Strengheden.
Reading edition
Minstens twee jaren, soms vier jaren, duurt de proeftijd, vier jaren het noviciaat. Zelden kan de gelofte voor het drie-en-twintigste of vier-en-twintigste jaar worden afgelegd. De bernardijner-benedictijner nonnen nemen geen weduwen in haar orde aan.
Zij geven zich in haar cellen aan vele onbekende kastijdingen over, waarvan zij nooit mogen spreken. Op den dag harer gelofte kleedt men de novice in haar fraaisten opschik, kroont haar met witte rozen, glanst en krult haar ’t haar; dan knielt zij; men spreidt over haar een grooten zwarten sluier en zingt de getijden der overledenen. Voorts verdeelen de nonnen zich in twee rijen, de eene rij gaat haar voorbij en zegt op treurigen toon: „Onze zuster is dood,” de andere rij antwoordt met helderklinkende stem: „Zij leeft in Jezus Christus!”
Ten tijde van ons verhaal was een kostschool aan dit klooster verbonden. Een kostschool voor adellijke, meestal rijke meisjes, waaronder men de jonkvrouwen de Sainte-Aulaire en de Bélissen, en een Engelsche jonge dame opmerkte, die den beroemden katholieken naam van Talbot droeg. Deze jonge meisjes, die tusschen vier muren door deze nonnen werden opgevoed, groeiden op in afschuw van de wereld en de eeuw. Een harer zeide ons eens: „toen ik de straat zag huiverde ik van top tot teen.” Zij waren in ’t blauw gekleed met een wit mutsje op ’t hoofd en een zilver vergulden of koperen H. Geest op de borst. Op sommige groote feestdagen, bijzonderlijk op dien van de H. Martha, veroorloofde men haar als een groote gunst, zich als non te kleeden en den geheelen dag de oefeningen van den H. Benedictus te verrichten. Aanvankelijk leenden de nonnen haar heur zwart gewaad. Maar dat scheen profaan en de priorin verbood het. Alleen de novicen mochten haar kleeding leenen. ’t Verdient opmerking, dat deze vertooningen waarschijnlijk in het klooster toegelaten en aangemoedigd door een heimelijken geest van proselytisme en om aan deze kinderen eenigen voorsmaak van het heilig gewaad te geven, voor de pensionnairen een wezenlijk geluk en een ware uitspanning waren. Zij vermaakten er zich mede. „’t Was iets nieuws, een verandering.”
Dit zijn de ware redenen der kindsheid, welke ons wereldlingen intusschen de zaligheid niet kunnen begrijpelijk maken van met een wijwaterkwast in de hand uren lang voor een koorlessenaar staande te zingen.
De kweekelingen waren, uitgezonderd wat de strenge kloosteroefeningen betreft, aan al de overige onderworpen. Zekere vrouw, die reeds eenige jaren weder in de wereld en getrouwd was, kon zich niet afwennen om telkens wanneer aan haar deur werd geklopt haastig te roepen: „in alle eeuwigheid.” Evenals de nonnen spraken de pensionnairen haar bloedverwanten in het spreekvertrek. Zelfs aan de moeders werd niet vergund haar te omhelzen. Ziehier in hoeverre de strengheid in dat opzicht gedreven werd: Een meisje ontving het bezoek van haar moeder, die haar driejarig zusje had meegebracht. De pensionnaire weende, dewijl zij zoo gaarne haar zusje had willen kussen. Dit was niet mogelijk. Zij verzocht, dat men het kind ten minste vergunde, de kleine hand door de spijlen te steken, opdat zij die zou kunnen kussen. Ook dit werd geweigerd, ja, voor een groote ergernis gehouden.