Men zie den platten grond van Parijs in 1727.
Reading edition
Na een driehonderd schreden te hebben gedaan, kwam hij ter plaatse, waar de straat zich in twee straten vertakte, de eene rechts, de andere links. Jean Valjean had een soort van Y voor zich. Welken arm zou hij er van kiezen?
Hij aarzelde niet en koos den rechter.
Waarom?
Wijl de linker tak naar de voorstad, naar bewoonde plaatsen, en de rechter naar het veld, naar het onbewoonde voerde.
Zij gingen echter niet snel meer; want Cosette’s schreden vertraagden die van Valjean.
Hij droeg haar nogmaals. Cosette legde haar hoofd op zijn schouder en sprak geen woord.
Nu en dan keerde hij zich om en zag achter zich. Hij zorgde steeds aan de donkere zijde der straat te blijven. De straat liep achter hem rechtuit. Hij keerde zich twee of drie keeren om, doch zag niets, alles was stil, en eenigszins geruster zette hij zijn weg voort. Eensklaps meende hij, juist toen hij zich omkeerde, dat zich iets in de straat, ver achter hem, in de duisternis bewoog.
Hij liep voort, meer dan hij ging, in de hoop een zijstraat te vinden, daar door te ontkomen en nogmaals zijn vervolgers van het spoor te brengen.
Hij kwam aan een muur.
Deze muur belette hem echter niet, verder te gaan; want langs dezen muur liep een dwarsweg, welke zich met de straat verbond, die Jean Valjean volgde.
Hier moest hij wederom rechts of links kiezen.
Hij zag rechts. Aan dien kant verlengde zich de steen tusschen loodsen of schuren en liep blind. Men kon duidelijk aan het einde van die blinde steeg een grooten, witten muur zien. Hij zag links. Aan dien kant was de steeg open, en liep ongeveer tweehonderd schreden ver in een straat uit. Naar dien kant bestond er redding.
Juist toen Jean Valjean links wilde gaan om de straat te bereiken, welke hij aan het einde der steeg zag, bespeurde hij op den hoek der steeg en deze straat iets als een zwart beeld.
’t Was iemand, die daar blijkbaar geplaatst was, om op te passen en den doortocht te beletten.
Jean Valjean trad achteruit.
Het punt van Parijs, waar Jean Valjean zich bevond, tusschen de voorstad St. Antoine en la Râpée, is er een van die, welke door de nieuwe verbouwingen geheel en al veranderd zijn, en welke veranderingen volgens sommigen ontsieringen, volgens anderen verfraaiingen zijn. De velden, de werven en oude gebouwen zijn verdwenen. Tegenwoordig zijn er nieuwe, groote straten, circussen, wedrenpleinen, hippodromes, spoorwegstations en de gevangenis Mazas: de vooruitgang en wat er mede in verband staat.
Een halve eeuw geleden heette de plek, welke Jean Valjean bereikt had, in de volkstaal „Klein Picpus.”
Klein Picpus, dat overigens nauwelijks bestaan heeft en slechts de poging eener wijk is geweest, had schier het kloosterachtig voorkomen eener Spaansche stad. De wegen waren er slechts gedeeltelijk geplaveid, de straten slechts gedeeltelijk bebouwd. De twee of drie straten uitgezonderd, waarvan wij spreken zullen, zag men er niets dan muren en eenzaamheid. Geen winkels, geen rijtuigen; te nauwernood hier en ginds een licht aan de vensters; na tien uren waren alle lichten uit. Niets dan tuinen, kloosters, werven, moerassen; enkele lage huizen en groote muren, even hoog als de huizen.
Zoodanig was deze wijk in de vorige eeuw. De revolutie had ze reeds ruw aangetast. Het republikeinsch bestuur had ze gesloopt, omvergehaald, doorgebroken. Zij was een bergplaats van puin en steen geworden. Dertig jaren geleden was deze wijk onder den nieuwen bouw nauwelijks meer kenbaar; thans is zij geheel verdwenen.
Klein Picpus was, zooals wij gezegd hebben, een Y van straten, gevormd door den Chemin-Vert-Saint-Antoine, die zich in twee takken splitste en links den naam van kleine Picpusstraat en rechts dien van Polonceau-straat droeg. De twee armen der Y waren aan den top als door een keten verbonden. Deze keten heette rue Droit-Mur.
Hier nu bevond zich Jean Valjean.
Wij hebben gezegd, dat hij terugtrad, toen hij de donkere, wachtende gestalte aan den hoek der straten Droit-Mur en kleine Picpus zag. Deze gestalte sloeg hem gade.
Wat moest hij doen? Hij had den tijd niet meer om terug te keeren.—Wat hij een oogenblik te voren op eenigen afstand achter zich had zien bewegen, was ontwijfelbaar Javert met zijn mannen, en dezen bevonden zich waarschijnlijk reeds aan den ingang der straat, aan welker einde Jean Valjean was. Javert was vermoedelijk met dezen kleinen doolhof bekend en had zijn maatregelen genomen door het zenden van een zijner mannen, om den uitgang te bewaken. Deze gissingen, die schier zekerheid waren, vielen, als stof, dat de wind opheft, terstond smartelijk op Valjeans hoofd. Hij onderzocht de blinde steeg; zij liep dood. Hij onderzocht de kleine Picpusstraat; er stond een schildwacht. Hij zag deze sombere gestalte op de door de maan verlichte straat donker uitkomen. Zoo hij achteruitging, stiet hij op Javert. Hij gevoelde zich als in een net gevangen, dat zich langzaam dichttrekt. Wanhopend zag hij ten hemel.