← Table of contents
De Ellendigen (Deel 2 van 5)

’t Geen bij gasverlichting onmogelijk zou zijn.

Reading edition

In dit oogenblik werd een dof, gelijkmatig gerucht op eenigen afstand gehoord. Jean Valjean waagde het even, om den hoek te zien. Zeven of acht soldaten, tot een peloton gevormd, rukten de straat Polonceau in. Hij zag de bajonetten glinsteren. Zij kwamen op hem af.

Deze soldaten, aan wier spits hij Javerts hooge gestalte herkende, naderden langzaam en behoedzaam. Telkens bleven zij staan. ’t Was duidelijk dat zij alle hoeken der muren, de portalen der deuren en gangen doorzochten.

’t Was—deze gissing kon niet falen—een patrouille, welke Javert ontmoet en die hij opgeëischt had, hem te vergezellen.

Javerts beide helpers waren bij hem.

Uithoofde der langzaamheid van hun tred en hun veelvuldig stilhouden, hadden zij ongeveer een kwartieruurs noodig om ter plaatse te komen, waar Jean Valjean zich bevond. ’t Was een vreeselijk oogenblik. Eenige minuten scheidden Jean Valjean van den schrikbarenden afgrond, die zich ten derden male voor hem opende. En het bagno was nu niet alleen het bagno, maar het was het verlies van Cosette, voor altijd; dat is, een leven als in een graf. Één ding was nog slechts mogelijk.

Jean Valjean had dit bijzondere, dat men van hem kon zeggen, dat hij twee zakken droeg, in den eenen had hij de gedachten van een heilige, in den anderen de geduchte talenten van een tuchteling. Al naar de omstandigheid was, tastte hij in den eenen of in den anderen.

Ten gevolge zijner talrijke pogingen ter ontvluchting uit het bagno te Toulon, was hij, onder andere, zooals men zich herinnert, een volleerd meester in de ongelooflijke kunst, om zonder ladder, zonder haken, alleen door spierkracht, door de inspanning van nek, schouders, heupen en knieën, en door hier en daar de ruwe steenen tot steunpunt te nemen, desnoods tot een zesde verdieping langs twee muren, die een hoek vormden, op te klimmen; een kunst, die den hoek der binnenplaats van de Conciergerie te Parijs zoo berucht heeft gemaakt, door de ontvluchting van den veroordeelde Battemolle, nu twintig jaren geleden.

Jean Valjean mat den muur, waarboven hij den lindeboom zag, met zijn oogen. Deze was ongeveer achttien voet hoog. De hoek, dien hij met den gevel van het groote gebouw vormde, was van onder, in den vorm van een driehoek, dicht gemetseld, waarschijnlijk om dien hoek voor de onreinheden van sommige voorbijgangers te beveiligen. Deze voorzorg, om de hoeken dicht te metselen, is zeer algemeen in Parijs.

Dat metselwerk was bijna vijf voet hoog; om nu van die hoogte op den muur te komen moest men nog ongeveer veertien voet hooger klimmen.

Op den muur lagen platte steenen zonder uitstekende randen.

De zwarigheid was Cosette; want zij kon geen muur beklimmen. Haar te verlaten? Hieraan dacht Jean Valjean niet. Haar mee te nemen was onmogelijk. Een man heeft al zijn kracht noodig om zulk een buitengewone opstijging te volbrengen. De geringste last zou hem zijn zwaartepunt doen verliezen en ternederstorten.

Hij had een touw noodig. Jean Valjean had er geen. Waar, te middernacht, in de straat Polonceau, een touw te vinden? Had Jean Valjean een koninkrijk gehad, hij zou het op dat oogenblik voor een touw hebben gegeven.

In alle uiterste omstandigheden zijn het bliksems, die ons òf verblinden òf verlichten.

De wanhopende blik van Jean Valjean zag den paal der straatlantaarn in het slop Genrot. In dien tijd waren er geen gasbranders in de straten van Parijs. Zoodra de donker viel ontstak men, op zekere afstanden geplaatste, lantaarns, die, door middel van een touw, dat van den eenen naar den anderen kant over de straat was gespannen, en in de gleuf van een paal hing, op en neer werden gelaten. De schijf, om welke het touw liep, bevond zich onder de lantaarn in een klein ijzeren kastje, waarvan de lantaarnopsteker den sleutel had, terwijl het touw zelf door een ijzeren koker beschermd werd.

