivel te bestelen. Het schijnt dat de uitkomst weinig bevredigend is. Ten minste zoo men de overlevering mag gelooven, en inzonderheid de beide raadselachtige versregels in barbaarsch Latijn, omtrent deze zaak nagelaten door een Normandischen monnik, die min of meer toovenaar was, Tryphon geheeten. Deze Tryphon is in de abdij van St. Georges de Bocherville bij Rouaan begraven en op zijn graf worden padden geboren.
Men doet dus groote inspanningen; deze kuilen zijn gewoonlijk zeer diep; men zweet, delft, werkt den geheelen nacht, want dit geschiedt ’s nachts; het hemd wordt nat, de kaars verbrandt, de spade wordt bot, en wanneer men op den bodem van den kuil is gekomen, wanneer men de hand op den „schat” legt, wat vindt men? wat is de schat van den duivel? een stuiver, soms een kroonstuk; een steen, een geraamte, een bloedend lijk, vaak een spook als een blad papier in een portefeuille in vieren gevouwen, soms niets. Dit schijnen de versregels van Tryphon den onbescheiden nieuwsgierigen aan te kondigen:
Fodit, et in fossa thesauros condit opaca,
As, nummos, lapides, cadaver, simulacra nihilque.
’t Schijnt dat men er in onze dagen ook nu eens een kruithoorn met kogels, dan weder een oud, smerig en gebrand spel speelkaarten vindt, dat duidelijk den duivels heeft gediend. Tryphon spreekt van deze beide dingen niet, wijl Tryphon in de twaalfde eeuw leefde en de duivel niet zoo leep schijnt geweest te zijn het buskruit vóór Roger Bacon en de speelkaarten vóór Karel VI uitgevonden te hebben.
Overigens is men zeker, dat, zoo men met deze kaarten speelt, men alles verliest wat men bezit; en het buskruit in den hoorn heeft de eigenschap, dat het u ’t geweer in ’t gezicht doet springen.
Korten tijd nu, na het aan ’t openbaar ministerie geschenen had, dat de ontslagen galeislaaf Jean Valjean, gedurende zijn korte vlucht van weinige dagen, om Montfermeil had gezworven, merkte men in dit dorp op, dat een zekere oude wegwerker, Boulatruelle geheeten, druk het bosch bezocht. Men meende in het oord te weten, dat Boulatruelle in het bagno was geweest; hij was eenigerwijs onder toezicht der politie, en wijl hij nergens werk vond, gebruikte het bestuur hem tegen verminderd loon als wegwerker aan den binnenweg van Gagny naar Lagny.
Deze Boulatruelle was een man, die door de lieden van het dorp schuins werd aangezien; hij was al te onderdanig, te deemoedig, te gereed om voor ieder de pet af te nemen, bevende en glimlachende tegen de gendarmes, en stond, meende men, waarschijnlijk met dievenbenden in betrekking, en in verdenking van zich ’s avonds in ’t kreupelhout in hinderlaag te leggen.
Men meende ’t volgende te hebben opgemerkt:
Sedert eenigen tijd verliet Boulatruelle vroegtijdig zijn arbeid bij ’t bepuinen en in orde houden van den weg, om met zijn spade naar het bosch te gaan. Men ontmoette hem tegen den avond op de eenzaamste plaatsen, in het dichtste houtgewas, met het voorkomen alsof hij iets zocht, en soms bezig kuilen te graven. De oude vrouwen die voorbijgingen hielden hem aanvankelijk voor Beëlzebub, doch spoedig herkenden zij Boulatruelle en waren hier weinig geruster om. Deze ontmoetingen schenen Boulatruelle schrikkelijk te hinderen. ’t Was duidelijk, dat hij zich trachtte te verbergen en iets geheimzinnigs uitvoerde.
Men zeide in het dorp:—Zekerlijk heeft de duivel zich vertoond. Boulatruelle heeft hem gezien en zoekt. Hij is er wel toe in staat om Lucifer zijn schat te ontkapen.—De Voltairianen voegden er bij: Zal Boulatruelle den duivel beet hebben of de duivel Boulatruelle?—De oude vrouwen kruisten zich ijverig.
Intusschen hielden de bezoeken van Boulatruelle in het bosch op, en hij was weer geregeld aan zijn wegarbeid. Men sprak weer van iets anders.
Er waren echter eenige nieuwsgierigen gebleven, die meenden dat niet de fabelachtige schatten der legende hierin betrokken waren, maar een goede, degelijker en tastbaarder vond dan de bankbriefjes van den duivel, en waarvan de wegwerker waarschijnlijk half en half het geheim had ontdekt. De meest belangstellenden waren de schoolmeester en de kroeghouder Thénardier, die gaarne de vriend van ieder wilde zijn en ’t niet versmaad had met Boulatruelle te verkeeren.—Hij is wel op de galeien geweest, zeide Thénardier, maar mijn hemel, men weet niet wie daar is, of wie er nog komen zal!
Op zekeren avond betuigde de schoolmeester, dat de justitie vroeger wel onderzocht zou hebben wat Boulatruelle in het bosch ging doen, dat hij wel had moeten spreken, dat men hem desnoods op de pijnbank zou hebben gebracht, en dat Boulatruelle bij voorbeeld de waterproef niet zou hebben doorstaan.—Laten wij hem aan de wijnproef onderwerpen, zei Thénardier.
Men maakte alles gereed en deed den ouden wegwerker drinken. Boulatruelle dronk ontzaggelijk veel en sprak weinig. Hij vereenigde, met wonderbare knapheid en in een meesterlijke verhouding, den dorst van een zwelger met de stilzwijgendheid van een rechter. Evenwel, door herhaalde aanvallen, en door de weinige onduidelijke woorden welke hem ontsnapten samen te voegen en te verbinden, meenden Thénardier en de schoolmeester het volgende begrepen te hebben:
Boulatruelle zou op zekeren ochtend, dat hij zich bij het krieken van den dag naar zijn werk begaf, verrast zijn geworden door in een hoek van het bosch onder ’t kreupelhout een schop en een houweel te vinden, die daar zoo ’t scheen verborgen waren. Hij had evenwel gemeend, dat het waarschijnlijk de schop en het houweel van den ouden Six-Fours, den waterdrager, waren, en hij had er niet verder over gedacht. Maar des avonds van denzelfden dag zou hij, zelf onbemerkt, daar hij achter een dikken boom verscholen stond, een man hebben gezien, die zich van den weg naar het dichtst van het bosch begaf, „en welke man volstrekt niet uit de omstreken was, maar dien hij, Boulatruelle, zeer goed kende.” Thénardier’s vertaling hiervan was: „Een makker uit het bagno.” Boulatruelle had hardnekkig geweigerd den naam te zeggen. Deze vreemde droeg een pakje, een vierkant voorwerp, als een groote doos of klein kistje. Boulatruelle was verwonderd. ’t Was echter eerst na zeven of acht minuten, dat de gedachte bij hem opkwam den man te volgen. Maar ’t was te laat, de man was reeds in het dichte houtgewas; het was donker geworden, en Boulatruelle had hem niet kunnen vinden. Toen had hij besloten aan den kant van ’t bosch te wachten. ’t Was lichte maan. Twee of drie uren later had Boulatruelle zijn man uit het kreupelhout zien komen, die nu geen kistje, maar een spade en een houweel droeg. Boulatruelle had den man laten voorbijgaan, maar durfde hem niet aanspreken, omdat hij bij zich zelven zeide, dat de andere driemaal sterker was dan hij, en met een schop gewapend, zoodat hij hem waarschijnlijk zou doodslaan, wanneer hij hem herkende en zich herkend zag. Een teedere opwelling van twee oude makkers, die elkander wedervinden! Maar de spade en het houweel waren voor Boulatruelle een lichtstraal geweest; hij was naar het struikgewas van des ochtends geijld, doch had er noch spade noch houweel meer gevonden. Daaruit had hij besloten, dat zijn man in het bosch was gegaan om met het houweel een gat te graven, het koffertje er in verborgen, en het gat met de spade dicht gemaakt had. Nu was het koffertje te klein om een lijk te bevatten, het moest dus geld bevatten. Tengevolge daarvan zijn navorschingen. Boulatruelle had het geheele bosch onderzocht, doorsnuffeld, en overal waar de aarde hem versch omgewoeld scheen, ze opgegraven. Vruchteloos.
Hij had niets gevonden. Niemand dacht er meer aan in Montfermeil. Slechts eenige oude vrouwen zeiden: Wees verzekerd, dat de wegwerker van Gagny al die moeite niet voor niets heeft gedaan; de duivel is er bij in ’t spel.