DE TAAL DER AINO’S.
Reading edition
De weinige reizigers, die, voor de opening van den haven Hakodate, de Aino-landen bezocht hebben, hebben ons telkens eene verzameling van woorden, uit den mond van dat merkwaardige volk overgenomen, medegebragt[160]. Met uitzondering van de verzameling, die Dawidow van zijne expeditie naar de baai van Aniwa, in 1807, medegebragt heeft, en die hoogstwaarschijnlijk door een Japanner zamengesteld was, hebben de overige op zich zelven weinig taalkundige waarde. De Japanners daarentegen, die sedert eenige eeuwen met de inboorlingen van Jezo verkeeren, met hen handel drijven en over hen heerschen, hebben zich allengs meer grondig met hunne taal bekend gemaakt en woordenboeken zamengesteld, waarbij zij de uitspraak der woorden door hun syllaben-schrift (het zoogenaamde I-ro-ha) zoo getrouw als mogelijk weder te geven en vast te stellen zochten[161]. Op deze wijze hebben zij door middel van schrift aan den menigvuldigen klank en de wisselvallige betooning, die de woorden door den tongval van ver uitgebreide en ongeletterde volken ondergaan, paal en perk gesteld en den grondslag tot eene schrifttaal gelegd. Ofschoon zich de Aino-taal door den gemeenzamen omgang met een beschaafd volk veredeld heeft, zoo bleef dezelve echter haar oorspronkelijk karakter behouden en kenmerkt zich als eene eigenaardige en zelfstandige taal, die met geene van de naburige landen eenige overeenkomst heeft voor zoo verre de wortelen der woorden betreft. Dat eenige vreemde woorden van de noordwestelijke en noordelijke volken (Samojeden, Tungusen en Kamtschadalen), waarmede de Aino’s in aanraking kwamen, van lieverlede in hunne taal ingeslopen zijn, is niet te ontkennen, zoo als door hen ook verscheiden Japansche woorden overgenomen zijn, om daarmede hun voorheen onbekende voorwerpen en begrippen aan te duiden. De Aino-taal, even als ook deze volkstam, staat afgezonderd van alle tot nu toe bekende van het Noordoostelijk Azië daar; de algemeene regels echter, waarna zich de rededeelen verbuigen en vervoegen, stemmen met die van hunne zuidelijke, noordelijke en westelijke naburen, die hunne taal door middel van syllaben-schrift (zoo als: de Mantschou’s, Mongolen, Tubetanen, Jakuten enz.) en niet met een woorden-schrift, teekens van woorden (zoo als de Chinezen), schrijven, overeen.
Het zal hier voldoende zijn, de algemeene, wetgevende grammaticale beginselen aan te halen en door voorbeelden op te helderen, die de Aino-taal met de Japansche en dus met andere Oost-Asiatische en ook Amerikaansche talen gemeen heeft, en die aan dezelve, alhoewel zij zich als van eenen zeer ouden oorsprong kenmerkt, eene plaats in het verbond der volken aanwijzen, welke zich later den weg van de oude naar de nieuwe wereld gebaand hebben.
1. De woorden van beide talen zijn zelden uit eene, meestal uit twee lettergrepen zamengesteld:
Japansch. Kono-aïta okï-kata ottosewo tatsuneta.
Aino. Ofunaki atuï-ta uneu is’tan.
Nuper in mare phocam quaesivi.
2. De zelfstandige naamwoorden zijn zonder geslacht, worden menigvuldiger in het enkelvoudige dan in het meervoudige gebruikt; in het laatstgemeld getal worden de woorden herhaald of van eenige bijvoeging voorzien; de naamvallen worden meestal door eene particula, aan het einde der woorden gevoegd, gevormd; de tweede naamval of genitivus gaat altijd vooraf.
Jap. Ame, coelum; fito, homo; fito-fito, homines; fito-koto i. e. homo quivis; fito-ga, homo; fito-no, hominis; fito-ni, homini; fito-wo, hominem; fito-jori, ab homine; fi-no fikari, solis radius.
Aino. Rikita, coelum; guru, homo, guru obitta, homines omnes, guru-koro, hominis; guru-ta, homini; guru-ne (vel be), hominem; guru-kari, ab homine; imuschi nits’, gladii capulum.
3. De bijvoegelijke naamwoorden staan voor de zelfstandige; zij maken den vergelijkenden trap door het aanhangen eener particula aan het einde van het naamwoord of het voornaamwoord, beteekenende in het Japansch van, in de Aino-taal beter dan; den overtreffenden trap door het voorzetten van zekere particula, beteekende even veel als het bijwoord zeer.
Jap. Utsukusi onago, pulchra foemina; kono ki-wa kono kusa-jori futoï, hic arbor hac herba maior; fusino jama ga itsi takaï, mons fusi perquam altus.
Aino. Iramasiure matsi, pulchra foemina; tanbe kak’, hac re melius; rui sûnatara, perquam fortis; poro biruka fùra, valde gratus odor.
4. De telwoorden een tot tien zijn, als grondgetallen, in het Japansch oorspronkelijke woorden, doch in de Aino-taal maar een tot acht, ook twintig en in het oude Japansch honderd; zij worden door particulae verbonden, die de beteekenis hebben van en, nogmaals of meer, ook weiniger.
Jap. Fitots’, 1; f’tats’, 2; mits’, 3; jots’, 4; itsuts’, 5; muts’, 6; nanats’, 7; jats’, 8; kokonots’, 9; tô (towo), 10; hatats’, 20; momo, 100; tô mata (atque iterum) fitots’, 11; tô mata f’tats’, 12; hatats’ mata itsuts’, 25; mu-sozi, 60.
Aino. Sinepp, 1; tupp, 2; repp, 3; inepp, 4; asikinepp, 5; iwanbe, 6; aruwanbe, 7; thupe sjanbe, 8; (ex tupp et sjan; forsan pro i wanbe i. e. minus decem); sineb sjan, 9 (ex sinepp et sjan); wanbe 10; hots’ 20; asikinepp-hots’, 100; (i. e. 5. 20); sinepp ikasima (plus, verbatim: restat) wambe, 11; tupp ikasima wanbe, 12; sinepp ikasima hots’, 21; tuppots’, (ex tupp et hots’) 40; wanbe i rehots’, 50; (3. 20 - 10).
5. De voornaamwoorden. De persoonlijke zijn een- of meerlettergrepige woorden en naar den rang verschillende (teeken van fijner zeden); de derde persoon wordt omschreven. De bezittelijke worden door het aanhangen der uitgang van den genitivus gemaakt en staan altijd voor het zelfstandig naamwoord.
Jap. Watak’s sive ware, ego; omaë sive anata, tu; kare sive ano fito (iste homo) ille; watak’s domo sive warera, nos; omaë gata sive anata gata, vos; karera sive ano fito tats’, illi; watak’s’no, meus; anata no, tuus; ano fito no, illius; watak’s’no atama, mei caput.
Aino. Ku, kuani, ego; e, iani, tu; iki sja an gur’ (ex iki sja, illinc, an, esse et guru, homo) ille; tsjô kaï (i. e. hac parte), ego; i tsjô kaï (i. e. ex illa parte) tu; ku-koro, meus; i-koro, tuus; iki sja an gur’, illius, vel, tangur, huius. I Koro kotan, meum domicilium, tan gur’tsise, huius hominis domus.
6. De werkwoorden. De bedrijvende hebben drie tijden, door verandering van den uitgang gemaakt: a. een tegenwoordige, in het Japansch met den uitgang u, in de Aino-taal an, ki, re, u; b. een verledene, meestal met den uitgang a; c. een toekomende tijd of een potentialis, in het Japansch door eene verlenging van den tegenwoordigen tijd, in de Aino-taal door eene aangehangen particula gevormd. De lijdende werkwoorden hebben insgelijks drie tijden door verlenging der uitgangen gemaakt, die in de Aino-taal lijdelijke hulpwoorden schijnen te zijn. De gebiedende onderscheidt zich door kortheid des uitgangs. De onbepaalde wijze is gelijk aan het Praesens Indicativi; in de Aino-taal staat dikwijls daarvoor eene particula naar een voornaamwoord gelijkende. De verbiedende wijze wordt gemaakt door achtervoeging van de particula, die dezelve regeert. De negatiën (ontkenningen) worden in het Japansch aan het einde der werkwoorden aangehangen en veroorzaken dikwijls eene verandering in de vervoeging, in de Aino-taal worden de ontkenningen door de particula niet beteekent. Aan de tijden worden partikels ter aanduiding der deelwoorden aangehangen. Hulpwerkwoorden worden bij de vervoeging der werkwoorden gebruikt en hebben dezelfde vervoeging als andere werkwoorden; de onpersoonlijke werkwoorden komen zelden voor en de bij ons gebruikelijke worden omschreven.
Jap. Utsu, verbero; utsita, verberavi; utsou, verberabo; utaruru, verberor; utareta, verberatus; utareu, verberabor; utside, verberans; utse, verbera; utareta, verberate; utsu, verberare; watak’s’ga sorewo miru joni, ut id ipse videam; utanu, non verbero; utanu te atta, non verberavi; utareru, non verberor; utareru te atta, non verberatus sum; aru, esse; arita, fui; arô, ero; ame-ga furu, pluit (verbatim pluvia decedit). Kaminari-ga nari, intonat. (Deus fulminans adest.)
Aino. Sitaiki, verbero; sitaiki wa, verberavi; sitaiki rusjui, verberabo; sitaiki aniki, verberor; sitaiki ank’wa, verberatus sum; sitai anki annan gora, verberabor; I(tu) sitaiki, verbera; kakure, veni, i sitaiki anki, verberare; rura-jan, ut sequatur; unono s’jomo an, non congruit (verbatim congruum non est); anats’, habens; asinike wa, existens; an, habere, esse; anna, fui; an nan koro, fuero; asi, factum est. Apto asi, pluit (verbatim pluvia facta est). Kamui fumi, intonat (verb. Deus sonat).
7. De voorzetsels en een oogmerk aanduidende en reden gevende voegwoorden staan aan het einde der woorden, op welke zij betrekking hebben, zonder eene verandering in dezelve te veroorzaken.
Jap. Ni, ad; to, cum; niiote, quia; jôni, ut; jokka maëni watak’swa desi to jama ni juita, quatuor ante dies cum discipulo montem ascendi.
Aino. Ani, cum; kusju, propter; jakka, quamvis; tanbe kusju, propter hanc rem; tsib ani, cum nave; atui kata, in mare.