← Table of contents
De Ellendigen (Deel 2 van 5)

Het kleine klooster.

Reading edition

Op het terrein van Klein-Picpus stonden drie, geheel van elkander verschillende gebouwen: het groot gebouw, door de nonnen bewoond, het pensionaat, met de kweekelingen, en eindelijk het zoogenaamde Kleine Klooster. In dit laatste gebouw, dat een tuin had, woonden gemeenschappelijk oude nonnen van verschillende orden; overblijfselen der door de Revolutie verwoeste kloosters; een bont mengsel van zwarte, grijze en witte nonnen uit alle congregatiën en van alle mogelijke soorten; men had het, zoo zulk een woordverbinding geoorloofd was, een harlekijns-klooster kunnen noemen.

Sedert het Keizerrijk was ’t aan al deze arme, verstoorde, verjaagde geestelijke dochters vergund geworden een schuilplaats onder de vleugelen der benedictijner-bernardijner nonnen te zoeken. Het gouvernement gaf ze een kleine jaarwedde; de dames van Klein-Picpus hadden ze met welwillendheid ontvangen. ’t Was een zonderling mengelmoes! Iedere non volgde haar regel. Als een groote uitspanning veroorloofde men nu en dan den pensionnaires, haar een bezoek te geven; ten gevolge daarvan hebben haar jeugdige herinneringen, onder andere, de gedachtenis bewaard van moeder Bazilius, van moeder Scolastica en van moeder Jakob.

Een dezer vluchtelingen bevond zich hier bijkans als tehuis. ’t Was een non van St. Aure, de eenige die haar orde overleefd had. In het begin der achttiende eeuw was het oude klooster der dames van St. Aure hetzelfde huis van Klein Picpus, dat later aan de benedictijner nonnen van Martin Verga behoorde. Deze vrome dochter, te arm voor de kostbare dracht harer orde, dat uit een wit kleed met scharlaken scapulier bestond, had daarmede een popje gekleed, dat zij met innig genoegen vertoonde en later aan het huis vermaakte. In 1824 bleef van deze orde slechts één non; tegenwoordig is er slechts een pop van over.

In 1820 of 1821 verzocht mevrouw de Genlis, die destijds een klein tijdschrift, de Intrépide, schreef, in het klooster van Klein Picpus te mogen wonen. Zij werd door den hertog van Orleans aanbevolen. Gedruisch in de bijenkorf; de kapittelmoeders beefden; mevrouw de Genlis had romans geschreven, maar verklaarde dat zij de eerste was die ze verfoeide, en bovendien was zij het tijdperk der strengste vroomheid ingetreden. Met Gods hulp en die van den hertog kwam zij er in; maar na verloop van zes of acht maanden ging zij er weder uit, om reden, zooals zij zeide, dat er in den tuin geen schaduw was. Dit verblijdde de nonnen niet weinig. Hoewel zeer oud, bespeelde mevrouw de Genlis nog zeer goed de harp.

Toen zij vertrok, liet zij een kenteeken van zich in haar cel achter. Mevrouw de Genlis was bijgeloovig en verstond Latijn. Deze twee woorden schetsen tamelijk goed haar portret. Eenige jaren geleden zag men nog in een kleine kast harer cel, waarin zij haar geld en juweelen borg, deze vijf latijnsche verzen, eigenhandig door haar met rooden inkt op geel papier geschreven, tegen den muur geplakt, en welke woorden, volgens haar meening, de kracht hadden de dieven te verschrikken:

Imparibus meritis pendent tria corpora ramis:

Dismas et Gesmas, media est divina potestas;

Alta petit Dismas, infelix, infima, Gesmas,

Nos et res nostras conservet summa potestas.

Hos versus dicas, ne tu furto tua perdas.

Deze, in Latijn der zesde eeuw geschreven verzen doen de vraag oprijzen of de twee moordenaars, op den Kalvarieberg, zooals men algemeen gelooft, Dimas en Gestas, of Dismas en Gesmas heetten. Deze spelling zou zeker in de vorige eeuw de aanspraken van den graaf de Gestas, die beweerde van den kwaden moordenaar af te stammen, bestreden hebben. Overigens behoort de weldoende kracht, welke aan deze verzen wordt toegeschreven, tot de geloofsartikelen der hospitaalnonnen.

De kerk van het huis, die zoodanig was gebouwd, dat zij het groote klooster van het pensionaat scheidde, was echter met dit, het kleine klooster en het pensionaat in gemeenschap. Zelfs werd er het publiek door een bijzondere gang, op de straat uitloopende, in toegelaten. Alles was echter zoo ingericht, dat geen der kloosterbewoners een vreemd gezicht zien kon. Men stelle zich een kerk voor, wier koor door een reuzenhand gegrepen en zoo gebogen was, dat het niet, zooals in gewone kerken, een verlenging achter het altaar vormde, maar een soort van kamer of donker hol ter rechterzijde van den dienstdoenden priester; men stelle zich deze kamer voor, door een gordijn van zeven voet hoog gesloten, waarvan wij reeds gesproken hebben; waarachter, in de schaduw, in houten banken de koornonnen links, de pensionnairen rechts en de novicen op den achtergrond geplaatst zijn, en men zal eenig begrip hebben der religieusen van Klein-Picpus, wanneer zij de heilige diensten bijwonen. Deze spelonk, welke men het koor noemt, was door een gang met het klooster in verbinding. De kerk ontving het licht uit den tuin. Wanneer de nonnen officiën bijwoonden, waarbij de regel haar stilte oplegde, had het publiek van haar tegenwoordigheid geen ander bewijs dan de slagen der „disciplines” (geeselkoorden), die in de banken met gedruisch opgeheven en neergelaten werden.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings