De opmerkingen der hoofd-huurderes.
Reading edition
Jean Valjean was zoo voorzichtig van nooit des daags uit te gaan. In den schemeravond wandelde hij dagelijks een paar uren, soms alleen, meestal met Cosette, door de eenzaamste zijlanen van den boulevard, en trad de kerken binnen als ’t donker was. Hij ging gaarne naar de kerk van St. Medardus, die het dichtst bij was. Zoo hij Cosette niet medenam bleef zij bij de oude vrouw, maar ’t was een vreugd voor ’t kind met den goeden man uit te gaan. Zij gaf zelfs hieraan de voorkeur boven het bekoorlijk onderhoud met Kaatje. Als zij wandelden gaf hij haar de hand en vertelde haar allerlei fraais.
Cosette was zeer vroolijk.
De oude vrouw bestierde de huishouding, kookte en zorgde voor de mondbehoeften.
Zij leefden sober, hadden wel een vuurtje aan, maar als lieden die het zuinig hebben. Jean Valjean had niets veranderd in het huisraad, sinds den eersten dag; alleen had hij de glazen deur van Cosettes kamertje door een houten deur doen vervangen.
Hij droeg nog altijd zijn bruine jas, zwarte broek en ouden hoed. Op de straat hield men hem voor een arme. Soms gebeurde het, dat goedhartige vrouwen omkeerden en hem een sou gaven. Jean Valjean ontving den sou en boog diep. Ook gebeurde het soms, dat hij een arme ontmoette, die zijn milddadigheid inriep; dan schouwde hij rond of iemand hem ook zag, naderde steelswijze den ongelukkige, drukte hem een geldstuk, dikwerf een zilverstuk, in de hand en verwijderde zich haastig. Dit had zijn ongelegenheden. In de wijk begon hij bekend te worden onder den naam van „de bedelaar die aalmoezen geeft.”
De oude „hoofd-huurderes”, een hatelijk wezen, geheel vervuld met afgunstige opmerkzaamheid, sloeg Jean Valjean, zonder dat hij ’t vermoedde, nauwkeurig gade. Zij was een weinig doof, en bijgevolg praatachtig. Er waren haar nog twee tanden overgebleven, een boven- en een ondertand, die zij immer tegen elkander stiet. Zij had Cosette uitgevraagd, die, niets wetende, haar ook niets wist te zeggen, dan dat zij van Montfermeil kwam. Op zekeren ochtend merkte de bespiedster op, dat Jean Valjean, met een gezicht dat haar zonderling voorkwam, een der onbewoonde vertrekken van het huis binnenging. Zij sloop hem na als een oude kat, en zonder gezien te worden, kon zij hem door de reet der deur, die aanstond, opmerken. Waarschijnlijk uit voorzichtigheid was Jean Valjean met den rug naar de deur gaan staan. De oude vrouw zag dat hij in zijn zak tastte, er een koker, een schaar en garen uitnam, toen de voering van een zijner rokspanden lostornde en uit de opening een geelachtig stuk papier nam, dat hij openvouwde. De oude vrouw zag met ontzetting dat ’t een bankbriefje van duizend francs was. Het was het tweede of het derde, dat zij in haar leven gezien had. Verschrikt liep zij weg.
Een oogenblik later kwam Jean Valjean bij haar om haar te verzoeken, het bankbriefje van duizend francs te gaan wisselen, dat, voegde hij er bij, zijne halfjarige rente was, welke hij den vorigen dag ontvangen had.—Waar? dacht de oude vrouw. Hij is niet vóór ’s avonds te zes uren uitgegaan, en op dat uur zijn de betaalkantoren niet meer open.—De oude vrouw ging om het biljet te wisselen en maakte allerlei gissingen. Dit bankbriefje van duizend francs, besproken en vermenigvuldigd, gaf onder de babbelaarsters der straat des Vignes St.-Marcel stof tot een menigte drukke gesprekken.
De volgende dagen zaagde Jean Valjean, in zijn hemdsmouwen, hout in de gang. De oude vrouw was bezig de kamer in orde te brengen. Zij was hier alleen, want Cosette stond te zien naar het houtzagen. De oude vrouw ontdekte de jas, aan een spijker hangende, en nam ze nauwkeurig op. De voering was weder dichtgenaaid. Zij betastte ze zorgvuldig en meende overal tusschen de voering verborgen papier te voelen. Zonder twijfel andere bankbriefjes van duizend francs.
Zij bevond tevens, dat er allerlei dingen in de zakken waren. Niet alleen naalden, een schaar en het garen, welke zij gezien had, maar een dikke portefeuille, een groot mes, en—wat zeer verdacht was—pruiken van verschillende kleur. Iedere zak van die jas scheen ’t een of ander te bevatten, dat bij mogelijke gebeurtenissen dienen kon.
De bewoners van het huis bereikten op die wijze de laatste dagen van den winter.