Met de geestkracht van een strijd op dood en leven sprong Valjean over de straat, liep het slop in, brak het slot van ’t kastje met de punt van zijn mes open, en een oogenblik later was hij weder bij Cosette. Hij had een touw. Zij die, tegen het noodlot worstelend, naar hulpmiddelen zoeken, handelen snel.

Wij hebben reeds gezegd, waarom de lantaarns dien nacht niet ontstoken waren. De lantaarn in de blinde steeg Genrot brandde mitsdien evenmin als de andere, en men kon er voorbij gaan zonder op te merken, dat zij niet als gewoonlijk hing.

Het nachtelijk uur, de duisternis, de onrust van Jean Valjean, zijn zonderlinge bewegingen, zijn heen- en weer gaan, dit alles begon Cosette te beangstigen. Een ander kind zou reeds lang geschreeuwd hebben. Zij trok Jean Valjean slechts bij den slip van zijn jas. Men hoorde steeds duidelijker het gerucht der naderende patrouille.

„Ik ben bang, vader,” zeide zij zacht. „Wat komt daar?”

„Stil!” antwoordde de ongelukkige man, „’t is vrouw Thénardier.”

Cosette schrikte. Hij hernam:

„Wees stil. Laat mij begaan. Zoo ge schreeuwt, zoo ge weent zal vrouw Thénardier ’t hooren. Zij komt om u te halen.”

Toen, zonder overijling en met volkomen juistheid en zekerheid, die te opmerkelijker waren in een oogenblik dat de patrouille en Javert ieder oogenblik konden komen, ontdeed hij zich van zijn das, bond dien Cosette onder de armen, en wel zoodanig dat hij ’t kind niet kon bezeeren, maakte aan den das een eind van het touw vast met een zoogenaamden weversknoop, nam het andere einde tusschen de tanden, trok zijn kousen en schoenen uit, welke hij over den muur wierp, klom op het metselwerk in den hoek, en schoof zich toen langs den hoek die de beide muren vormden met evenveel zekerheid en vastheid naar boven, alsof hij sporten onder de voeten en ellebogen had gehad. Binnen een halve minuut was hij boven op den muur op zijn knieën.

Cosette zag verstomd tot hem op, zonder een woord te zeggen. Jean Valjeans vermaning en de naam van vrouw Thénardier hadden haar doen verstommen.

Eensklaps hoorde zij de stem van Jean Valjean, die haar zacht toeriep:

„Ga tegen den muur staan.”

Zij gehoorzaamde.

„Spreek geen woord en wees niet bang,” hernam Jean Valjean.

Toen voelde zij zich van den grond opheffen.

Vóór zij den tijd had tot bezinning te komen, was zij op den muur.

Jean Valjean vatte haar, nam haar op zijn rug, hield haar handjes in zijn linkerhand, legde zich plat op den buik en kroop over den muur tot aan de deur, waar, zooals hij vermoed had, een gebouw stond, welks dak, ter hoogte van het planken beschot, zeer laag bij den grond, met een zachte glooiing en langs den lindeboom afliep.

’t Was een gelukkige omstandigheid, want aan die zijde was de muur veel hooger dan aan de straat.

Jean Valjean ontdekte den grond eerst zeer diep onder hem. Hij was op het schuine dak gekomen en had den rand van den muur nog niet losgelaten, toen een luid gerucht de komst der patrouille aankondigde. Men hoorde Javerts donderende stem roepen:

„Doorzoekt het slop! De straat Droit-Mur is bewaakt, de kleine Picpus-straat insgelijks. Ik sta er voor in, dat hij in ’t slop is.”

De soldaten stormden het slop Genrot in.

Jean Valjean liet zich langs het dak glijden, Cosette steeds vasthoudende; hij bereikte den lindeboom en sprong naar beneden. Cosette was, hetzij uit angst of uit moed, doodstil geweest. Haar handjes waren een weinig geschaafd.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings