← Table of contents
De Ellendigen (Deel 2 van 5)

Begin van een raadsel.

Reading edition

Jean Valjean bevond zich in een soort van zeer grooten tuin, die een zonderling aanzien had; een dier sombere tuinen, welke bestemd schijnen, om alleen des winters en bij den nacht gezien te worden. Deze tuin had een langwerpige oppervlakte, met een rij hooge populieren aan het einde, tamelijk hooge heesters in de hoeken en een schaduwlooze ruimte in het midden, waar men een enkelen zeer grooten boom, eenige kromme, lage vruchtboomen, moesbedden, een meloenenbed, welks klokken in den maneschijn blonken, en een ouden waterput zag. Hier en daar stonden steenen banken, die met mos waren bedekt. De paden waren met kleine, donkere struiken afgezet. De helft der paden was met gras begroeid, het overige was met groen-schimmel bedekt.

Naast zich zag Jean Valjean het gebouw, langs welks dak hij naar beneden was gekomen, een hoop takkebossen, en achter de takkebossen, dicht tegen den muur, een steenen beeld, welks geschonden gezicht nog slechts een vormloos masker vertoonde, dat in de duisternis onduidelijk te voorschijn kwam.

Dit gebouw was een soort van ruïne, waarin men vervallen kamers onderscheidde, van welke eene tot schuur of bergplaats scheen te dienen.

Het groote gebouw der straat Droit-Mur, dat in de kleine Picpus-straat uitkwam, had in den tuin twee gevels, die een rechten hoek vormden. Deze achtergevels waren nog ellendiger dan de buitengevel. Al de vensters waren met tralies. Men zag er volstrekt geen licht. Voor de vensters der bovenverdiepingen waren koekoeken, als aan de gevangenissen. De eene dier gevels wierp zijn schaduw op den anderen, die op den tuin terugviel als een groot, zwart laken.

Men zag geen andere huizen. De achtergrond van den tuin verloor zich in nevel en duisternis. Men onderscheidde echter onduidelijk muren, als van andere tuinen, en de lage daken der straat Polonceau.

Men kon zich niets somberder en eenzamer voorstellen dan dezen tuin. Er was niemand, ’t geen in dit uur niet vreemd was; maar de plaats zag er uit, alsof er nooit iemand kwam, zelfs niet op klaarlichten dag.

De eerste zorg van Jean Valjean was geweest zijn schoenen te zoeken en ze weder aan te trekken, en vervolgens met Cosette in de bergplaats te gaan. Een vluchteling acht zich nooit genoeg verborgen. Het kind dacht nog altijd aan vrouw Thénardier, en deelde dus in Jean Valjeans zucht om zich zoo goed mogelijk te verschuilen.

Cosette beefde en drong zich tegen hem aan. Men hoorde het gerucht der patrouille, die het slop en de straat doorzocht, het stooten der kolven op de straatsteenen, het geroep van Javert tot zijne op wacht gestelde lieden, en zijn vervloekingen, vermengd met woorden, welke men niet verstaan kon.

Na een kwartieruurs scheen dit onweder allengs af te trekken. Jean Valjean hield zijn adem in.

Zacht had hij zijn hand op den mond van Cosette gelegd.

De eenzaamheid, waarin hij zich bevond, was overigens zoo zonderling rustig, dat dit vreeselijke rumoer, zoo heftig en zoo nabij, er niet de minste stoornis bracht. Het scheen alsof deze muren gebouwd waren met de doove steenen, waarvan de bijbel spreekt.

Eensklaps, te midden dier diepe stilte, ontstond een nieuw geluid; een hemelsch, goddelijk, onbeschrijfelijk geluid, even verrukkelijk als het andere gruwelijk geweest was. ’t Was een gezang, dat uit de duisternis kwam, een verheven harmonisch gebed, in de schaduw en de vreeselijke stilte van den nacht; een gezang van vrouwenstemmen, die den reinen klank der maagden en den natuurlijken toon der kinderen hadden, stemmen, welke niet tot de aarde behooren, maar aan die gelijken, welke de pasgeborenen nog in de ooren klinken en de stervenden reeds beginnen te vernemen. Dit gezang kwam uit het sombere gebouw, ’t welk aan den tuin uitkwam. Juist toen het leven der duivelen verdween, scheen een engelenkoor in de schaduw te naderen.

Cosette en Jean Valjean knielden.

Zij wisten niet wat het was, zij wisten evenmin waar zij waren; maar beiden, de man en het kind, de boeteling en de onschuldige, gevoelden dat zij moesten knielen.

Het zonderlinge was, dat, in weerwil dezer stemmen, het gebouw eenzaam scheen. ’t Was als een bovennatuurlijk gezang in een onbewoond huis.

Terwijl deze stemmen zongen, dacht Jean Valjean aan niets meer. Hij zag geen nacht meer, maar een blauwen hemel. ’t Was hem, alsof die vleugels zich uitbreidden, welke wij allen in ons hebben.

Het gezang zweeg. Jean Valjean had niet kunnen zeggen, of het lang geduurd had. De uren van verrukking duren immer slechts één minuut.

Alles was weder stil geworden. Men hoorde niets meer in de straat, niets meer in den tuin. Zoowel wat hem bedreigde als wat hem geruststelde was verdwenen. De wind bewoog het dorre gras op den muur, dat een zacht, treurig geritsel voortbracht.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings