Een dubbel ongeluk maakt één geluk.
Reading edition
Den volgenden morgen, met het aanbreken van den dag, was Jean Valjean weder voor het bed van Cosette. Hij stond roerloos te wachten en bespiedde haar ontwaken.
Iets nieuws kwam op in zijn ziel.
Jean Valjean had nooit iets bemind. Sedert vijf en twintig jaren was hij alleen in de wereld. Nooit was hij vader, minnaar, echtgenoot, vriend geweest. In het bagno was hij slecht, somber, kuisch, onwetend en schuw. Het hart van den ouden tuchteling was nog geheel versch. Van zijn zuster en van haar kinderen had hij slechts een flauwe, verwilderde herinnering behouden, die eindelijk schier geheel verdwenen was. Hij had alle pogingen aangewend om hen weder te vinden, doch daar hij hierin niet geslaagd was, had hij hen vergeten. De menschelijke natuur is aldus. Andere teedere neigingen zijner jeugd, zoo hij die gehad had, waren in een afgrond verzwolgen.
Toen hij Cosette zag, toen hij haar genomen, weggevoerd en bevrijd had, voelde hij zich innig bewogen. Al de hartstocht en liefde, die in hem was, ontwaakte en stortte zich op dat kind uit. Hij naderde het bedje waarin zij sliep, en beefde van vreugd; hij voelde de aandoeningen eener moeder, en wist zelf niet hoe het hem was; want deze groote, wonderbare beweging van een hart, dat begint te beminnen, is iets zoets en geheimzinnigs.
Arm, oud, en toch geheel nieuw van hart!
Maar aangezien hij vijf-en-vijftig en Cosette acht jaar oud was, smolt al de liefde, welke hij in zijn geheel leven had kunnen hebben, tot een onbeschrijfelijken gloed te zamen.
’t Was de eerste heldere verschijning, welke hij ontmoette.
De bisschop had aan zijn horizon het morgenrood der deugd doen verschijnen, Cosette deed er het morgenrood der liefde oprijzen.
De eerste dagen verstreken in deze verrukking.
Ook Cosette, het arme kleine wezen, werd harerzijds, zonder het zelf te weten, anders. Zij was zoo klein geweest, toen haar moeder haar verliet, dat zij zich zulks niet meer herinnerde. Gelijk alle kinderen, die zich, als jonge wijngaardranken, aan alles hechten, had zij beproefd iets te beminnen. ’t Was haar niet gelukt. Allen hadden haar afgestooten, de Thénardier’s, hun kinderen, andere kinderen. Zij had den hond bemind, maar hij was gestorven; toen had niets of niemand meer van haar willen weten. ’t Is treurig om te zeggen, en wij hebben ’t reeds aangeduid, in haar achtste jaar was haar hart nog koud. ’t Was haar schuld niet, de geschiktheid om te beminnen ontbrak haar niet; maar helaas! de mogelijkheid. Al wat in haar dacht en voelde, drong haar dan ook reeds sinds den eersten dag, om den goeden man te beminnen. Zij gevoelde wat zij nooit had gevoeld—eene inwendige verwarming en ontluiking.
De man kwam haar niet meer oud en arm voor. Zij vond Jean Valjean schoon, evenals zij het krot fraai vond.
Dit zijn de uitwerkselen van het morgenrood, van de kindsheid, van de jeugd, van de vreugd. De nieuwheid, welke de wereld en het leven aanbieden, moet er bij gerekend worden. Niets bekoorlijker dan de heldere weerglans van het geluk in een zolderkamertje. Wij allen hebben in ons verleden zulk een zolderkamertje.
De natuur, een verschil van vijftig jaren, hadden tusschen Jean Valjean en Cosette een diepe verwijdering gevormd; het lot vulde deze klove aan. Het lot vereenigde en verbond met zijn onweerstaanbare macht deze twee ontwortelde levens, die, hoe verschillend in ouderdom, elkander in droefheid zoo zeer geleken. Het eene inderdaad vulde het andere aan. Cosettes instinct zocht een vader, evenals Valjeans instinct een kind zocht. Elkander ontmoeten was elkander vinden. In het geheimzinnige oogenblik, dat hun handen elkander raakten, sloten deze zich ineen. Toen beide zielen elkander zagen, erkenden zij dat zij elkaar behoefden, en zij hechtten zich innig aan elkander.
De woorden in hun ruimsten en volstrektsten zin nemende, zou men kunnen zeggen, dat, door de muren des grafs van alles gescheiden, Jean Valjean de weduwnaar was, zooals Cosette de weeze. Deze toestand maakte Jean Valjean eenigermate op hemelsche wijze tot Cosettes vader.
Inderdaad, de geheimzinnige indruk, dien de hand van Jean Valjean, in het bosch van Chelles, op Cosette teweegbracht, toen hij, in de duisternis, de hare nam, was geen begoocheling, maar wezenlijkheid. De verschijning van dezen man in het lot van dit kind was de komst van God geweest.
Jean Valjean had overigens zijn schuilplaats goed gekozen. Hij was er, kon men zeggen, in volkomen veiligheid.
De kamer met het kabinetje, welke hij met Cosette bewoonde, zag op den boulevard uit. Het was het eenige venster van het huis, waar men, evenmin van ter zijde als tegenover, een blik van buren te vreezen had.
Het benedengedeelte van No. 50–52, een soort van vervallen schuur, diende aan warmoeziers tot bergplaats en had met de bovenverdieping geenerlei gemeenschap. Het was er door de zoldering van gescheiden, die noch trap noch luik had, en die eenigermate als de grensscheiding van ’t huis kon beschouwd worden. Deze bovenverdieping bevatte, zooals gezegd is, verscheidene vertrekken en eenige zolderkamertjes, waarvan er slechts één bewoond was, en wel door een oude vrouw, die Jean Valjeans huishouding waarnam. Al het overige was onbewoond.
Deze oude vrouw, die de hoofd-huurderes heette, doch in waarheid de betrekking van portierster bekleedde, had hem op Kerstdag deze woning verhuurd. Hij had zich bij haar uitgegeven voor een door de Spaansche fondsen geruïneerd rentenier, die hier met zijn dochtertje wonen wilde. Hij had zes maanden vooruit betaald en aan de oude vrouw opgedragen, de kamer en het kabinetje te meubileeren, op de wijze zooals men gezien heeft. Deze oude vrouw had de kachel aangelegd en alles gereed gemaakt op den avond hunner komst.
Weken verliepen. Beide wezens leidden in dit ellendig verblijf een gelukkig leven.
Van den vroegen morgen af lachte, keuvelde, zong Cosette. Kinderen hebben, evenals de vogels, hun morgenzang.
’t Geviel, dat Jean Valjean haar roode, door de koude gebarsten handjes nam en ze kuste. Het arme kind, dat slechts aan slagen gewoon was, wist niet wat dat beteekende, en ging verlegen heen.
Soms werd zij ernstig en beschouwde haar zwart jurkje. Cosette droeg geen lompen meer, maar rouw. Zij kwam uit de ellende in het leven.
Jean Valjean beproefde haar te leeren lezen. Vaak dacht hij er aan, terwijl hij het kind deed spellen, dat hij in het bagno had leeren lezen, met het doel om er kwaad mede te doen. Dat doel had zich nu zoozeer gewijzigd, dat hij een kind leerde lezen. Dan lachte de oude tuchteling, met den peinzenden glimlach der engelen.
Hij gevoelde hierin een beschikking van hierboven, den wil van een hooger wezen dan de mensch, en hij verdiepte zich in gedachten. Goede gedachten zijn even ondoorgrondelijk als slechte.
Cosette te leeren lezen en haar te laten spelen, hierin bestond schier het geheele leven van Jean Valjean. Ook sprak hij haar van haar moeder en liet haar bidden.
Zij noemde hem vader, en wist niet welken anderen naam hij had.
Uren bracht hij door met haar te aanschouwen, wanneer zij haar pop kleedde en ontkleedde, en naar haar te luisteren, wanneer zij keuvelde. Het leven scheen hem nu voortaan belangrijk, de menschen schenen hem goed en rechtvaardig; in zijn geest beschuldigde hij niemand meer, en hij wist niet, waarom hij nu niet zeer oud zou wenschen te worden, nu dit kind hem beminde. Zijn toekomst verscheen hem heerlijk, verlicht door Cosette. Zelfs de beste menschen zijn niet vrij van zelfzuchtige gedachten, en vaak dacht hij er met een soort van blijdschap aan dat zij leelijk zou zijn.
’t Is slechts een persoonlijk gevoelen, doch om onze gedachte geheel uit te spreken, zijn wij niet geheel overtuigd, dat Jean Valjean, in den toestand waarin hij was, toen hij Cosette begon te beminnen, deze versterking niet noodig had om in het goede te volharden. Hij had onder nieuwe gedaanten de slechtheid der menschen en de ellende der maatschappij gezien, onvolledige gedaanten, die noodlottigerwijs slechts één zijde der waarheid vertoonden, het lot der vrouw in Fantine samengevat, het openbaar gezag door Javert verpersoonlijkt; hij was ditmaal naar het bagno teruggekeerd, wijl hij goed had gedaan; hij had nieuwe bitterheden gesmaakt; afkeer en afmatting overweldigden hem opnieuw; zelfs de herinnering aan den bisschop was misschien op ’t punt zich tijdelijk te verdooven, hoewel ze later schitterend en zegevierend weer te voorschijn kon treden; in allen gevalle was deze heilige herinnering thans inderdaad aan ’t verflauwen. Wie weet of Jean Valjean niet op ’t punt was van den moed te verliezen en opnieuw te vallen? Maar hij beminde en werd weder sterk. Helaas! hij was weinig minder wankelende dan Cosette. Hij beschermde haar en zij versterkte hem. ’t Was door hem, dat zij het leven kon ingaan; ’t was door haar, dat hij in de deugd kon volharden. Hij was de steun van dat kind, en dat kind verleende hem kracht. O onpeilbare en goddelijke verborgenheid van ’t evenwicht in ’s menschen lot.