← Table of contents
De Ellendigen (Deel 2 van 5)

No. 9430 komt weder te voorschijn en Cosette trekt dat lot.

Reading edition

Jean Valjean was niet dood.

Toen hij in zee viel, of liever er in sprong, was hij, zooals men gezien heeft, niet geboeid. Hij zwom onder water naar een ten anker liggend schip, waaraan een boot was vastgemaakt. Het gelukte hem zich tot den avond in die boot te verbergen. Des nachts ging hij weder te water en zwom naar de kust, welke hij op korten afstand van kaap Brun bereikte. Daar kon hij zich, aangezien ’t hem aan geen geld ontbrak, kleederen verschaffen. Een herberg in den omtrek van Balaguier was destijds het kleedermagazijn der ontvluchtte tuchtelingen, een zeer winstgevend bedrijf. Toen volgde Jean Valjean, zooals al die ongelukkige vluchtelingen, welke de waakzaamheid der wet en de maatschappelijke vervolging van het spoor willen leiden, een donkeren, kronkeligen weg. Hij vond een eerste schuilplaats te Pradeaux, bij Bausset. Vervolgens ging hij naar Grand-Villard bij Briançon in de Opper-Alpen. ’t Was tastend en bevond, dat hij zijn weg volgde, die duister en onbekend was, als die van den mol. Later heeft men eenig spoor van zijn tocht gevonden in het departement der Ain op het gebied van Civrieux, in de Pyreneeën te Accons, in een oord genaamd la Grange-de-Doumecq, bij het gehucht van Chavailles, en in de omstreken van Perigueux, te Brunies, kanton van Chapelle-Gonaguet. Eindelijk bereikte hij Parijs. Men heeft hem nu te Montfermeil gezien.

Zijn eerste zorg toen hij te Parijs kwam, was geweest rouwkleederen voor een zeven- of achtjarig meisje te koopen, en zich vervolgens van een verblijf te voorzien. Daarna had hij zich naar Montfermeil begeven.

Men zal zich herinneren, dat hij reeds bij zijn voorgaande ontwijking naar deze streek een geheimzinnige reis had gedaan, waarvan de justitie eenige lucht had gekregen.

Men hield hem overigens voor dood, en dit vermeerderde de duisternis die zich om hem gevormd had. Te Parijs kwam een der dagbladen in zijn handen, die van het feit melding maakten. Hij voelde zich gerustgesteld, schier evenzeer als ware hij werkelijk dood geweest.

Den avond van den dag, op welken Jean Valjean Cosette uit Thénardier’s klauwen had gerukt, kwam hij te Parijs terug. Hij ging in de avondschemering met het kind door de barrière van Monceaux. Daar nam hij een cabriolet, die hem naar de esplanade van ’t Observatorium voerde. Hij steeg uit, betaalde den koetsier, nam Cosette bij de hand, en beiden gingen in den donkeren avond, door de eenzame straten in den omtrek van l’Ourcine en la Glaciere, naar den boulevard de l’Hôpital.

De dag was voor Cosette wonderbaar en vol aandoeningen geweest; zij hadden achter hagen brood en kaas gegeten, die zij in afgelegen herbergen gekocht hadden; zij waren dikwerf van rijtuig veranderd, en hadden een eind weegs te voet afgelegd. Zij klaagde niet, maar zij was vermoeid; Jean Valjean bespeurde dit aan haar hand, waaraan zij zich schier liet voorttrekken. Hij nam haar op zijn rug; Cosette, zonder Kaatje los te laten, legde haar hoofd op Jean Valjeans schouder en viel in slaap.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings