Er moet aan de keten vooraf iets geschied zijn, om met één hamerslag te springen.
Reading edition
Tegen het einde van October van hetzelfde jaar 1823 zagen de inwoners van Toulon, tengevolge van hevig stormweder, en om eenige averij te herstellen, het schip de Orion hun haven binnenloopen, welk schip later te Brest tot exercitie-schip diende, maar toen tot het eskader der Middellandsche zee behoorde.
Dit vaartuig, hoe ontredderd het was, want de zee had het deerlijk geteisterd, verwekte opzien toen het ter reede kwam. Ik weet niet meer welke vlag het voerde, die het een voorgeschreven saluut van elf schoten bezorgde, welke door het schip schot voor schot beantwoord werden: in ’t geheel dus twee en twintig schoten. Men heeft berekend, dat voor salvo’s, koninklijke en militaire eerbewijzen, wisseling van beleefd rumoer, etiquette-seinen, reede- en vestingsformaliteiten, de dagelijksche begroeting van het op- en ondergaan der zon door de vestingen en de oorlogsschepen, het openen en sluiten der havens enz. enz. door de beschaafde wereld over de geheele aarde elke vier-en-twintig uren honderd vijftig duizend nuttelooze kanonschoten met los kruit worden gedaan. Tegen zes francs het schot berekend, komt dit op negenhonderd duizend francs daags, driehonderd millioen ’s jaars, die in rook vergaan. Dit is slechts een staaltje. In denzelfden tijd sterven er, wie weet hoeveel armen van honger.
Het jaar 1823 was, wat de restauratie het tijdvak van den „Spaanschen oorlog” heeft genoemd.
Deze oorlog bevatte vele gebeurtenissen in één enkele, en een menigte zonderlingheden. Een gewichtige familiezaak voor het huis van Bourbon; de Fransche tak hielp en beschermde den Madridschen tak, dat wil zeggen, hij deed zich als de oudere gelden; ’t was een schijnbare terugkeer tot onze nationale overleveringen, gepaard aan de dienstbaarheid en onderwerping der noordsche kabinetten; de hertog van Angoulême, door de liberale bladen „de held van Andujar genoemd,” met een zegevierende houding, die eenigszins met zijn vreedzaam voorkomen in tegenspraak was, het oude wezenlijke schrikbewind van het heilige officie bedwingend, dat met het hersenschimmig schrikbewind der liberalen handgemeen was; de sansculottes tot grooten schrik der douairières onder den naam van descamisados herrijzend; het koningschap zich tegen den vooruitgang, met den naam van anarchie bestempeld, verzettend; de theorieën van 89 plotseling tot onder den grond afgebroken; een Europeesche stilstand aan de Fransche idee, die de wereld rondgaat, toegeroepen; aan de zijde van den zoon van Frankrijk, als generalissimus, de prins van Carignan, later Karel Albert, die in dezen kruistocht der koningen tegen de volken als vrijwilliger met roode wollen grenadiers epauletten dienst neemt; de soldaten van het Keizerrijk weder te veld gaande, maar na acht jaren rust, verouderd, somber en met de witte kokarde; de driekleurige vlag in den vreemde door een heldhaftig hoopje Franschen opgestoken, zooals dertig jaren vroeger de witte vlag te Coblentz werd gedaan; de monniken onder onze soldaten gemengd; de geest van vrijheid en nieuwheid door de bajonetten tot rede gebracht; de beginselen met kanonschoten vastgezet; Frankrijk door zijn wapenen vernietigende, wat het door zijn geest had opgericht; overigens, de vijandelijke opperhoofden omgekocht, de soldaten aarzelend, de steden belegerd door millioenen; geen militaire gevaren en toch ontploffingen mogelijk, evenals in elke mijn, die verrast en genomen wordt; weinig bloed vergoten, weinig eer verworven, schande voor eenigen, glorie voor niemand; zoodanig was deze oorlog, begonnen door vorsten, die afstamden van Lodewijk XIV, en geleid door generaals, die afkwamen van Napoleon. Zij had het treurige lot, noch den grooten oorlog, noch de groote politiek in herinnering te brengen.
Eenige wapenfeiten waren van beteekenis; de inneming van het Trocadero o. a. was een schoone militaire daad; maar over ’t algemeen geven de trompetten van dien oorlog een gebarsten geluid, het geheel was verdacht, de geschiedenis erkent Frankrijk’s moeilijkheid in de aanneming van den valschen triomf. Het bleek klaar, dat sommige Spaansche officieren met den weerstand belast, te gemakkelijk toegaven, het idée van omkooping plaatste zich naast de overwinning; het scheen, dat men eerder de generaals dan de veldslagen had gewonnen, en de overwinnende keerde beschaamd terug. Een treurige oorlog waarlijk, waarin men Bank van Frankrijk lezen kon in de plooien der vlag!
Soldaten uit den oorlog van 1808, op wie Saragossa geweldig inéén was gestort, fronsten de wenkbrauwen in 1823 bij de gemakkelijke opening der citadellen, en begonnen Palafox te betreuren.
En nog een gezichtspunt is er, dat zeer in ’t oog moet worden gevat: deze oorlog, die den militairen geest neerdrukte, verontwaardigde dien der democratie. Het was een poging tot onderwerping, tot dienstbaarmaking. In dien veldtocht was het doel van den Franschen soldaat, zoon der democratie, de overwinning van een juk voor anderen. Afschuwelijke tegenstrijdigheid.
Frankrijk is er voor aangewezen, om den geest der volkeren op te wekken, niet om dien te verstikken. Sedert 1792 zijn alle revoluties van Europa de Fransche Revolutie; de vrijheid straalt uit van Frankrijk. De vrijheid is daar de zon. Wie het niet ziet, is blind! Napoleon heeft het gezegd.
De oorlog van 1823, aanslag op de edelmoedige Spaansche natie, was dus tevens een aanslag op de Fransche Revolutie. En deze weg van monsterachtig geweld werd door Frankrijk ingeslagen; door geweld; want, buiten en behalve de bevrijdingsoorlogen, geschiedt alles wat de legers doen door geweld. Het woord lijdelijke gehoorzaamheid duidt het aan. Een leger is een vreemd meesterstuk van samenstel, waarin de kracht en de macht het gevolg is eener enorm groote som van onmachtige grootheden. Zoo laat zich de oorlog verklaren, door de menschheid tegen de menschheid gevoerd, ondanks de menschelijkheid.
Wat de Bourbons betreft, hun was de oorlog van 1823 noodlottig. Zij hielden hem voor een succes. Zij zagen niet, welk gevaar er in is gelegen, een idée te laten dooden door een wachtwoord. Zij vergisten zich in die mate, dat ze, onnoozel genoeg, in hun staatsinstelling als krachtselement opnamen de onberekenbare verzwakking van een misdaad. De geest van misleiding en verraad kwam in hun politiek. De kiem van 1830 ligt in 1823. De veldtocht van Spanje werd in hun raadsvergaderingen een argument voor de Coup’s de force en voor de avonturen van het goddelijk recht. Frankrijk, dat el rey neto hersteld had in Spanje, kon daar ook den absoluten koning herstellen. Zij vervielen in die jammerlijke dwaling, dat ze de gehoorzaamheid van den soldaat voor de toestemming der natie hielden. Dat vertrouwen is de ondergang der tronen. Men mag evenmin inslapen in de schaduw van een leger als in die van een giftappelboom.
Maar laten we tot de Orion terugkeeren.
Gedurende de operaties van het leger, aangevoerd door den prins-generalissimus, kruiste een escader in de Middellandsche Zee. We zeiden reeds dat de Orion bij dat escader hoorde en dat het door verschillende zee-omstandigheden in de haven van Toulon was teruggevoerd.
De aanwezigheid van een oorlogsschip in een haven heeft steeds zeker iets, dat de menigte lokt en bezig houdt.
Het komt omdat het iets grootsch is, en de menigte het grootsche bemint.
Een linieschip is een der heerlijkste samenwerkingen van het menschelijk genie met de macht der natuur.
Een linieschip is samengesteld uit het zwaarste en het lichtste tevens, wijl het tegelijkertijd met de drie vormen der stof te doen heeft, met den vasten, vloeibaren en luchtvormigen, en met alle drie moet worstelen. Het heeft elf ijzeren klauwen om het graniet op den bodem der zee te grijpen, en meer vleugels en vliezen dan eenig insect, om den wind in de wolken te vatten. Zijn adem komt uit zijn honderd twintig kanonnen als uit groote klaroenen, en komt met den donder overeen. De oceaan tracht het te doen verdwalen in de vreeselijke gelijkheid zijner golven, maar het schip heeft zijn ziel, zijn kompas, die het raad geeft en immer het noorden wijst. In donkere nachten vervangen zijn lantaarns de sterren. Het heeft dus touw en doek tegen den wind, hout tegen het water, ijzer, koper en lood tegen de rots, licht tegen de duisternis, een wijzer tegen de onmetelijkheid.
Om zich een denkbeeld te maken van al de reusachtige verhoudingen, wier geheel het linieschip vormt, behoeft men slechts een der overdekte hellingen van zes verdiepingen van Brest of van Toulon binnen te gaan. De daar in aanbouw zijnde schepen staan om zoo te zeggen onder een stolp. Die reusachtige balk is een ra; deze groote, op den grond liggende, schier onafzienbare kolom is de groote mast. Van zijn wortel in de kiel tot aan zijn top in de wolken is hij zestig vademen lang, en aan zijn basis drie voet in middellijn. De groote Engelsche mast verheft zich tweehonderd zeventien voet boven de waterlinie. In vroegeren tijd gebruikte de marine kabels, thans kettingen. De enkele stapel kettingen op een schip van honderd stukken is vier voet hoog, twintig voet lang, acht voet breed. En hoeveel hout is er noodig om zulk een schip te maken? Drie duizend wissen, (vierkante ellen). ’t Is een drijvend woud.
En, men bedenke wel, wij spreken hier slechts van het oorlogsschip van voor veertig jaren, van het gewone zeilschip; de stoom, toen in haar geboorte, heeft sedert nieuwe mirakelen gevoegd bij dat wonder, ’t welk een oorlogsschip heet. Op dit oogenblik, bij voorbeeld, is het zeil- en stoomschip een wonderbare machine, voortgestuwd door een zeilwerk van drie duizend vierkante ellen oppervlakte en een stoomvermogen van twee duizend vijfhonderd paardekrachten.
Zonder van deze nieuwe wonderen te spreken, is zelfs het oude schip van Christophorus Columbus en de Ruyter een der grootste kunstgewrochten van den mensch. Zijn kracht is onuitsprekelijk als het oneindige, het bewaart den wind in zijn zeilen, het beweegt zich met juistheid in de ontzaggelijke verwarring der golven; het drijft en heerscht.
Evenwel komt een oogenblik, dat de rukwind deze zestig voet lange ra als een stroohalm breekt, dat de storm dezen vierhonderd voet hoogen mast als een riet buigt; dat dit anker ’t welk tien duizend pond weegt, in den muil der baren gekromd wordt als de vischangel in de kieuwen van een snoek; dat deze monsterachtige kanonnen een jammerend maar vruchteloos gebrul slaken, ’t welk de orkaan in de lucht en den nacht wegvoert; dat al deze macht, al deze majesteit in een hoogere macht en majesteit verdwijnen.
Wanneer een ontzaggelijke kracht zich ontwikkelt om in een ontzaggelijke zwakheid onder te gaan, trekt dit de aandacht des menschen. Daardoor worden in de zeehavens de nieuwsgierigen, zonder dat zij er zich zelven rekenschap van geven, tot deze wonderbare werktuigen van den oorlog en de zeevaart gelokt.
Alzoo waren dagelijks van ’s morgens tot ’s avonds de kaden en de havenhoofden van Toulon bedekt met een aantal nieuwsgierigen en straatslijpers, om naar de Orion te kijken.
Sinds lang was de Orion een uitgediend schip. Op zijn vorige tochten hadden zich dikke schelplagen aan zijn kiel gehecht, zoodat het de helft van zijn snelheid had verloren; ten vorigen jare was het op het droog gehaald om de schelpen er af te krabben, en toen was het weder in zee gelaten. Maar deze afkrabbing had de bouten der kiel beschadigd. Op de hoogte der Balearische eilanden had de sluitrand sterk gewerkt en zich geopend, en dewijl destijds nog geen ijzeren bekleedingen bestonden, was het schip lek geworden. Een dier hevige evennachtsstormen had aan bakboordszijde het galjoen en een geschutpoort ingeslagen, en de fokkemast beschadigd. Tengevolge dezer averij was de Orion naar Toulon teruggekeerd.
Het schip lag bij het Arsenaal vertuid. Het was nog gewapend en men was bezig het te herstellen. De romp was aan stuurboordzijde niet beschadigd, maar, naar gewoonte, was de buitenhuid hier en daar geopend om lucht in ’t hol te laten.
Op zekeren ochtend waren de toeschouwers getuigen van een ontzettend ongeluk.
De equipage was bezig met de zeilen te reven. De matroos, wien gelast was het groote marszeil aan stuurboordzijde te vatten, verloor het evenwicht. Men zag hem waggelen: de menigte op de kade van het arsenaal verzameld slaakte een kreet, het hoofd sleepte het lichaam mede, de man draaide om de ra met de handen naar den afgrond gekeerd; hij greep in zijn val eerst met de eene, toen met de andere hand de ralijn en bleef er aan hangen. De zee was tot een duizelingwekkende diepte onder hem. De schok van zijn val had aan de ralijn een geweldig schommelende beweging gegeven. De man slingerde aan dat touw heen en weder.
’t Was ontzettend gevaarlijk hem te hulp te komen. Geen der matrozen, allen kustvisschers, die eerst onlangs in dienst waren gekomen, durfde het wagen. Intusschen werd de ongelukkige matroos vermoeid; men kon zijn doodsangst wel niet op zijn gezicht zien, doch aan al zijn leden bespeurde men uitputting. Zijn armen rekten zich vreeselijk. Iedere poging, welke hij deed om zich op te werken, diende slechts om de ralijn te meer te doen slingeren. Hij schreeuwde niet, ten einde geen kracht te verliezen. Men verwachtte elk oogenblik niets anders dan hem het touw te zien loslaten, en telkens draaiden zich de hoofden om, ten einde hem niet te zien vallen. Er zijn oogenblikken, dat een eind touw, een staak, een boomtak het leven zelf is, en ’t is vreeselijk om te zien, dat een levend wezen het loslaat en als een rijpe vrucht neervalt.
Eensklaps zag men een man met de vlugheid van een kat in het want klimmen. Deze man was in ’t rood gekleed; hij was dus een galeislaaf; hij had een groene muts op, dus een levenslang veroordeelde. Ter hoogte der mars gekomen, wierp een windvlaag hem de muts af en deed een geheel wit hoofd zien; hij was dus niet jong.
Inderdaad, een tuchteling, die met anderen uit het bagno op het schip voor eenigen arbeid werd gebruikt, was dadelijk naar den officier van de wacht geijld, en onder de verwarring en ontsteltenis der geheele equipage, terwijl alle matrozen huiverden en terugtraden, had hij den officier verlof gevraagd zijn leven te mogen wagen om den man te redden. Op een toestemmend gebaar van den officier had hij met éénen hamerslag de keten, waaraan zijn been was geboeid, stuk geslagen; daarna greep hij een touw en had zich in ’t want geslingerd. Niemand had opgemerkt hoe gemakkelijk de keten stuk geslagen was. Eerst later herinnerde men zich dit.
In een oogenblik was hij op de ra. Hij hield eenige seconden stil en scheen ze met zijn blik te meten. Deze seconden, gedurende welke de wind den matroos aan een draad schommelde, schenen eeuwen voor hen die ’t aanschouwden. Eindelijk hief de tuchteling de oogen ten hemel en deed een stap vooruit. De menigte ademde ruimer. Men zag hem over de ra gaan. Toen hij aan ’t eind was gekomen, bond hij een touw, dat hij had medegebracht, er aan vast en liet het andere eind hangen; vervolgens liet hij zich langs dit touw afglijden en in doodelijken angst zag men nu, in plaats van één, twee menschen boven den afgrond hangen.
’t Was als een spin, die zich op een vlieg werpt, maar hier bracht de spin het leven en niet den dood. Duizenden oogen waren op deze groep gericht. Geen kreet, geen woord, een gelijke siddering fronste aller wenkbrauwen. Aller monden hielden den adem in, als vreesden zij het minste tochtje te voegen bij den wind, die de beide rampzaligen bengelde.
’t Was intusschen den tuchteling gelukt tot den matroos te dalen, ’t was ook tijd; een minuut langer en de uitgeputte, wanhopende man zou zich in den afgrond hebben laten vallen; de tuchteling had hem stevig aan het touw vastgebonden, waaraan hij zich met de eene hand hield, terwijl hij met de andere zich opwerkte. Eindelijk zag men hem weder op de ra klauteren en den matroos ophijschen; hij liet hem hier een oogenblik rusten om hem zijn krachten te doen hernemen; vervolgens nam hij hem in zijn armen en droeg hem over de ra tot aan het ezelshoofd, en van daar in de mars, waar hij hem in de handen zijner kameraden gaf. Op dit oogenblik brak een levendig gejuich uit, oude galei-opzichters weenden, vrouwen vlogen elkander op de kade om den hals; en men hoorde uit aller mond, met een soort van verteederde woede den kreet: genade voor dien man!
Hij was intusschen terstond naar beneden geklommen, om zijn werk te hervatten. Om er te spoediger te zijn, liet hij zich langs het want glijden en liep over een benedenra. Aller oogen volgden hem. Een oogenblik schrikte men; hetzij dat hij vermoeid was, hetzij dat hij duizelde, men meende hem te zien aarzelen en waggelen. Eensklaps slaakte de menigte een luiden kreet; de tuchteling was in zee gevallen.
Een gevaarlijke val. Het fregat de Algesiras lag naast de Orion en de arme tuchteling was tusschen beide schepen gevallen. Het was te vreezen, dat hij onder het eene of het andere zou drijven. Vier mannen sprongen haastig in een sloep. De menigte moedigde hen aan; opnieuw waren alle harten in angst. De man was niet weer boven water gekomen. Hij was in de zee gevallen zonder een rimpel achter te laten, als ware hij in een ton olie gevallen. Men peilde, men dook. Vruchteloos. Men zocht tot den avond; men vond zelfs het lichaam niet.
Den volgenden dag bevatte het dagblad van Toulon deze weinige regelen:—„17 November 1823.—Gisteren is een tuchteling, die aan boord van den Orion op corvée was, nadat hij een matroos uit een doodsgevaar had gered, in zee gevallen en verdronken. Men heeft zijn lijk niet kunnen wedervinden. Men vermoedt dat hij onder de palen aan den kant van ’t Arsenaal is geraakt. Deze man stond in ’t gevangenisregister onder No. 9430 en heette Jean Valjean.”