← Table of contents
De Ellendigen (Deel 2 van 5)

Kleine Picpus-straat No. 62.

Reading edition

Een halve eeuw geleden onderscheidde zich de koetspoort van No. 62 in de kleine Picpus-straat door niets van een gewone koetspoort. Zij stond op verlokkende wijze gewoonlijk halfopen, en zij liet twee dingen zien, die niets treurigs hebben: een binnenplaats, wier muren met wingerden was bedekt, en een op- en neergaanden portier. Boven den achtermuur zag men hooge boomen uitkomen. Wanneer een zonnestraal de plaats, en een glas wijn den portier vervroolijkte, kon men No. 62 in de kleine Picpus-straat niet voorbijgaan, zonder een aangenamen indruk mede te nemen. ’t Was echter een somber oord, dat men had gezien.

De ingang lachte; het huis bad en weende.

Zoo men er in slaagde, ’t geen niet gemakkelijk was, den portier voorbij te komen—iets bijna onmogelijks zoo men niet een zeker machtwoord bezat—en men rechts een klein portaal binnenging, waar, tusschen twee muren, zulk een smalle trap was, dat slechts één persoon tegelijk die kon opgaan; zoo men zich door de kanarie-gele kleur der muren en de chocoladekleur der plint niet liet afschrikken en men ’t waagde op te klimmen, kwam men op een eerste, vervolgens op een tweede portaal, en eindelijk op de eerste verdieping in een gang, waar men zich door den gelen muur en de chocoladekleurige plinten met hardnekkigheid vervolgd zag. Trap en gang waren door twee fraaie vensters verlicht. De gang had een kromming, waar zij donker werd. Voorbij dien hoek kwam men, eenige schreden verder, voor een deur, die te geheimzinniger was, wijl ze niet was gesloten. Binnentredende bevond men zich in een kamertje van ongeveer zes voet in ’t vierkant; ’t was zindelijk, kil, met steenen bevloerd en met geel papier met groene bloemen behangen. Een flauw, mat licht viel door een groot venster met kleine ruiten, dat links de geheele breedte der kamer besloeg. Men zag om zich, doch bespeurde niemand; men luisterde, maar hoorde noch voetstappen, noch menschelijke stem. De wand was kaal, de kamer ledig, er stond zelfs geen stoel.

Zoo men nauwkeuriger toezag, ontdekte men in den wand tegenover de deur een opening van ongeveer een voet in ’t vierkant, met een traliewerk van zwarte, gekruiste, sterke ijzeren staven, die kleine ruiten—ik had schier mazen gezegd,—vormden, van omstreeks anderhalven duim. De groene bloempjes op het geel papier omgaven rustig en geregeld deze ijzeren tralies, zonder dat haar sombere aanraking ze verschrikte of verjoeg. Ware er een levend wezen geweest, mager genoeg om door de vierkante opening in en uit te kunnen gaan, het traliewerk zou ’t hem belet hebben. Deze opening liet niet het lichaam door, maar wel de oogen, dat is den geest. Men scheen hieraan gedacht te hebben, want achter de opening was een blikken plaat met duizend gaatjes bevestigd, kleiner dan die van een schuimspaan. Onder deze plaat was een spleet als die der brievenbussen. Rechts naast de getraliede opening hing een schelkoord.

Trok men aan deze koord, dan klonk een klokje en men hoorde zoo dicht bij zich een stem dat men er van schrikken zou.

„Wie is daar?” vroeg de stem.

’t Was een vrouwenstem, zulk een weeke, zachte stem, dat men er treurig van werd.

Nu moest men wederom een tooverwoord kennen; zoo niet, dan zweeg de stem en de muur werd stil, alsof de sombere duisternis van het graf aan de andere zijde ware geweest.

Zoo men het woord kende hernam de stem:

„Ga ter rechterzijde binnen.”

Men zag dan rechts, tegenover het venster, een glazen deur met een grijs geschilderd raampje daarboven. Men lichtte de klink op, trad binnen en men gevoelde denzelfden indruk als dien wanneer men in den schouwburg in een getraliede loge komt, vóór dat het traliewerk neergelaten en de kroonlichten ontstoken zijn. Men was inderdaad in een soort van schouwburgloge, die slechts karig licht door de glazendeur ontving, zeer klein, en met twee oude stoelen en een losgetornden stroozak gemeubeld was, een wezenlijke loge, met haar borstwering, waarop een zwarthouten tafeltje. Deze loge was getralied, maar niet met vergulde houten staven, als in de opera, maar met hecht dooreengewerkte ijzeren stangen, die stevig in den muur waren gemetseld.

Na verloop van eenige minuten, wanneer het oog een weinig aan die halve duisternis gewoon was geworden, beproefde het door de traliën te zien, maar het drong er niet verder door dan zes duim. Daar ontmoette het een beletsel van zwarte blinden, gesloten en bevestigd met geelbruine houten boomen. Deze blinden bestonden uit lange, smalle met scharnieren verbonden planken en bedekten de geheele lengte van het traliewerk. Zij waren altijd gesloten.

Na eenige oogenblikken hoorde men een stem van achter deze blinden roepen en vragen:

„Ik ben hier. Wat begeert ge van mij?”

’t Was een geliefde, soms zeer dierbare stem. Men zag niemand. Men hoorde nauwelijks ademhalen. Het was, alsof een doode uit zijn graf sprak.

In zekere bijzondere omstandigheden, die echter zeer zeldzaam waren, werd een der smalle bladen van het blind tegenover den bezoeker geopend, en het opgeroepen wezen verscheen. Achter de traliën, achter het blind zag men, zooveel de traliën toelieten, een hoofd, waarvan slechts de mond en de kin zichtbaar waren, het overige was met een zwarten sluier bedekt. Men zag flauw een zwart borststuk en een onduidelijke gestalte in een zwart kleed. Dat hoofd sprak, maar aanschouwde den aanwezende niet, en glimlachte nooit.

Het licht achter den bezoeker was zoodanig aangebracht, dat het op dit hoofd viel, maar hem zelf in schaduw hulde. Dat licht was een zinnebeeld.

De oogen drongen echter nieuwsgierig door de ontstane opening, in deze voor aller blikken gesloten ruimte. Een onbestemd ijdel omhulde de in rouw gekleede gestalte. De oogen peilden die diepte en poogden te onderscheiden wat de gestalte omgaf; doch spoedig overtuigden zij zich, dat zij niets zagen dan nacht en duisternis, een winterachtigen nevel met een graflucht gemengd, een schrikbarende rust, een stilte waarin men niets hoorde, zelfs geen zucht, een duisternis waarin men niets zag, zelfs geen spookbeelden.

Wat men zag was het binnenste eens kloosters.

Het was het inwendige van dat sombere, strenge huis, ’t welk men het klooster der Bernardijnen van de eeuwige aanbidding noemde. De loge, waarin men zich bevond, was het spreekvertrek. De eerste stem, welke men gehoord had, was die der portierster, die steeds bewegingloos en zwijgend aan de andere zijde van den muur zat, bij die vierkante opening, welke beschermd werd door de ijzeren traliën en de met duizenden gaatjes doorboorde blikken plaat, als door een dubbel vizier.

De duisternis der getraliede loge werd veroorzaakt doordien de spreekkamer, die slechts één venster aan de buitenzijde had, zonder venster aan de kloosterzijde was. Profane oogen mochten niets van dit gewijde oord zien.

Er was evenwel iets aan gene zijde dier duisternis,—er was licht, leven in dezen dood. Hoewel dit klooster buitengewoon door muren beschermd was, willen wij echter beproeven er binnen te dringen en er den lezer mede te doen binnendringen, en te spreken, zonder de bescheidenheid uit het oog te verliezen, over dingen, welke de verhalers nooit gezien hebben en waarvan zij bijgevolg niet hebben kunnen spreken.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings