← Table of contents
De Ellendigen (Deel 2 van 5)

Het rondtasten der vlucht.

Reading edition

Om het volgende te begrijpen, moet men zich een duidelijk denkbeeld vormen van de steeg Droit-Mur en in ’t bijzonder van den hoek, ter linkerzijde, als men uit de straat Polonceau deze steeg inging. Ter rechterzijde, tot aan de kleine straat Picpus, stonden grootendeels armoedige huizen; links stond een groot gebouw, uit verschillende woningen bestaande, die hooger werden naarmate zij dichter bij de kleine Picpusstraat stonden; zoodat dit gebouw zeer hoog aan den kant der Picpus-straat en tamelijk laag aan den kant der Polonceau-straat was. Aan den hoek, waarvan wij gesproken hebben, was het zoo laag, dat het slechts een muur vormde. Deze muur liep niet gelijkzijdig met de straat, maar stond naar binnen, en vormde een vierkante ruimte die aan beide hoeken der straat Polonceau en der straat Droit-Mur onzichtbaar was. De gevel van dat groote gebouw had een somber aanzien. Men ontdekte er slechts één vensterraam, of liever, twee met zink beslagen vensterluiken, die steeds gesloten waren.

De inspringende ruimte was schier geheel ingenomen door een onoogelijke, groote deur, samengesteld uit rechtopstaande, ongeschaafde planken, die, boven breeder dan onder, door lange ijzeren dwarslatten werden samengehouden. Daarnaast was een koetspoort van gewone grootte, die blijkbaar later was aangebracht.

Een lindeboom verhief zijn takken over het inspringend vak, en aan den kant der straat Polonceau was de muur met klimop overdekt.

In het dreigend gevaar, waarin Jean Valjean zich bevond, had dit somber gebouw iets verlatens en eenzaams, dat hem aanlokte. Hij liet er haastig zijn oogen over gaan; hij dacht dat, zoo ’t hem gelukte er binnen te komen, hij misschien gered was. IJlings kwam een denkbeeld en een hoop bij hem op.

In ’t middelgedeelte van den voormuur van het gebouw in de straat Droit-Mur waren aan al de vensters der verschillende verdiepingen oude trechtervormige looden bakken. De verschillende buizen, welke uit een hoofdbuis naar al deze bakken liepen, vormden aan den voorgevel een soort van wijnstok, zooals men die aan de voormuren van oude landhoeven ziet.

Deze wonderlijke wijnstok met ijzeren en looden takken, was het eerste wat Jean Valjean in ’t oog viel. Hij zette Cosette met den rug tegen een schampsteen, zei haar zich stil te houden en liep naar de plaats, waar de buis de straat bijna raakte. Er was misschien middel daarlangs op te klimmen en in het huis te komen. Maar de buis was in vervallen staat, werd niet meer gebruikt en hing nauwelijks in haar houvasten. Overigens waren al de vensters van dit stil verblijf, zelfs die van het dak, van dikke, ijzeren traliën voorzien. Ook bescheen de maan den geheelen voorgevel, en de man, die aan het einde der straat op wacht stond, had Jean Valjean kunnen zien opstijgen. En wat met Cosette gedaan? Hoe kon zij op dit drie verdiepingen hooge huis gebracht worden?

Hij zag er van af, langs de buis op te klimmen en sloop langs den muur weder naar de Polonceau-straat.

Toen hij bij den inspringenden muur was, waar hij Cosette had achtergelaten, merkte hij op, dat hem dáár niemand zien kon. Zooals wij hebben aangeduid, kon geen blik, van welken kant ook, hem bereiken. Bovendien was hij in de schaduw. Er waren twee deuren; misschien konden die opengebroken worden. De muur, waarboven hij den lindeboom, en het klimop zag, kwam waarschijnlijk aan een tuin uit, waarin hij zich, hoewel er geen bladeren aan de boomen waren, ten minste kon verbergen en het overige van den nacht doorbrengen.

De tijd verstreek. Hij moest zich haasten.

Hij drukte tegen de koetspoort en ontdekte terstond, dat zij zoowel van binnen als van buiten vast toegespijkerd was. Met meer hoop naderde hij de andere groote deur. Deze was zeer oud, en haar grootte maakte haar minder stevig; de planken waren vergaan, de ijzeren banden, slechts drie in getal, waren verroest. Er scheen mogelijkheid, deze vermolmde sluiting open te breken.

Bij nadere beschouwing bleek het hem, dat deze deur geen eigenlijke deur was. Zij had noch duimen, noch hengsels, noch slot, noch middelscheiding; de ijzeren banden liepen zonder afbreking van het eene eind tot het andere. Door de reten der planken bespeurde hij een ruw gemetselden muur, welken men er, tien jaren geleden nog kon zien. Hij moest met schrik ontwaren dat deze vermeende deur niets anders was dan de houten schutting om een gebouw. Hij had gemakkelijk een plank kunnen wegrukken, maar dan stond hij voor een muur.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings