← Table of contents
De Ellendigen (Deel 2 van 5)

Een vijffrancstuk valt op den vloer.

Reading edition

Bij de St. Medardus-kerk zat op den rand van een ouden onbruikbaren put een arme, wien Jean Valjean gaarne een aalmoes gaf. Zelden ging hij dien man voorbij zonder hem een sou te geven. Vaak sprak hij met hem. De afgunstigen op dezen arme zeiden, dat hij „tot de politie” behoorde. ’t Was een vijf-en-zeventigjarig man, die gestadig gebeden prevelde.

Op zekeren avond, dat Jean Valjean hier langs ging—hij had Cosette niet bij zich—zag hij den bedelaar op zijn gewone plaats onder de straatlantaarn, die juist ontstoken was. De man scheen als gewoonlijk te bidden en zat diep gebogen. Jean Valjean naderde hem en gaf hem de gewone aalmoes. De bedelaar sloeg snel de oogen op, staarde Jean Valjean strak aan, en boog toen schielijk weder het hoofd. Deze beweging was bliksemsnel. Jean Valjean ontroerde. Het scheen hem, dat hij bij het licht der lantaarn niet het rustig en vroom gelaat van den ouden bedelaar, maar een vreeselijk en bekend gezicht had gezien. Hij voelde de gewaarwording van iemand, die eensklaps in de duisternis een tijger voor zich ziet. Verschrikt en als versteend deinsde hij terug, niet wagende te ademen, te spreken, te blijven, te vluchten,—den bedelaar aanstarende, die zijn hoofd weder gebogen had en niet meer scheen te weten dat hij er nog was. Een instinct, misschien het geheimzinnige instinct van zelfbehoud, weerhield Jean Valjean in dit oogenblik een woord te spreken. De bedelaar had dezelfde grootte, dezelfde lompen, hetzelfde voorkomen als alle dagen.—Och! dacht Jean Valjean, ik ben mal! ik droom! ’t is onmogelijk! Hij kwam echter in de grootste ontsteltenis te huis.

Nauwelijks durfde hij ’t zich zelven bekennen, dat hij Javerts gezicht had meenen te zien.

Toen hij des nachts er over nadacht, speet het hem, den man niet te hebben aangesproken, ten einde hem te noodzaken het hoofd nogmaals op te heffen.

Den volgenden dag, tegen den avond, ging hij weder derwaarts. De bedelaar was op zijn gewone plaats.—Goeden avond, vriend, zei Jean Valjean onverschrokken, hem een sou gevende. De bedelaar zag op en zeide met jammerlijke stem: „Ik dank u, mijn goede heer.”—’t Was wel de oude bedelaar.

Jean Valjean voelde zich volkomen gerustgesteld. Hij glimlachte.—„Hoe drommel, heb ik dáár Javert kunnen zien? dacht hij. Zouden mij mijn oogen beginnen te foppen?” Hij dacht er niet verder over.

Eenige dagen later, ’t kon acht uren ’s avonds zijn, was hij in zijn kamer en hoorde, terwijl hij Cosette luid liet spellen, de voordeur van het huis openen en weder sluiten. Dit kwam hem vreemd voor. De oude vrouw, de eenige welke met hem het huis bewoonde, ging steeds met het donker naar bed, om geen licht te branden. Jean Valjean wenkte Cosette te zwijgen. Hij hoorde iemand de trap opgaan. ’t Is waar, ’t kon de oude vrouw zijn, die, ongesteld geworden, naar den apotheker was gegaan. Jean Valjean luisterde. De tred was zwaar en klonk als die van een man; maar de oude vrouw droeg zware schoenen, en niets gelijkt meer naar den tred van een man, dan die van een oude vrouw. Jean Valjean blies intusschen zijn kaars uit.

Hij had Cosette naar bed gebracht en zacht tot haar gezegd: „Ga heel stil naar bed,” en terwijl hij haar op het voorhoofd kuste, hadden de voetstappen opgehouden. Jean Valjean bleef stil, bewegingloos, met den rug naar de deur gekeerd, op zijn stoel, welken hij niet verlaten had, met ingehouden adem, in ’t donker zitten. Na een tamelijk geruime poos niets meer hoorende, keerde hij zich om zonder eenig gerucht te maken, en zijn oogen toen naar de kamerdeur slaande, zag hij licht door het sleutelgat. Dit licht vormde een onheilspellende ster in ’t donker van deur en muur. Blijkbaar was er iemand die met een licht in de hand luisterde.

Na verloop van eenige minuten verdween het licht.

Maar hij hoorde geen gerucht van voetstappen, ’t geen scheen aan te duiden dat degeen, die aan de deur luisterde, zijn schoenen had uitgetrokken.

Jean Valjean wierp zich geheel gekleed op het bed, maar sloot den geheelen nacht geen oog.

Bij ’t aanbreken van den dag, juist toen hij van vermoeidheid insluimerde, wekte hem het knarsen eener deur die aan ’t einde van de gang geopend werd; vervolgens hoorde hij denzelfden manstred, die den vorigen avond de trap was opgegaan. De tred naderde. Hij sprong uit het bed en bracht zijn oog voor het sleutelgat, dat tamelijk groot was, in de hoop in ’t voorbijgaan dengene te zien, die des nachts in ’t huis was gekomen en aan zijn deur geluisterd had. ’t Was werkelijk een man, die ditmaal, zonder zich op te houden, Jean Valjeans kamer voorbijging. De gang was nog te donker om zijn gezicht te kunnen onderscheiden; maar toen de man aan de trap was gekomen, vertoonde het invallend daglicht zijn schaduwbeeld, en Jean Valjean zag hem volkomen van achter. De man was hoog van gestalte, droeg een lange jas en een stok onder zijn arm. ’t Waren de forsche omtrekken van Javert.

Jean Valjean zou hem gaarne door zijn venster op den boulevard hebben nagezien. Maar hij zou dan het raam hebben moeten openen, en dit durfde hij niet.

’t Was duidelijk dat deze man met een sleutel en alsof hij te huis was, was binnengekomen. Wie had hem dien sleutel gegeven? Wat moest dat beteekenen?

Te zeven uren ’s ochtends, toen de oude vrouw de kamer kwam in orde brengen, sloeg Jean Valjean een vorschenden blik op haar, maar vroeg haar niets. Zij was als gewoonlijk.

Terwijl zij de kamer veegde, zeide zij:

„Mijnheer heeft misschien van nacht iemand hooren binnenkomen.”

Op dien leeftijd en op dien boulevard is ’t om acht ure reeds nacht.

„Ja, inderdaad,” antwoordde hij op onverschilligen toon. „Wie was het?”

„Een nieuwe inwoner,” zei de oude vrouw.

„Hoe heet hij?”

„Ik weet niet recht, Dumont of Daumont, of zoo iets.”

„En wat is die mijnheer Daumont?”

De oude vrouw gluurde hem aan met haar kleine bunsing-oogen, en antwoordde:

„Een rentenier, evenals gij.”

Zij zeide dit misschien zonder eenige bedoeling. Jean Valjean meende er die echter in te ontdekken.

Toen de oude vrouw zich verwijderd had, maakte hij een rol van een honderdtal francs die hij in eene kast had, en stak ze in zijn zak. Hoe voorzichtig hij hierbij te werk ging, om het geld niet te doen rammelen, schoot hem echter een vijffrancstuk door de vingers en rolde luid over den vloer.

Tegen de avondschemering ging hij naar buiten en zag nauwkeurig naar alle zijden van den boulevard. Hij zag niemand. De boulevard scheen volkomen eenzaam. ’t Is waar, dat men er zich achter een boom kon verbergen.

Hij ging weder naar boven.

„Kom,” zeide hij tot Cosette.

Hij nam haar bij de hand en zij gingen heen.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings