De zigzags der strategie.
Reading edition
Voor de bladzijden, welke men nu lezen en nog later ontmoeten zal, is hier een opmerking noodig.
Sedert vele jaren is de schrijver van dit boek, die tot zijn leedwezen van zich zelven moet spreken, uit Parijs afwezig. Sinds hij die stad verlaten heeft, is zij geheel veranderd. Er is een nieuwe, een hem schier onbekende stad opgerezen. Hij behoeft niet te zeggen, dat hij Parijs liefheeft, zij is de geboortestad van zijn geest. Ten gevolge van sloopingen en herbouwingen is het Parijs zijner jeugd, het Parijs, ’t welk hij met zulk een innige verkleefdheid in zijn geheugen heeft medegenomen, thans een Parijs van vroeger tijd. Men veroorlove hem van dit Parijs te spreken, als bestond het nog. ’t Is mogelijk, dat, ter plaatse waar de schrijver den lezer zal voeren met de woorden: „In deze straat is dit huis,” thans noch huis noch straat meer is, de lezers mogen dit onderzoeken, zoo zij zich die moeite willen geven. Hij kent het nieuwe Parijs niet en schrijft met het oude Parijs voor zijn oogen in een illusie, die hem dierbaar is. Hij vermeidt zich in gedachte, dat er toch wat is overgebleven van ’t geen hij zag, toen hij in zijn vaderland was, en dat niet alles is verdwenen. Zoo lang men zich in zijn geboorteland beweegt, verbeeldt men zich, dat ons de straten onverschillig zijn, dat deze vensters, deze daken en deze deuren ons niet aangaan, dat deze muren ons vreemd, dat deze boomen niets meer dan andere zijn, dat deze huizen, waar men niet binnengaat, geen belang voor ons hebben, dat deze straatsteenen, welke men betreedt, niet anders dan steenen zijn. Later, wanneer wij er niet meer zijn, zien wij, dat deze straten ons dierbaar zijn, dat wij deze daken, deze vensters en deze muren missen, dat ons deze muren noodzakelijk, deze boomen ons dierbaar zijn, dat wij deze huizen, welke wij nooit binnen gingen, toch dagelijks binnen konden gaan en wij op deze straatsteenen iets van onze ingewanden, van ons bloed en van ons hart hebben achtergelaten. Al deze plaatsen, die men niet meer ziet, die men misschien nimmer zal wederzien, verkrijgen een smartelijke bekoorlijkheid, herrijzen telkens in het geheugen als een treurige verschijning, vertoonen ons het beloofde land en zijn, om zoo te zeggen, geheel Frankrijk voor ons; men bemint ze en herinnert ze zich zooals ze zijn, zooals zij waren, men houdt er aan vast, en wil er niets aan veranderen, want men is aan het voorkomen van het vaderland gehecht, evenals aan de trekken eener dierbare moeder. ’t Zij ons dus geoorloofd van het verledene te spreken alsof het tegenwoordig ware, en na den lezer verzocht te hebben hiervan aanteekening te nemen, gaan wij voort.
Jean Valjean had dadelijk den boulevard verlaten en was de straten ingegaan. Hij keerde en wendde zich zoo dikwijls mogelijk en ging vaak op zijn schreden terug om zeker te zijn dat hij niet gevolgd werd.
Een dergelijke handelwijze is ook die van het gejaagde hert. Op een bodem, waar de voet indruksels achterlaat, heeft zij onder andere het nut, dat de jagers en honden, door de tegen elkander inloopende voetsporen, in verwarring worden gebracht.
’t Was volle maan. Dit was Jean Valjean niet onaangenaam. Daar zij bij haar opkomst nog dicht aan den horizon stond, wierp zij op de straten breede vakken van schaduw en licht. Hij kon dus aan de schaduwzijde langs de huizen en muren sluipen en de lichtzijde in ’t oog houden. Hij dacht er misschien niet genoeg aan, dat de donkere zijde aldus aan zijn opmerkzaamheid ontging. Hij meende zich echter verzekerd te mogen houden, dat niemand hem in de eenzame stegen, in den omtrek der straat Poliveau, zou volgen.
Cosette ging naast hem zonder iets te vragen. Het lijden der zes eerste jaren van haar leven had aan haar natuur iets lijdelijks gegeven. Bovendien—en tot deze opmerking zullen wij meermalen terugkomen—was zij reeds aan de zonderlingheden van dezen man en aan de grilligheid van haar lot gewoon, zonder daarover veel na te denken. Overigens voelde zij zich bij hem veilig.
Jean Valjean wist evenmin als Cosette, waarheen hij ging. Hij vertrouwde op God, gelijk zij op hem. ’t Was hem insgelijks alsof hij iemand, die machtiger was dan hij, bij de hand hield; hij geloofde een onzichtbaar wezen te voelen, dat hem leidde. Overigens had hij volstrekt geen bepaald denkbeeld, geen plan of doel. Hij was zelfs niet volkomen zeker of het Javert was; en ’t kon deze zijn, zonder dat Javert wist dat hij Jean Valjean was. Hij was immers geheel anders gekleed; men waande hem dood. Er hadden echter sinds eenige dagen zonderlinge zaken plaats. Meer was voor hem niet noodig; en hij had besloten, niet meer naar het huis Gorbeau terug te keeren. Als een opgejaagd dier, zocht hij een hol, waarin hij zich kon verbergen, tot hij er een vond om in te wonen.
Jean Valjean maakte verschillende doolhof-kronkelingen in de wijk Mouffetard, waar alles reeds sliep, alsof de verordeningen der middeneeuwen en ’t gebod van vuur en licht uit te dooven, nog bestaan hadden. Met schrander berekenend overleg doorliep hij verscheidene straten, maar trad geen der zich daar bevindende logementen binnen, wijl zij hem niet geschikt voorkwamen. Hij twijfelde er niet aan, dat, zoo men toevallig zijn spoor had gezocht, men het nu wel verloren zou hebben.
Juist toen het op de kerk van Saint-Etienne-du-Mont elf uren sloeg, ging hij in de straat Pontoise, voorbij het bureau van den commissaris van politie No. 14. Eenige oogenblikken later, deed zijn instinct, waarvan wij vroeger gesproken hebben, hem omzien. Nu zag hij duidelijk drie mannen, die hem op de hielen volgden, achter elkander voorbij de lantaarn van het politiebureau aan de donkere zijde der straat gaan. Een dezer drie mannen trad bij den commissaris binnen. De vooraangaande kwam hem bepaald verdacht voor.
„Kom, kind,” zeide hij tot Cosette en hij haastte zich uit de straat Pontoise te komen.
Hij maakte een omweg door verscheiden straten en kwam in de Poststraat. In deze straat loopt eene andere uit, waardoor een soort van pleintje ontstaat.
Dit pleintje werd helder door de maan verlicht. Jean Valjean drong zich tegen een deur, daar hij begreep, dat, zoo deze mannen hem nog volgden, hij hen duidelijk zou kunnen zien, wanneer zij deze heldere plek overgingen.
Inderdaad, geen drie minuten waren verloopen of de mannen verschenen. Zij waren nu met hun vieren; allen forsche gestalten, in lange, bruine jassen, met ronde hoeden op ’t hoofd en dikke stokken in de hand. Hun forsch voorkomen en groote vuisten waren niet minder verontrustend dan hun sluipende gang in de duisternis. Zij geleken vier spoken in burgerkleeding.
Op ’t midden van ’t pleintje bleven zij staan, alsof zij met elkander raadpleegden. Zij schenen besluiteloos. Hij, die blijkbaar de aanvoerder was, keerde zich om en wees levendig met de rechterhand in de richting waar Jean Valjean zich bevond; een ander wees met nadruk naar den tegenovergestelden kant. Toen de eerste zich omkeerde, bescheen het maanlicht zijn gelaat en Jean Valjean herkende duidelijk Javert.