← Table of contents
Reize van Maarten Gerritsz. Vries in 1643 naar het Noorden en Oosten van Japan

DE STAM DER AINO’S.

Reading edition

Aino beteekent man, mensch en is de naam, die deze volkstam zichzelven geeft en onder welke dezelve bekend is. De Aino’s, die in de Geschiedenis van Japan Asuma Jebisu, dat is: Oostwilden, genoemd worden, bewoonden in den oudsten geschiedkundigen tijd (660 voor Christus) het noordelijkste gedeelte van het eiland Nippon, te weten de tegenwoordige landschappen Mutsu, Dewa en het noorden van Jetsigo, welke toenmaals Jebisu no Kuni, het Land der Wilden heetten. Nog in de 7de eeuw waren de Jebisu in Mutsu en Dewa tot op 38° N.Br. verspreid en bestendig met de Japanners in oorlog. In het begin van de 9de eeuw was het eiland Nippon reeds geheel onder de heerschappij van de Mikado’s, de Erfkeizers van Japan, gekomen; desniettegenstaande vocht bij voortduring de beschaafde, uit het zuiden van Japan naar het noorden voortrukkende bevolking met dat ruwe noordelijke volk, totdat dit eindelijk ten onder gebragt werd en met de overwinnaars tot éen volk versmolt, of deels vernietigd, deels verdreven werd. Velen, die niet wilden bukken, hadden zich allengs naar Jezo over de Straat van Tsugar, die Nippon van dat eiland afscheidt, begeven en zich daar met hunne oude landgenooten vereenigd. Doch in de 14de eeuw werden ook de Aino’s in het zuiden van dat eiland door de Japanners ten onder gebragt. Thans bewonen de Aino’s het eiland Jezo en de Kurilen, en het zuidelijke gedeelte van Krafto, waar zij zich langs de Westkust tot op 48° N.Br. en op de Oostkust tot naar de Bogt van Patientie uitbreiden.

Voor de ontdekking van het land van Jezo, door Maerten Gerritz. Vries, beperkte zich de kennis van dat land en deszelfs inwoners tot de mededeelingen van de Patres Aloisius Froes en Hieronymus de Angelis en van Joan Saris en Françoys Caron. In zijnen brief van den 11 Maart 1565, dus 22 jaren na de ontdekking van Japan, uit Mijako, de hoofdstad van dat rijk, geschreven, beschrijft Froes dat volk alzoo: »In het noorden van het land van Japan, drie honderd Leucas[120], ligt een ver uitgebreid gewest door wilde menschen bewoond[121]. Deze zijn bekleed met beestenvellen, ruig over het geheele ligchaam, hebben een verschrikkelijk grooten baard en zeer grote knevels, welke zij, wanneer zij drinken willen, met een stokje opligten. Zij lusten gaarne drank, zijn stout in den oorlog en door de Japanners zeer gevreesd. In den strijd gekwetst zijnde, wasschen zij de wonden met zoutwater; dit is hun eenig geneesmiddel. Men zegt dat ze op de borst eenen spiegel dragen; zij binden de zwaarden om het hoofd in dier voege vast, dat het gevest op de schouders nederhangt. Zij hebben geene godsdienst, het schijnt dat zij den hemel plegen aan te bidden enz.”[122]. Meer breedvoerig is het berigt van het land van Jezo en deszelfs inwoners, dat door Hieronymus de Angelis in zijnen brief, uit Japan in 1622, een jaar voordat hij te Jedo verbrand werd, geschreven, medegedeeld en door Nicolaes Witsen in zijne »Noord-Oost Tartarye”[123] overgenomen is. Deze schets van de Aino’s, van hunne zeden en gebruiken is te belangrijk om ze niet letterlijk uit dat zeldzame boek over te nemen, ten einde te kunnen dienen tot vergelijking met de berigten van onze Nederlandsche zeevaarders.

»Wat belangt den aert der inboorlingen, die zijn grof, en grooter van lichaem, als de menschen in ’t gemeen zijn; meer hellende na de blanke als bruine verwe. Zij dragen lange baerden zomtijts tot aen den middel toe. Hun hoofthair scheeren zij, van vooren, half af, zoodat zij aen de slaep van ’t hooft gantsch geen hair hebben: maar wel van achteren, daer zommige van hen het zoo lang dragen, als de Japanders. Zij hebben in ’t gemeen de ooren doorboort, en, in plaets van pendanten, dragen daer zilvere ringen in: maar die geen zilver hebben, dragen daer een vlok zijde deur, die lang afhangt. En dit doen zoowel de vrouwen als de mannen. De kleederen, zoo wel van mannen als vrouwen, zijn lang, met zijde doorwroght, beleit met cieraet van kruissen of rozen van de zelve stof, zoo klein als groot. Hunne stoffen zijn van zijde, katoen, of linnen. Tot wapenen gebruiken zij pijlen, boogh, lancen en zwaerden, die niet grooter zijn, als een gemeene Japansche pook. In plaets van harnassen, gebruiken zij rokken, als gemaliede wambassen van kleine plankjens bij een gezet, ’t geene belacchelijk is in ’t aenschouwen. Zij hebben vergiftige pijlen, waer van iemant gewont zijnde, noit genezen kan worden. Zij zijn zeer twistgierig, echter dooden elkanderen zelden. Tot Matsumay wert veel gedrooghde visch, ook haring, zwanen en kranen, zoo levendigh, als doot, en ook gedroogt, als mede valken, en ander gevogelte, te koop gebraght. Walvisschen worden daer mede gevangen en de Todonoeno (Robben), waer van het vel ruighairigh, niet ongelijk dat van een verken, en vier voet lang is. Deze visch is aldaer voor een zeer geringe prijs veil. Zij handelen met geen goude of zilvere munte; maer verwisselen hunne waren tegen rijs, katoen, gaern, linnen en stoffen, of ook wel tegen gemaekte kleederen. De heer van Matsumay verzekerde mij, dat de inwoonders van Jesso visch-vellen, die zij Raccon (Rakko, Enydrys marina) noemden, aen drie eilanden, niet verre van hun lant afgelegen, quamen koopen: waer van d’inwoonders geen baert, en een zeer verschillende tale met die van Jesso hadden, doch hij wist niet of die eilanden bezuiden of benoorden Jesso lagen. Wat de kennis aengaet, die zij van d’andere werelt, en het toekomende leven hebben, dezelve is zeer klein of niet. Zij eeren eenighsins de Zon en Maen, als de twee voordeelighste lichten; behalven noch eenige bergh- en zee-duivels: want alsoo zij zich meest in ’t geberghte, op de jacht, en met houthakken, en ter zee, met de visscherije erneren, zoo hopen zij daer door veel vangst te krijgen, en noit gebrek van hout, om te branden of te bouwen, te zullen hebben. Zij hebben noch Bonsen, of offerpapen, noch tempels, of eenig plaets, daer zij bij een kommen, om van hunne zaligheit te handelen.

Niemant onder hen kan ook lezen of schrijven.

Elk onder hen heeft zijn eige en wettige vrouw, doch, zo zommige meinen, wel twee; hoewel er noch veele gevonden worden, die, op de Sineesche wijze, bijzitten houden. Als de man gestorven is, begeeft zich de vrouw veeltijts ten huize van den schoonvader, of bij iemant van ’s mans vrienden, onder beding, dat zij ’er noit uit zal gaen, of hertrouwen.

Een vrouw, die in overspel bevonden is, wert het hoofthair afgeschooren, op dat zij daer over bekent zoude zijn; en den overspeelder, of den gene, waer mede zij de vuiligheit bedreven heeft, van zijn degen berooft, en al zijn lijfcieraet, door den beledigden man of door zijn vrienden, zo dikwils als zij hem ontmoeten, afgenomen.”

Joan Saris heeft als gezant van de Engelsche Maatschappij aan het Hof te Jedo in 1613 door een Japanner, die twee maal op Jedzo (Jezo) geweest is, berigten van daar verkregen, waardoor het woeste voorkomen van dat volk bevestigd en ook over den handel met hetzelve eenig licht verspreid wordt. »De menschen syn ’er wit of blank, en wel gemaekt, maar heel ruw en haijrig het geheele Lijf over, gelijk als de meirkatten en aapen. Hun geweer bestaat uijt boogen en vergiftige pijlen. Die aan de zuijdelijkste kant woonen, verstaan haar op gewigt en maat, maar dertig dagen landwaards in weet men daar niet van. Sij hebben veel silver en sand-goud, dar sij de Japanners mede betalen voor rijs en andere waren. Rijs en Japansche cottoenen worden hier wel gesogt. Yser en Loot krijgen sij uijt Japan. Alle eetwaren, en ’t geene daar men sig mede kleeden kan, wil hier best aan de man. De rijs van Japan na Yedzo gebragt, leverd vier voor een tot winst uijt.

De Stad daar de Japanneesen alhier hun meeste verblijf hebben en markt houden, word Matchma (Matsmaë) genaamd. In deselve sijn 500 Japansche huijsgesinnen, die hier ook een Fort hebben en die daar in commandeerd, Matchmadonna (Matsmaë Dono) noemen. Deze Stad Matchma is de voorname handel-plaats van geheel Yedzo, werwaards meest alle ingeboorne gaan om te kopen en te verkopen, bijsonder in de maand van September, om haar winter-voorraad op te doen. In de maand van Maart brengen sij salm, en allerley soort van visch, neffens ander waren die de Japanners in ruijling aannemen, en liever hebben als hun silver. Verders hebben die van Japan, behalven Matchma, geen andere vaste woon- of handel-plaats. Die in het selve eijland verder na het Noorden woonen sijn seer kleijn, en gelijk als dwergen, maar de andere Yedsoers sijn van postuur en grootte, gelijk als die van Japan. Zij hebben geen kleeding, als die hen uyt Japan gebragt word.

Tusschen Yedzo en Japan gaat een seer sterke stroom, die van Corea komt, en Oost- Noord-oost aan loopt. De winden sijn daar gemeenlijk soo als in Japan; te weten, de Noordelijke winden beginnen in September, en duuren tot de maent Maart, en dan begind de Zuidelyke wind te waaijen.”[124]

Françoys Caron, in de jaren 1639 en 1640 Opperhoofd van den Nederlandschen Handel in Japan, deelt eenige minder belangrijke op Japan vernomen tijdingen van Jezo en de Aino’s mede, die wij echter wegens de volledigheid van de toenmalige wetenschap van dat merkwaardig land en volk tevens willen aanhalen.

»Men reyst noch 27 dagen Noordtoost, wel so Oostlijke aen, eer men komt bij de uijterste hoeck van ’t lant T’sungaar (Tsugar) genaemt, aen de zee gheleghen; van daer vaert men over een water, onghevaerlijke elf mijlen wijt, ende men komt in ’t landt Jeso ofte Sesso, daer kostelijcke bonten, ende peltwerk valt, welk lant vrij woest, berchachtigh, ende weijnigh bewoont is; dit lant Sesso is seer groot, door den Jappanderen dickweijls doorsocht, diep, ende verre doorreijst, doch noyt tot den eijnde, noch seeckerheijt des selfs gekomen, so dat het haer ghemeenelijke aen victualie ontbroken heft, ende gedwongen waren, t’elcken reijse wederom te keeren; de rapporten der visitateurs zijn ook sodanigh geweest, dat sijn Majest. curieusheijt, om verder ondersoeck te doen, wederhouden is, want het lant (als geseijt) is woest, ende werdt in sommige plaetsen bewoont van een volck die ruijgh over ’t lichaem zijn, dragen lanck Haer, ende baert, als den Chinesen brutael, beter den wilden, dan de andere menschen gelijck.”[125]

Hoe vervelend dan ook deze berigten voor den lezer zijn mogen, zoo hebben wij het toch voor doelmatig gehouden, dezelve zoo veel mogelijk volgens den oorspronkelijken tekst uit boeken getrokken, die allengs zeldzamer worden, hier te zamen te stellen, om hem een duidelijk denkbeeld te verschaffen van den toenmaligen staat van de kennis van het land van Jezo en deszelfs inwoners, de Aino’s, voor dat wij de volkenkundige waarnemingen op den denkwaardigen Zeetogt van Vries gedaan, aan een nader onderzoek onderwerpen.

Kort na de ontdekking van het Land van Jezo door Vries en van den ongelukkigen zeetogt van ’t Jacht Breskens, zijn in ’t vaderland onderscheiden berigten omtrent Jezo en de bewoners van dat land ontvangen en van lieverlede door den druk bekend gemaakt. Het eerst berigt is reeds in 1646 te Amsterdam uitgegeven onder den reeds meermalen aangehaalden titel: Korte Beschryvinghe van het Eylandt Eso enz. Dit stuk is later (1692) ook door Witsen overgenomen en toegelicht geworden[126]. Insgelijks deelde deze geleerde aardrijkskundige eenen brief mede »die nopende de ontdekking van het lantschap Eso of Jesso en Tartarye uit Batavia in den jare 1644 herwaarts is geschreven geworden.” De inhoud daarvan beperkt zich echter tot eenige aardrijkskundige berigten omtrent Vries’ ontdekkingen en over de goud- en zilvernasporingen, die de hoofdbeweegreden der uitzending van Quast en Tasman, en van Vries en Schaep naar het noorden van Japan geweest zijn. Ook vermeldde Nicolaes Witsen een berigt van Philips Jacobsz. de Bakker, onderstuurman aan boord van ’t Castricum[127]. Van de door Jansonius uitgegeven kaart, als ook van andere onuitgegevene kaarten van den meergemelden zeetogt en van de »Opdoeningen en lant-verkentenissen van de zeekusten des lants van Jesso, en van het Compagnies lant” door Witsen bewaard, hebben wij reeds breedvoerig gewaagd. De meest belangrijke waarnemingen en berigten, bijzonder met betrekking tot den stam der Aino’s, hunne zeden en gebruiken, die wij aan zeevaarders van den lateren tijd, en aan de Japanners, die het Land van Jezo bezocht en beschreven hebben, te danken hebben, zijn door den Schrijver dezes onlangs tot een geheel gebragt en in zijne »Beschrijving van Japan” geboekt geworden[128]. De herhaling daarvan is hier overtollig, zoo dienstig ook de verhandeling op zich zelve zal zijn, om de mededeelingen van onze Oude Nederlandsche zeevaarders te bevestigen, toe te lichten en te verrijken.

Wij zullen ons dus ten doel stellen om den merkwaardigen stam der Aino’s te beschrijven volgens de berigten die in ’t teruggevonden Journael aangeteekend zijn, en volgens al de oorkonden, die ons de Nederlandsche pers van Vries’ zeetogt bewaard heeft. Daarbij willen wij ons, zoo veel mogelijk, aan de letterlijke bewoordingen houden, waarin de onderscheiden waarnemingen opgeschreven zijn, om de reeds aan onze stoute zeevaarders voor hunne verdiensten voor de aardrijkskunde opgerigte gedenkzuil ook met zoo belangrijke bijdragen voor de volkenkunde te versieren[129].

Gedaante, Gelaatstrekken der Aino’s. »De Inwoonderen van dese Eijlanden Eso, zijn alle den anderen seer gelijck, kort ende dick gedrongen van stature, hebben langh ruijgh haïr ende baerden, soo dat het aenghesicht daer bijkans mede bedeckt is, doch het hooft is vooren geschooren, zijn wel besnede van tronien, swart van oogen, kort, tamelijck dick, ende niet plat van neusen, laegh van voorhooft, geel van vel, over het lijf seer ruijgh. De vrouwen zijn so bruijn niet als de mans, laten eenighen het hair in ’t ronde scheeren, so dat het haer aengesicht niet en belet, anderen laten het langh wassen, ende stricken ’t op als de Javaensche vrouwen, haer wijnbraeuwen ende lippen swart ende blaeuw geverft, hebben soo wel mans, vrouwen als kinderen gaten in haer ooren, daer sij silvere ringen in dragen, oock schortjens van Armosijde, met loode ende koopere ringen.” (K. B.)[130].

Op Krafto zijn de vrouwen blanker als op Jezo: »zaegen (in den Golf van Aniwa) ook eene vrouw in eene prauw sitten, blank synde met swart lanch hangent haer op het hooft, hadde in elcke oor een groote blauwe gecraelde ketting, waeronder eenige andere craelen geregen waren[131]. (J.)

»Vonden daer (in de bogt Patientie) eene blancke vrouw, fraey van trony, hebbende lanck swart haer met een stroock bont om haer hooft van een bever (Zeeotter), gecleet heel in ’t bont, by haer hebbende een cleyn meysie, hebbende een bonte rock aen, met een stroock bont van een saebel, dat seer schoon was om haer hooft ende had een jongen by haer staen gecleet mee met een bonte rock.” (J.) Ook is in ’t Journael van eenen blanken man gewaagd: mogelijk dat die een door schipbreuk daarheen gekomen Japanner was; doch door de gebreken van den ouderdom minder aan de open lucht blootgesteld, kunnen, zoo als de vrouwen van de betere klasse in dit land, ook oude lieden verkleuren en witter van gelaat worden.

»Wat van de prauw af sat een oudt blanck man, met een lange grijse baert, op een matien (matje), op de Japansche wijse, aenhebbende een gebloemde catoene rock, sijnde op sijn Japansch gemaeckt. Mijn leijtsman wees ick sou bij die oude man gaen.” (J.)

Regeering, Aino-hoofden, Geregtszaken, Straffen. Ten tijde van Vries’ bezoek op Jezo stonden reeds lang de Aino’s van het zuidelijke gedeelte van dat eiland onder een’ Japanschen Vorst, die zijnen zetel had in de stad Matsmaë. »Den Matsmay Simadonne (Matsmaë Sima dono), Gouverneur ofte Overste van ’t voorsz. Eylant, gaet jaerlycx de Keyserlycke Majesteyt van Japan tot Jedo begroeten, tot geschenken mede nemende veel silvers, vogelsveederen (om aen Pylen te ghebruycken) ende fyne bonte vellen, hem met een berck van Eso ladende oversetten tot aen de Japansche Cust Nabo[132], van waer hy dan voorts te lande naar Jedo reyst.” (K. B.)

»Onder haer is geen wettelijcke regieringhe ofte politie, geschrift ofte boecken, konnen lesen noch schrijven.” (K. B.) Zij hebben echter hoofden, die hun gezag over een min of meer uitgebreid gebied uitoefenen, en onder hen in aanzien staan en geëerbiedigd worden.

»Quamen de habytanten met twee prouwen ons te gemoet, waarvan drie persoonen over in onze prouw quaemen, ende syn doen saemen naer haer dorp gevaeren, hetwelk sy Ackys (Atkesi op Jezo) noemden, syn met de meeste gesach hebbende in syn huys gegaen, wiens naem was Noiasack.” (J.) Het zijn meestal oude mannen die zich door ervarenheid en burgerlijke deugden kenmerken: »Ten anker leggende, quam ’er een hoop volks aen boort dat een blinden man by zich had, en dien zeer eerde en ontsagh. Dese oude blinde man, eer hij weer naer lant voer, hief zijn handen op, en deed over ’t scheepsvolk een lange rede, die d’onzen niet verstonden.” (S. B.)

»Heeft de Commandeur aen den outste een cleyn Prince vlaggetie vereert, waermede hy bly scheen te wesen, sette het op syn huys ende liet het waeijen.” (J.)

De ontmoeting van Aino-hoofden in de Bogt van Patientie zal hier eene geschikte plaats vinden, ten einde zich een denkbeeld van zulke krijgshaftige mannen te vormen.

»Saegen twee treftige (deftige) persoonen op een grooten boom, die van de see op het strant geworpen lach, sitten, sijnde cloeck van leden, den eene met een ruijgen baert, hebbende pijl ende booch in de handen, met een pijlkoocker vol pijlen aen sijn hooft hangen, met een houwer op sijn sij, den ander wat jonger, met een groot gramschap geschooten, hebbende twee groote knevels, had oock pijl ende booch in sijn hand ende voorts gewaepent met een houwer ende pijlkoocker vol pijlen; after haer stonden twee sterke mannen, geweert (gewapend) als de twee voorige, gecleet met rocken van vellen.

Den outste sette sijn booch in ’t sant met een pijl daerbij, ende nam een lange pieck van 18 voet in sijn hant, ende sij bleven alle beij sitten, ende de andere twee staen. Wat dicht hij haer comende seij Tacoij jankarate ende vreef mijn handen, gelijck gesien hadde aen Tamarij, waerop de outste sprack Tacoij; sijn doen toegetreden, ende naem sijn hant ende wesen dat wij vrienden waren, in mijn beijde handen sijn rechterhant nemende, ende soo saemen gedruckt; naem doen de pieck, ende smeet hem neer, waerop ons volck is comen aentreden, dien sij doen met haar tween te gemoet gingen ende welcom heeten, seggende Tacoij, ende douden met haer beijde handen ons volcx rechterhant, gelijck ick haer gedaen had, maer de twee andere pasten op haer geweer. Dese twee persoonen waeren gecleet met sijde gebloemde Japansche rocken, gevoert met Sineese cangangs, waertusschen sijde watten waeren; soodat ick vertrou de twee andere lijfschutten ofte haer dienaers waeren. Dese twee treftige persoonen was haer hooft voor geschooren tot halfwegen het hooft ende voorts hadden lang hangent haer tot heel aan haer midden, de plaeten van haer houwers waeren oock met silver beslagen ende doorluchtich.” (J.)[133].

Deze hoofden doen onderzoek hij overtreding van de wetten, vonnissen en straffen. »Hij (het Aino-hoofd) zittende met een houte knuppel in sijn hant, alwaer sij recht mee doen, saegen het meysie met het aengesicht op de aerde liggen.” (J.)[134].

»Als sij eenige straffe doen des doots schuldigh ofte eenige van haer vijanden gevangen crijgen, slaen die doot met een swaeren kneppel in de lenden.” (J).

Deze straf, zoo als ze aan gevangenen voltrokken wordt, is nader beschreven. »Eenighe van haere vijanden gevangen bekomende, die straffen ende dooden zij in dieser voegen; den gevangen wort recht over eijndt gestelt, het bovenlijf naeckt zijnde, de armen ofte handen worden hem in de zijde geset, alsoo staende wort van vier persoonen vastgehouden, twee aen de armen, ende twee aen den voeten; dan komt een vijfde persoon met een knodse, daer eenighe swaerte van ijser vooraen is, die ghepast hebbende hoe hij den patient treffen wil, treet 10. a 12. treden achterwaert, komt dan, de knodse om ’t hooft slingherende, al dansende aen, t’ elckens (met beijde de handen de knodse gevat hebbende) een slagh in kruijs van des patients rugge brengen, tot dat hij de geest geeft. In dier voegen straffen mede, die bevinden dat met haer wijven ofte dochter oncuijsheit bedrijven.”

Godsdienst, Begraafplaatsen. »So veel als konden vernemen ende bespeuren, soo hadden weynigh ofte geen religie ofte superstitie; doch wanneer sij ontrent het vijer sitten en drincken, soo sullen sij eerst op verscheijde plaetsen ter zeijden het vijer eenige droppelkens storten, ghelijck of sulcx offerden. Hebben eenige gesnede vuijre stocxkens, daer krulletjens ende spaendertjens bij hangen, die sij op veel plaetsen in de aerde stecken, ende in de huijsen aen de wanten hangen[135]. Wanneer ijemant onder haer sieck is, soo schaven sij met een mes van langhe vuijre stockjens, lange schaeffels, ofte krullen, winden die de siecken om het hooft ende de armen.” (K. B.)

»Als hij eeten zou, deed hij zijn gebed, gelijk de Kristenen, met gevouwen handen.” (S. B.)

»Haere graven (in den Golf van Aniwa) waeren boven de aerde gelijck een cap van een huys, een mans lengte lanck ende 3 voet hooch, wel besorcht ende dicht toe benaijt met groote basten van boomen.” (J.)

»Vonden (in de Bogt Patientie) 10 graeven, daerin sommige dooden noch in laegen. Deze graeven waren heel raer gemaeckt van vuereplancken, omtrent een voet verheven van de aerde, staende op stuties ende was onder een viercante kist, onder de boom (bodem) sijnde houte tralijs, doorluchtig, alwaer de doode op lach met een crans van spaenderties fijn gesneden sijnde om sijn hooft gevlochten; hadde een oude blauwe catoene rock aen gehadt, maer die was al vergaen, vonden bij hem in de kist schuetelties ende eetenbackies, ende eenige andere snuijstering met pijl ende booch, had eten oock in een doos gehadt, soo het scheen, lach oock een cleijn block om rijst te stampen, met een rijststamper daerbij in sijn kist. De kist was boven met een cap wel dichte toe, gelijk een cap van een huijs, daer boven op het scherp van de cap een fraeij gesneden houten cap lach. Langs de kist aan elcken endt fraeij met een leeuw ofte draecken cop uijt gesneeden, met houten ringen van het selfde hout in haer mont, (ende) liep soodanich gesneeden hout aen alle vier hoecken oock neerwaert aen, al uijtgesneden, als gesegt is. Dese graeven met verwondering aengesien hebbende, saegen daerbij veel stockies staan met fijne gesneden crulleties ende spaenderties daer aenhangen.” (J.)[136].

Bij Atkesi, op Jezo, heeft men opgemerkt dat de plaats: »Alwaer de dooden onder de aerden legghende, het graf met Oesters schelpen bedeckt wert. Op andere plaetsen staense in een Hutteken in de kisten boven de aerde, op vier staekjens, zijnde het huttecken met konstig lof-werk ghesneden, sonder dat men eenige andere Offerhande daer bij vint.” (J.)

De hut met een geraamte, op Urup gevonden, was zonder twijfel eene begraafplaats, de daarvoor opgehangen sabel bewijst dit. In het Jezoki staat[137]: »Wanneer de Aino’s iemand plegtig willen begraven, hangen zij over zijn graf, aan een 5 tot 6 voet hoogen paal, den sabel van den overledene op.”

»Rapporteerden in eenige huties geweest te hebben, alwaer een menschengeraemte ende een dootshooft in lach. Deze huties waren gemaekt van tacken van boomen ende met lanck gras gedeckt, vonden bij do. huties een paal in de gront geset, alwaer een houwer hangen.” (J.)

Ook getuigen de lidteekens, zoo algemeen aan de voorhoofden der inboorlingen waargenomen, het bestaan van den zoogenoemden doodenkamp, die daarin bestaat, dat zich de naaste bloedverwanten met een mes (makiri) sneden aan het voorhoofd geven en het bloed van de afgescheiden zielen offeren.[138] »Sijn meest op het hooft met verscheijde houwen ende kerven gequetst geweest, ghelijck sulcks de groote litteeckens getuigen.” (K. B.) Daarom werden de vreedzame Aino’s van de onze uitgemaakt voor: »Boschloopers ofte Banditen van eenighe plaetsen te wesen, een ijder even veel Meester zijnde.” (K. B.)

Zeden en Gebruiken, Levenswijze en Voedsel. »Schijnen door haere ruijhe baerden ende hair seer wreedt, maer weten haer tegens de vreemde Natien soo sinceer ende eenvoudigh te houden, dat men niet anders soude konne oordeelen, ofte het waren civilen ende gepoliceerden menschen. Waeneer sij bij vreemde Natien komen, soo vercieren haer met haer beste kleederen, ende weten haer seer modest te houden, toonen hare courtosien ende beleeftheijt met het hooft te buijghen, en gevouwen handen, de selvigen voorbeij den andern heen ende weder strijckende; singen met bevende stemmen, als de Japanders doen; doch waneer sij een weynigh commissie bekomen, soo sijn sij haest familiaer, dan met een vriendelijck ende vrolijck gelaet.” (K. B.)

»Ende greep mij voorts eens vriendelijck om mijn midden tot teijcken van vrientschap ende gingen soo hant aen hant naer zijn huijs toe.” (J.) Zijn ook gastvrij: »aen lant komende wierden van de inwoonders wel onthaelt.” (S. B.) »presenteerden mij souden in haer huties comen.” (J.)

»IJder man heeft twee vrouwen, die maken biese-matten, naijen haers mans rocken, ende koocken het eten; en waneer de mans het hout om te branden in ’t bosch vergaderen ofte kappen, soo draeght het de vrouwe in de prauw; ende moeten dan soowel roeijen als de mans.” (K. B.)

De vrouwen, vooral de oude, zijn niet onkundig en schijnen veel te zeggen te hebben, »waerop de outste vrouw mijn meening eerst verstaende etc.” (J.) »Een hutie alwaer een stockoude vrouw uijtquaem, leunende op een stockien, scheen veel hebben te zeggen.” (J.) »De mans zijn voor vreemdelingen op haer vrouwen ende dochters seer jalours, soodat niet mogen lijden dat men met haer stoeijt ofte speelt: wanneer bemerken dat ijemant haer tot hoerereije versoeckt, sullen hem dooden, soo in haer macht bekomen.” (K. B.)

»Waneer haer vrouwen baren, ende in kinder-bedt zijn, so houden sij hare residentie in een huijsjen apart, daer gedurende den tijdt van 2 a 3 weecken geen mans-persoonen bij haer komen; hare kinderen te werelt brengende zijn heel blanck; wanneer sij die de borst sullen geven, ende datter eenighe van onse Nederlanders ontrent waren, soo deden ’t gantsch bedecktelijck, haer borsten niet wijders ontblotende, als de kinderen de tepels even met de mont vatten konden. Ja selfs de meijsjens ende kleijne kinderen, daer veel tijdts met schoon weder naeckt loopende, en de Nederlanders siende, sullen met hooft, handen ende beenen in malkanderen krimpen, ende haer seer beschaemt toonen. De vrouwen dragen haere kleijnen kinderen in haer rocken, met een bant om ’t hooft[139], op haer ruggen, zijn op haer matjens daer sij de vloer mede bedecken, ende op haer spijs ende dranck veel reijndelijcker, als over haere lichamen en kleederen, die veel tijdts (soo wel van mans, vrouwen als kinderen) seer vuijl ende smeerigh daer uijt sien, ende weijnigh vernieut ofte gewassen worden. Haer spijs ende voetsel is visch, walvischspeck, traen, groente, knoppen van roode roosen, die in Acqueis in overvloet zijn; welke afgepluckt zijnde, de groote hebben van een mispel, ende worden teghens de winter gedrooght, ende zijn haer winterprovisie. Hebben verlackte kopjens, ende vierkante backjens daer sij haer eten in opschaffen, ijder een kopjen voor haer hebbende, etende met stockjens op de Japansche maniere, behalven op 48 graden 50 minuten (in de bogt van Patientie), die wel op de Japansche maniere geschooren, ook met sijde rocken bekleet zijn, en wat blancker, ende veranderlijck van spraecke zijn, maer nemen haer eten met de vinghers, sonder de voorsz. stockjens te gebruijcken.” (K.B.) »Sy hebben geen sout in gebruike” (J.) »De mans ende vrouwen zijn tot stercken drank seer ghenegen, en worden daer oock heel licht droncken van” (K. B.) »Droncken saemen in ’t ront eens om een arackie ende toebackie, waernaer sij allegaeder begeerich waeren”. (J.) »Als sy drincken lichten haer knevels op met een vinger” (J.) »Sitten op zyn Japansch op de matten” (J.)

Woning, huizen, hutten, voorraadschuren, forten enz. »Hare huijsjens, die meest voor aen strant in ’t hangen van ’t geberghte, ende eenige daer boven op staen, zijn van planken, gheschaeft ende het een in den andern gevoeght, met basten van boomen gedeckt; doch de meeste part met opgerechte stijlen, met breede basten van boomen, soo wel ter zijden, als boven bedeckt, met een veijnster boven versien om den roock van ’t vijer uijt te trecken, dat midden in ’t huijs gemaeckt word; zijnde van binnen een camer met afgeschutte deelen, die rontom curieus met enckelde biesematten langs de aerde bedeckt is, 10 a 12 treden langh, ende 6 breed zijnde, alles seer poliet ghemaeckt, eenigen met een stacketsel van sparren rontom beset. Hare huijsen zijn boven de twee mans langhte niet hoogh, even als de boeren-hutten in de Nederlanden, ende de deuren so laegh, dat men daer al bockende in gaen moeten; staen niet veel bij den anderen; ’t meeste ghetal, dat van de onsen bij den anderen ghesien wierdt, was 18 à 20, ordinaris 6, 7, 9, ende 12, dan meer als een half mijl van den anderen, oock de meesten part leedigh ende onbewoont. Hebben geen huijsraedt als enkele biesematten, hare Japansche rocken zijn benevens ’t silver-werk haer cieraet, hebbende weijnigh deekens om op te sitten ofte te slapen” (K. B.)

Daarmede stemmen ook de op verscheiden plaatsen in ’t Journaal te lezen beschrijvingen en de afteekeningen, die wij van Japanners verkregen hebben, overeen[140]. Daarin wordt ook van hutten, voorraadsschuren en van hokken voor beeren, voor arenden en andere vogels gewaagd. Eene in den golf van Aniwa aan het strand staande hut of tent wordt alzoo beschreven: »was maer van matten opgestelt met stocken in een driehoeck, waer in ’t midden vuur aenlach, daer een ysere ketel met salm ende groen cruyt over hinck ende coockte” (J.)[141].

»Cleyne packhuysen, omtrent een mans lengte boven de aerde, staende op 4 stutten ofte steylen, alwaar gedroochte visch in lach, de deuren daarvan waren van vurenhout ende maer toegebonden.”[142]

»Bij dit huys stont een groot gemaeckt hock alwaar eertijts scheen eenig gedierte in gezeten te hebben. Veel cleyne hoeckies daer noch eetens ende drinckens backies aen vast waren” (J.) »hier stont een groot vierkant hock, alwaer een groote swarte beer in sat[143], aen elke hoeck van ’t hock was een lange spar met een mey by opgericht, daeraen hangende veel spaenderties; ik vermoede, dat het tot triumf was over den gevangen beer ofte eenige afgodendienst.” (J.)[144].

Ten tijde dat het schip Castricum in de Baai de Goede Hoop zich ververschte, vernam men, dat de inwoners van Atkesi met hunne zuidelijke naburen in geen goede verstandhouding leefden, en stuurman Coen zag daar eenige bevestigde wooningen. »Dese forten waeren gemaeckt als volcht: op den berch, daer die op gestelt waren, was maer een smal opcomende wech, hetwelck steijl was om op te climmen, ende waeren pallisaeden in ’t viercant gestelt van de lengte ende de hoochte van 11⁄2 mans lengte, daer stonden 2 à 3 huijsen in; waren groote vueren deuren in de pallissaeden met groote clampen; als die toe waeren, werden dan met twee dicke houten geslooten, sijnde door de clampen heengestoocken. Op twee hoecken van dese viercante gestelde pallissaeden, is ’t met verheven stellagie gemaeckt van vueren plancken, om daerop uijt te kijcken, voorts sijn de pallissaeden wel met dwarshouten aen malcander geslooten.” (J.)

Kleeding en andere opschik. »Haere kleedinge is meest op de Japansche maniere, doch weynigh van sijde, meest van water-bloemen geschilderte blaeuwe cangans, met ofte sonder ghevoerde Japansche rocken; maeken eenige van kleetjens selfs haere rocken, de mouwen aen de handen niet soo wijdt, maer bijkans sluijtende; benaijen die met stroockjens ende lapjens van sijde kruijs-weeghs, met kirimirien, desgelijcks maecken oock rocken van beestevellen; de mans de rocken voor open, ende de vrouwen die als een hembt toe hebbende.” (K. B.)

Meer bijzonder zijn de kleederen en andere opschik in het Journaal beschreven; op de Oostkust van Jezo: »Sij hadden grove rocken van hennipe linnen aen[145], daerover rocken van vellen gemaeckt, sij hadden gaeties in haer ooren waer touties in hingen, den eene had een ring in sijn oor, het welck was van specij als coper ende half gout.” (J.)[146].

In den Golf van Aniwa. »De man had een rock aen van catoen, blau met witte oochies; zijn vrouwen waeren gecleet de een met een hennipe grove rock wat vernaeijt sijnde, de ander vrouw had een rock aen van robben vellen.” (J.)[147].

»Ende waeren op sommige plaetsen wat vernaeijt met root ende blauw catoene gaeren.” »Sommige hadden rocken van vellen aen.”

»Vonden daer op een verheven plaets waer matten op laegen (het Aino-hoofd) zitten, zijnde gecleet met een blauwe catoenen rock met witte bloemen, sijn vrouw aen sijn slincker sij, gecleet met een rock die met veel strickies ende cruijsies vernaijt was, met alderhande coleur van catoene gaeren; deze rocken waeren als de Japansche catabers (Kata hira, eene soort neteldoek).

»De stockoude man (een Aino-hoofd) had een blauw catoenen rock aen alwaer Japansche caracters met gout op gedruckt stonden in een groote vierkante perk; deze rok was met alderhande coleuren van catoene gaeren genaeijt ende versiert.” (J.)

»Hadden alte gaeder schrooties armosijn van alderhande coleuren in haer ooren.” (J.)

»Des huijsheers vrouw hadde een groot blau gecraelde ketting om haer hals, waer copere teijckens tusschen geregen waeren ende eenige andere coralen.” (J.)

»Sommige van haer hadden groote silvere ringen in haer ooren.” (J.)

»Waervan de eene vrouw een cleijn kintie op haer schoot had, soo schoon als ooijt gezien heb, ’t welk een meysie was, hebbende eene blauwe craelde kettingh om sijn hals, waer tusschen silvere teijckens geregen waeren; aen do. ketting hingen twee groote silvere ringen, sierlijck gemaect, wegende met haar tween wel 1⁄2 pond swaer.” (J.)[148].

Wapenen, vaartuigen, jagt- en vischvangst-gereedschappen. »Haere wapenen zijn pijlen en boogh, nevens een houwer, de Japansen seer gelijck, alle met een dun silver rantjen om de plaet beslagen; dragen de selvige met een draegh-bandt op sijn Persiaens, de pijl-koocker met een bandt om haer hooft, op de rechterzijde hangende; hare booghen zijn 4 à 5 voeten langh, van elsen ofte esschenhout, ende de pijlen een half ellen, seer subtijl gemaeckt, voor aen een harpoentje van riedt hebbende, dat met swart fenijn bestrijcken, soo dat wie daer mede ghequetst wordt, die moet terstont sterven”[149]. (K. B.)

Dit wordt bevestigd.

»Presen dat haer pijlen waeren seer suptyl gemaeckt, sommige met fenyn bestreecken” (J.).

»Den outste had een pylkooker met aen syn hooft hangen met een booch in syne hant ende een houwer op syn sy, saegen anders geen geweer”[150].

»De inwoonders (van den golf van Aniwa) hadden sommige houwers op haer sy, daar de plaeten rontom met silver waeren beslagen ende ook de scheen (scheden) aan de eynden seer sierlijk, haer heften van haer houwers ook sierlijk met silver in geleijt einde gewrocht.” (J.)

»Dese lieden zijn in de natuer luijaerts, niet vlijtigh om te arbeijden, zaeijen nochte maeijen niet, geneeren haer met een kleijn praucken, ’twelk uijt een dicke boom gehackt is, ende aen beijde zijden met vier plancken opgeboeijt, een voet hoogh[151], roeijen daer mede ghelijck de boeren met haer melck-schuijten, dan slaen de riemen niet gelijck in ’t water, gaen daer mede schieten ende visschen robben ende andere zeeghedierte; waer toe sij mede ghereetschap hebben, als harpoenen van been, de punct met een stuckjen ijser ofte kooper versien; hadden oock segens op de Hollandtsche maniere ghebraeijt, het gaaren van hennep gesponen, die daer in’t wildt wast, houdende het eene eijnde in de mondt, soo weten met de handen het gaeren soo ’t samen te draeijen, ende bequam te maecken.” (K. B.)

Zij laten hunne vaartuigen door honden trekken. »Sloegen daer vijf witte ruijge honden voor, met hem (hennip) seelen om haer lijf; den stuerder after het vaertuijch sittende riep eens, die honden begonnen stracx aen het trecken te pueren.” (J.)

Insgelijks ook aan sleden. »Een ijsslee, zijnde van een vreempt fatsoen.” (J.)[152].

»Hebben mede knippen, die als een booge gespannen zijnde, soo is in’t hout van de booge een rondt gat ghemaekt, daar eenigh aes in legghen, de voghels, als meeuwen, arenden, snippen, ofte ravens daer dan in komende, picken, ofte haer voet in steecken, soo springhet de booghe op, ende blijft de voghel vast[153]. Hebben altijdt waerse gaen pijlen en boogh, nevens een houwer op haer zijde; waer mede sij oock in ’t bosch gaen om grof wildt te schieten, als beeren, reen, harten, elandts, ende ander bij ons onbekent ghedierte.” (K. B.)

»Haer honden afgericht tot visch vangen, soo natureel als soude connen bedencken, liggende op de sprong aen den oever van der see ende cant van de rivier, ende verlossen malcanderen of het menschen waeren, wanneer daer een een poos de uijtsicht gehad heeft; de rest van de honden 10 à 12 bij troppen loopende langs strant, ende wanneer die eenige gewoel van salm sien, loopen met alle man in ’t water ende plontsen soo met swemmen, maeckende een halve maen. De salm door verbaestheijt hem dan verheft uijt het water, ende springt op plaetsen, daer weijnich water is of op de droochte, waerop de wachthebbende passen, ende grijpen die salm; dan bijten die stracx de cop af ende brengen het lijf bij haer meester in huijs, ende gaen dan weder op haer plaets; dit geschiet met laech water.” (J.)

Merkwaardig en eenvoudig is hare wijze, om vuur te maken: »Hadden haer vuerslagen bij haer om vuer te slaen, dat waeren viercante planckies daer een holletien in is, was voorachtich hout, daertoe hebben sij rieten daer een cort stockien in steckt; als sij vuur hebben willen, soo sloten sij dat stockien in dat holletie ende vrijven dat tusschen haer handen, dat het omdraeijt heen en weer, soo gedoopt in gesmolten swavel houden dat daeraen, hebben stracx brandent vuer.” (J.)

Handel. De Aino’s drijven alleen ruilhandel met de Japanners, met de noordelijke bewoners van Krafto, en van het Amurland. »De mannen verruijlen traen, walvischspeck, geroockte walvischtongen, veelderhanden vellen ende vogelveederen aen de inwoonderen van Japan, die hier eens des jaers komen, om die waeren op te koopen, daer voor gevende rijs, sacie, Japansche rocken (soo van sijde, als blaeuwe cangans), koopere tabacks-pijpen ende taback, doosen, verlackte eet- en drinck-bacxkens ende kopjens; silvere oorhanghers, loode ringen om in de ooren te hanghen, bijlen ende messen, soo dat al wat sij hebben, sulcks meest van de Japanders ruijlen: haer spraeck is een weenigh met het Japans vermenght: zijn seer subtijl in haer handel ende niet diefachtigh.” (K. B.)

Kwamen op de oostkust van Jezo hunne goederen aan de Nederlanders aanbieden: »Dese prauw was vol velwerk; als robbenvellen, elants, otters ende beeren ende eenige bij ons onbekende vellen; presenteerden het alles te verruijlen voor Japansche rocken.” (J.)

Waren in den Golf van Aniwa en de Bogt Patientie, »seer begeerigh naer ijser, daer vogelvederen ende velwerck voor gevende, weten de vederen seer pertinent in doosen te packen.” (K. B.)

»Presenteerden mij een fijn ottervel, waervoer ick hen een oude scheepsbijl gaf, ende was daer heel blijde mede.” (J.)

»Ja hoeveel zilver men hen ook aenbood, zo verkozen zij altijt het ijzer voor het zilver.” (S. B.)

»Deze luiden waren oock graegh na zijde stoffen, daer voor zij bontwerk en zilver in overvloet aenboden.” (S. B.)

Thans is de handel der Japanners met de Aino’s op de geheele kust van Jezo en tot op Krafto in den Golf van Aniwa uitgebreid en wordt met veel voordeel gedreven. Gedroogde en ingezouten visch, vooral zalm, haring, sardijnen, stokvisch, schelpvisch, zoo als klipzuigers (Awabi, Haliotis Japonica), Tripang (Iriko), zeekroos (Kombu, Fucus esculentus) beerenvellen, zee- en rivier-ottervellen, arendveeren zijn de voornaamste artikelen, die zij tegen rijst, sake, tabak, katoenen stoffen, nieuwe en oude kleederen, lakwerken, sabels, messen, ruw ijzer, gegoten ijzeren en koperen ketels en pannen, enz. inruilen. Ook ruilen de Japanners van de Aino’s eenige andere goederen, zoo als gebloemde en met gouddraad doorweefde zijden stoffen, kensju genoemd, hengelsnoeren (susi, uit het corpus sericeum van eene rups vervaardigd), de meergenoemde blaauwe obsidiaan-koralen (Krafto tama) en geëmaljeerde tabakspijpen, die zij door hun verkeer met het Amurland, van het volk van Santan en van de Mantschou’s, die naar Deren, eene handelsplaats aan de Amur, niet ver van de Baie de Castries, komen, verkrijgen[154].

De beantwoording der vraag over de afkomst der Aino’s en hunne verwantschap met andere naburige volken zoude eene hoogstgewigtige taak voor de volkenkunde opleveren. Hunne verdichtsels omtrent hunne afkomst, die zich bij overlevering en in volksgezangen bewaard hebben, verdienen niet meer geloof dan alle dergelijke fabelachtige verhalen bij andere ruwe en onbeschaafde volken[155]. Aan de Japanners zijn de Jebisu of Oost-wilden bekend van den tijd af aan, wanneer de stichter van de Mikado’s of Erfkeizers dynastie, Zin mu ten wô, zijn rijk naar het oosten en noorden begon uit te breiden, dus van 660 voor J. C. In de Chinesche Geschiedenis wordt het eerst onder de dynastie der Han (189 v. J. C. tot 30 n. J. C.) van den volksstam Mao-min gewaagd, die aan de overzijde van de Oostzee te huis hoorde en over het geheele lijf behaard was. Ook wordt in de geschiedenis van de Sui dynastie (608-622 n. J. C.) van een’ volkenstam Mozin gesproken, die uit vijftig horden bestond, en die in het gebergte in ’t N.W. van het land Woke (Japan) woonde. Met de Aino’s werd men eerst in ’t midden der 7de eeuw (659) persoonlijk aan het Hof van T’ang in China bekend, waar door een Japansch gezantschap twee Aino’s als zeldzaamheid aangebragt werden[156]. Daar het grootste gedeelte van het Noorden van Nippon ten tijde van Zin mu ten wô door de Oostwilden, de Aino’s, bewoond was, zoo kan men met zekerheid vooronderstellen dat deze volksstam daar reeds voor 2500 jaren bestaan heeft. De noord-oostelijkste grens van zijne verspreiding laat zich echter niet verder dan tot het tweede van Kamtschatka afgelegen Kurilsche eiland Para muschir aanwijzen. Op het eerste Kuril’sche eiland Schumschu heeft reeds eene verbastering der Aino’s met den oorspronkelijken stam der Kamtschadalers, de zoogenoemde Itülmen, plaats. Deze Itülmen hebben echter geene gelijkenis met de bewoners van de zuidelijke Kurilen, de Aino’s, noch in gedaante noch in taal; en deze oude bewoners van Kamtschatka zijn ook vroeger dan de Tungusen en Koriäken, die zich thans tusschen Kamschatka en het naburige Oost-Siberië nedergezet hebben, op het schiereiland gehuisvest geweest en waarschijnlijk in den oudsten tijd van het land in ’t Z.W. van den Amur gelegen derwaarts gekomen. Deze groote stroom was de weg van eene voorgeschiedkundige volksverhuizing, zoo als hij misschien zal worden de baan van de Europesche beschaving naar het binnenland van het Noord-oostelijke gedeelte van het Chinesche rijk en van Siberië. De oude bevolking der Baie de Castries, zoo als die ons Lapérouse beschrijft, heeft reeds veel overeenkomst met de Aino’s in gedaante, zeden en gebruiken; en ook de stam van de Kileng en Ketscheng, waarvan de eerste het gebied in ’t W. van den Amur, de door den Hingon (Aemgun) doorstroomde valleien, en de laatste het kustland in ’t Z.O. van den Amur en tegenover het eiland Krafto bewoont, heeft veel gelijkenis in zijn uiterlijk voorkomen, zijne zeden en gebruiken met onze Aino’s. Zoo zouden zich dan wel duizendjarige voetstappen van den Aino-stam op de kust van het vaste land van Azië laten opsporen; doch dien verder tot aan zijne wieg te vervolgen, laten de gebrekkige geschied- en volkenkundige berigten niet toe, die wij dus verre uit deze gewesten—in het N.O. van Kôraï en van het Zuidwestelijke stroomgebied van den Amur bezitten. Alles wat wij van dit merkwaardig volk weten, getuigt echter voor zijnen hoogen ouderdom.

De slotsom van deze onze gissingen komt hierop neder: op gelijke wijze als in voorgeschiedkundigen tijd de Itülmen, de oudste bevolking van Kamtschatka, naar dit schiereiland gekomen zijn, en later door eenen anderen volksstam opgevolgd en tot aan het zuideinde voortgedreven is geworden, is het ook waarschijnlijk, dat in nog veel vroegeren tijd, ook langs den Amur, de Aino-stam allengs zich over de zoo digt bij het vaste land gelegen eilanden (Jezo, de Kurilen en Krafto) uitgebreid heeft; doch in het N.O. door de hem opvolgende Itülmen, en in het N. en N.W. door de later verschenen Koriäken en Tungusen—deze omzwervende visschers en jagers, die wij op Krafto onder de namen van Smerengur’s en Orotsko’s weder herkennen[157]—teruggedreven, en in het Z. door de nakomelingen van Zin mu ten wô vernield of verjaagd, tot zijne tegenwoordige woonplaatsen is beperkt geworden.

De ons verborgen gebleven jaarboeken, waarin de verhuizing van den Aino-stam beschreven is, dagteekenen van voor vele duizenden jaren, en toch schijnt hij in zijne wieg reeds door eenen lichtstraal van beschaving te zijn beschenen; evenzoo telt ook de geschiedenis van zijne afsluiting van de overige wereld duizenden jaren, waardoor dan ook noch een geestelijke, noch een maatschappelijke vooruitgang bij dit volk heeft kunnen plaats hebben. Onder deze omstandigheden treffen wij de Aino’s na verloop van vele duizenden jaren nog op den laagsten trap aan van eene aartsvaderlijke beschaving, die zij bij hunne afzondering en onder de dwangheerschappij van de stoute Japanners uit eigen kracht van geest niet vermogten te overschrijden. Bij deze onmagt, bij zulk een zedelijk onvermogen om den beker van vreemde belustheid, hun door de beschaafde westersche en zuidelijke natiën aangeboden—te kunnen weigeren, zullen deze van natuur krachtige, maar onnoozele, schepselen al spoedig ontzenuwd en zedeloos, even als hunne naburen, de Kamtschadalen en de Noord-Amerikaansche volksstammen, ten grave dalen!

Doch een Lapérouse en een von Krusenstern hebben reeds aan dit goedhartig en braaf volk eene gedenkzuil opgerigt: »On ne peut douter qu’ils n’ayent beaucoup de considération pour les vieillards, et que leurs meurs ne soient très douces; et certainement s’ils étaient pasteurs, et qu’ils eussent de nombreux troupeaux, je ne me formerais pas une autre idée des usages et des moeurs des patriarches.”[158].

»Einigkeit, Stille, Gutmütigkeit, Bereitwilligkeit, Bescheidenheit: alle diese wirklich seltenen Eigenschaften, die sie keiner verfeinerten Kultur zu verdanken haben, sondern welche nur die Gefühle ihres natürlichen Charakters sind, machen, dass ich die Aino für das beste von allen Völkern halte, die ich bis jetzt kenne.”[159].

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings