De kleine alleen.
Reading edition
Dewijl de herberg van Thénardier in dat gedeelte van ’t dorp stond, dat bij de kerk is, moest Cosette het water uit de bron in het bosch naar den kant van Chelles halen.
Zij sloeg geen blik meer naar de kramen.
Zoolang zij in de Bakkerssteeg en in de nabijheid der kerk was, verlichtten de kaarsen in de kramen haar weg, maar spoedig verdween het laatste licht der laatste kraam. Toen bevond het arme kind zich in de duisternis. Zij begaf er zich in. Door de ontroering waarin zij was, deelde zich haar onrust ook aan den emmer mede. Het gerucht dat de krijschende hengel maakte, vergezelde haar in haar loop.
Hoe verder zij kwam, des te dikker werd de duisternis. Er was niemand meer op de straat. Evenwel ontmoette zij een vrouw, die in ’t voorbijgaan het hoofd omkeerde, staan bleef en binnensmonds prevelde: Waar mag dat kind toch heengaan? Is ’t een jonge weerwolf?—Maar toen de vrouw Cosette herkende, zeide zij:—’t Is de Leeuwerik.
Zoo doorkruiste Cosette den doolhof van kromme, eenzame straten, waarin, aan den kant van Chelles, het dorp Montfermeil uitloopt. Zoolang er huizen, of zelfs maar muren aan de zijden van haar weg waren, ging zij tamelijk stoutmoedig voort. Nu en dan zag zij het schijnsel van een licht door de reet van een vensterluik; ’t was licht en leven, er waren menschen en dat stelde haar gerust. Hoe verder zij echter voortging, des te langzamer werd als werktuiglijk haar tred. Voorbij den hoek van het laatste huis gekomen, bleef Cosette staan. Voorbij de laatste kraam te gaan was moeielijk geweest; verder dan het laatste huis te gaan werd onmogelijk. Zij zette den emmer neder, sloeg haar hand in het haar en krabde langzaam ’t hoofd, een eigenaardige beweging van kinderen die ontsteld en besluiteloos zijn. ’t Was nu Montfermeil niet meer, ’t was het open veld. Een donkere, eenzame ruimte lag voor haar. Wanhopend aanschouwde zij deze duisternis, waarin geen mensch was, waarin dieren, waarin misschien spoken waren. Zij staarde angstvallig en hoorde dieren in het gras loopen, zij zag duidelijk spoken zich in de boomen bewegen. Toen greep zij weder den emmer; de angst gaf haar moed:—Ha! zeide zij, ik zal haar zeggen dat er geen water meer was.—En onversaagd trad zij Montfermeil weder binnen.
Nauwelijks was zij honderd schreden gegaan, toen zij weder stilhield en haar hoofd krabde. Nu was het vrouw Thénardier die voor haar verscheen; vrouw Thénardier vreeselijk met haar hyena’smond en vlammenden toorn in de oogen. Het kind sloeg een erbarmelijken blik voor en achter zich. Wat te doen? Wat zou van haar worden? Waarheen te gaan? Voor zich het spookbeeld van vrouw Thénardier; achter zich al de verschijningen van den nacht en het bosch. Voor vrouw Thénardier deinsde zij achteruit. Zij sloeg weder den weg naar de bron in en begon te loopen. Loopende verliet zij het dorp, en loopende trad zij in het bosch, naar niets meer ziende, naar niets meer luisterende. Zij hield niet eerder op met loopen dan toen de adem haar ontbrak; zij ging echter langzamer voort, gejaagd en hijgend.
Onder ’t gaan had zij grooten lust tot schreien.
De nachtelijke huivering van het bosch omgaf haar.
Zij dacht, zij zag niet meer. Dit kleine wezen stond tegenover den onmetelijken nacht. Volslagen duisternis aan de eene zijde, een nietig stofdeeltje aan de andere.
Van den zoom van ’t bosch tot de bron was de afstand slechts zeven of acht minuten. Cosette kende den weg, wijl zij dien meermalen over dag had afgelegd! Zonderling, zij verdwaalde niet. Een soort van instinct leidde haar. Echter sloeg zij de oogen noch rechts noch links, uit vrees, iets in de takken en het struikgewas te zien. Eindelijk kwam zij aan de bron.
’t Was een natuurlijke kuip, door het water in den leemachtigen bodem uitgehold, van omstreeks twee voet diep, omgeven van mos en hoog gerimpeld gras, kraagjes van Hendrik IV genoemd, en geplaveid met eenige groote steenen. Een stil kabbelend beekje stroomde er uit.
Cosette gunde zich den tijd niet om te ademen. Het was zeer donker, maar Cosette was gewoon aan die fontein te komen. Met de linkerhand zocht zij in de duisternis een over de bron gebogen jongen eik, die haar gewoonlijk tot steunpunt diende, vond een tak, vatte dien, bukte en dompelde den emmer in ’t water. Zij was in zulk een hevige overspanning, dat haar kracht verdrievoudigd was. Terwijl zij alzoo voorover was gebogen, lette zij er niet op, dat iets uit het zakje van haar voorschoot in de bron viel. Het vijftienstuiversstuk viel in ’t water. Cosette zag noch hoorde het vallen. Zij haalde den emmer schier vol op en zette hem op het gras.
Dit gedaan hebbende, gevoelde zij zich uitgeput van vermoeienis. Zij had wel dadelijk willen terugkeeren; maar haar inspanning, om den emmer te vullen, was zoo groot geweest, dat zij onmogelijk een voet kon verzetten. Zij moest een oogenblik rusten. Zij liet zich op het gras neer en bleef er gehurkt zitten.
Zij sloot de oogen en opende ze weder, zonder te weten waarom, doch zij kon niet anders. Naast haar vormde het deinende water in den emmer nog kringen, die als slangen van wit vuur geleken.
Boven haar hoofd was de hemel met groote, zwarte wolken bedekt, die als rook voorbijdreven. Het treurig masker der duisternis scheen zich eenigszins over dit kind te hangen.
Jupiter verschool zich achter de wolken.
Met ontstelden blik aanschouwde het kind deze groote ster, welke zij niet kende en die haar vrees inboezemde. De planeet was inderdaad op dat oogenblik zeer dicht aan den horizon en scheen door een dichten nevel, die haar een vreeselijk rood gaf. De purperkleurige nevel vergrootte de ster. Zij was als een lichtgevende wond. Een koude wind blies over de vlakte. Het bosch was donker, zonder bladerengeritsel, zonder de minste avondschemering. Dreigend verhieven zich de hooge takken. Het kleine struikgewas floot over de open plekken. Het hooge gras wemelde als alen onder den nachtwind. De braamstruiken geleken uitgestoken armen met klauwen gewapend, om haar prooi te vatten. Dorre heidestruiken, door den wind voortgedreven, vlogen voorbij en schenen verschrikt voor iets te vluchten, dat naderde. Aan alle zijden was ’t een somber verschiet.
De duisternis is duizelingwekkend. De mensch heeft licht noodig. Wie zich in ’t donker begeeft, voelt zijn hart beklemd. Wanneer het oog zwart ziet, ziet de geest verward. Zelfs de sterkste mensch gevoelt zich onbehagelijk bij verduistering, in den nacht, in het donker. Niemand gaat ’s nachts alleen door een bosch zonder huivering. Een hersenschimmige werkelijkheid verschijnt in de onbestemde diepte. Het onbegrijpelijke teekent zich op eenige schreden van u met spookachtige juistheid af. Men ziet in de ruimte of in zijn eigen hersenen iets onduidelijks, ontastbaars zweven, als de droom der slapende bloemen. Woeste gestalten staan aan den horizon. Men ademt de uitvloeisels van het groote donkere ledige. Men is angstig en wil toch omzien. Men is weerloos tegen de holte van den nacht, de schaduwachtige voorwerpen, de zwijgende gestalten die verdwijnen wanneer men nadert, tegen de dreigende struiken en struweelen, tegen vale plassen, tegen de oneindige stilte des grafs, tegen alle mogelijke onbekende wezens, tegen het geheimzinnig buigen der takken, tegen schrikbarende boomstompen. De grootste stoutmoedigheid beeft, en voelt de angst nabij. ’t Is alsof de ziel zich in de donkerheid wil oplossen. Voor een kind is de eenzaamheid in de duisternis iets onuitsprekelijk vreeselijks.
De bosschen zijn verborgenheden; en het klapwieken eener kleine ziel maakt een doodelijk gedruisch onder hun kolossaal gewelf.
Zonder zich eenig begrip te vormen van haar gewaarwordingen, voelde Cosette zich door deze donkere verschrikkelijkheid der natuur aangegrepen. ’t Was niet slechts schrik, die haar overweldigde, ’t was iets nog vreeselijker. Zij sidderde. Er zijn geen woorden om te zeggen, hoe vreemd de huivering was, die haar tot in ’t binnenste des harten deed ijzen. Haar oog was woest geworden. Zij meende te gevoelen, dat zij ’t misschien niet zou kunnen verhinderen, morgen terzelfder plaatse, in hetzelfde uur terug te komen.
Toen, als door instinct, en om uit den toestand, dien zij niet begreep, maar die haar beangstigde, te geraken, telde zij met luide stem een, twee, drie, vier, tot tien en begon dan opnieuw. Dit bracht haar tot het besef der dingen, die haar omgaven, terug. Zij voelde dat haar handen, door het waterputten nat geworden, koud waren. Zij stond op. Haar angst was teruggekeerd, een natuurlijke onverwinbare angst. Zij had slechts ééne gedachte, die van te vluchten; zoo snel zij kon door het bosch, over het veld tot de huizen, tot de vensters, tot de brandende kaarsen te vluchten. Haar blik viel op den voor haar staanden emmer.
Haar angst voor vrouw Thénardier was zoo groot, dat zij niet zonder den emmer met water durfde vluchten. Zij vatte met bevende handen het hengsel. Met moeite kon zij den emmer dragen.
Toen deed zij een twaalftal schreden, maar de emmer was vol, zwaar, en zij was gedwongen hem neder te zetten. Zij schoot even in den adem, toen nam zij den emmer weder en ging verder, nu iets langer. Maar wederom moest zij blijven staan. Na eenige seconden rust, ging zij opnieuw met voorover gebogen hoofd als een oude vrouw; het gewicht van den emmer rekte en verstijfde haar magere armen. Het ijzeren hengsel verdoofde en verkilde haar natte handen nog meer, gedurig moest zij stilstaan, en dan kletste telkens het over den emmer stroomend water tegen haar bloote voeten. Dit gebeurde in een bosch des nachts, des winters, ver van eenig menschelijk oog; ’t was een achtjarig kind; God alleen zag dit oogenblik, dezen treurigen toestand.
En zeker ook haar moeder, helaas!
Want er zijn dingen, die de oogen der dooden in hun graf openen.
Zij hijgde en steunde smartelijk; haar keel was door het gesnik dicht gewrongen, maar zij durfde niet weenen, zoo bevreesd was zij, zelfs in de verte, voor vrouw Thénardier. Zij was gewoon zich te verbeelden, dat vrouw Thénardier altijd tegenwoordig was.
Op deze wijze kon zij evenwel weinig vorderen, niettegenstaande zij elk rustpunt verkortte en na ieder zoo lang en zoo snel mogelijk voortstapte. Met schrik dacht zij, dat er meer dan een uur verloopen zou, eer zij te Montfermeil terug was, en dat vrouw Thénardier haar slaan zou. Deze angst kwam nog bij haar schrik van zich des nachts in het bosch te bevinden. Zij was reeds uitgeput van vermoeidheid en nog altijd in het bosch. Bij een kastanjeboom gekomen, dien zij herkende, hield zij weder stil, en langer dan de vorige keeren, om voor de laatste maal eens goed te rusten; toen spande zij al haar krachten in, vatte den emmer weder op en ging moedig voort. Het arme kind was echter wanhopig en kon zich niet weerhouden uit te roepen: „o, mijn God! mijn God!”
Op ’t zelfde oogenblik voelde zij eensklaps dat de emmer geen zwaarte meer had. Een hand, die haar zeer groot scheen, had het hengsel gegrepen en hief het forsch omhoog. Zij richtte het hoofd op. Een groote donkere, rechte gestalte ging naast haar in de duisternis. ’t Was een man, die haar gevolgd was en dien zij niet gezien had. Deze man had, zonder iets te zeggen, den emmer, dien zij droeg, gevat.
Er is een instinct bij elke ontmoeting in het leven.
Het kind was niet bevreesd.