← Table of contents
Reize van Maarten Gerritsz. Vries in 1643 naar het Noorden en Oosten van Japan

DELFSTOFFEN.

Reading edition

Eene orographische beschrijving van het eiland Jezo en van de reeks van vuurbergen die zich van het Z. tot het N. van Japan en van daar over Jezo tot naar de Kurilen en verder tot naar het schiereiland Kamtschatka uitbreiden, hebben wij reeds op andere plaatsen medegedeeld[179]. Over de geologische gesteldheid van de Aino-landen kunnen wij niets mededeelen dan eenige waarnemingen door Dr. Green, lid van de Amerikaansche expeditie, in de naaste omtrekken van Hakodate gedaan. Deze beperken zich tot eene oppervlakkige beschrijving van eene roodachtige verscheidenheid van Siëniet, dat zich door eene buitengewoon groote hoeveelheid van Toermalijn kristallen kenmerkt, waaruit de top van den digt bij Hakodate gelegen berg bestaat, en tot eenige waarnemingen op het voorgebergte (dat de baai vormt?), van verheffingen door onderaardsche kracht en van de oprijzing van een naar het voormelde Siëniet gelijkend gesteente, dat in plaats van Toermalijn met Veldspaath vermengd was en door Dr. Green als eene Porphier-formatie herkend werd[180]. Het eiland Jezo schijnt overigens zijne tegenwoordige gedaante, even als Kamtschatka, waarvan men thans de geologische gesteldheid naauwkeurig kent, aan verscheidene verheffingen, waarvan de eerste in groote tijdperken elkander opgevolgd zijn, te danken te hebben. Het eerste kwam daar Graniet en Porphier te voorschijn en deze beide gesteenten hebben de eerste verheffing en omwenteling van den vasten leisteen veroorzaakt; na eene lange rust, gedurende welker laatste tijdperk zich de tertiaire lagen gevormd hebben, braken Basalt en Amandelgesteente door en oefenden op de jongste sedimentgesteenten eenen omwentelenden invloed uit. Daarna volgden spoedig op elkander magtige uitbarstingen van trachietische en oud-vulkanische gesteenten, de reeds voorhanden gesteenten menigvuldig door elkander werpende en omwentelende, tot dat zich eindelijk de nog thans in werking zijnde vuurbergen, door de reeds bestaande verstoring en verwarring van oude kraters, den weg baanden en bij voortduring nieuwe omwentelingen en formatiën van het land voorbrengen. Zulk een tafereel van verwoesting en herschepping, door onderaardsche kracht, levert de geheele keten van vuurbergen op, die zich van het zuiden van Japan over de Aino-landen tot naar Kamtschatka uitbreiden, waar zij, zoo als de laatste onderzoekingen hebben getoond, uit zeventien trechters onophoudelijk werkzaam zijn.

Onder de verzamelingen van zeldzame steenen uit Jezo, die wij van Japanners gekregen hebben, bevinden zich ook gelijksoortige granitische en porphiergesteenten en verscheidene gekrystaliseerde Kwartssoorten, waaronder zich uitmuntende krystallen van zwarten Rooktopaas, Amethyst en Bergkristal bevinden. Ook hebben wij Obsidiaan-kogels van twee tot drie palmen doorsnede, pikzwart van kleur, en kleine blaauwe stukjes, waarvan waarschijnlijk de zoogenoemde Krafto tama, d. i. edele steenen van Krafto vervaardigd worden, van daar verkregen. Als eene bijzondere zeldzaamheid werden ons van Matsmaë meer dan eene el lange en vier duim dikke vijfhoekige zuilen van Trachiet gezonden, die op de bergtoppen aan de oevers van de Isikari-rivier gevonden worden.

Zulke gesteenten op zichzelven bestaande, laten zich echter bloot als zeldzaamheden beschouwen en het bestaan van primitive ertsrijke, en vulkanische, nog werkzame of uitgedoofde, gebergten veronderstellen; voor de beoordeeling van de geologische gesteldheid dezer landen zijn zij van geene beteekenis. Wij willen hier nog de namen van ertsen en van eenige andere delfstoffen aanhalen:

Goud Konkani (Aino) Kane, kin (Jap.)

Zilver Sirokani Sirokane, gin

Koper Akkane, furesju Akakane

Brons Karakane Karakane

IJzer Kup’ka Kurogane, tets

Arsenik Kabuto Kawano sômjô

Barnsteen Rukke Kwarjô

Slijpsteen Rui Tôisi

Steen Furima, sjuma Isi

Het binnenland van Jezo zou rijk aan ertsen zijn en het zand van verscheiden rivieren en aan het zeestrand goud bevatten. Het zal dus niet onbelangrijk zijn onze verhandeling met een geschiedkundig overzigt van de berigten over den goud- en zilver-rijkdom van Jezo, uit japansche bronnen geput, te sluiten. Het was toch het voornaamste oogmerk van de onder de Commandeurs Quast en Vries ondernomen zeetogten, goud- en zilverrijke eilanden op te zoeken; en die zijn dan ook door onzen Vries werkelijk ontdekt, zoo als thans op het eiland Urup gebleken is, waar de nieuwe bezitters van het Compagnie-land, de Russen, rijke kopermijnen openen, en zoo als ook alle Japansche reizigers van Jezo beweren. Deze ontdekkingen zijn, helaas! gelijk vele andere nuttige wenken en raadgevingen in het belang van onze overzeesche bezittingen, in het meer der vergetelheid met de oude Nederlandsche vlag ondergegaan, om zich onder eene vreemde vlag, in het noordelijk halfrond van den Grooten Oceaan, allengs weder daaruit te verheffen[181].

»Jezo, zegt Fajasi Sifei, is rijk aan ertsen; de inboorlingen hebben echter geene kennis van bergbouw en verstaan niet edele metalen door mijnwerken te winnen.” Goudzand vindt men op Jezo op vele plaatsen: als bij Kunsui in het N.W. van de Vulkaanbaai, aan het strand van Usibets in het W. van kaap Jerimo; in het gebergte van Jubari en Sen ken gak, dat men de Goudbergen (Kinsan) noemt; bij Sikots, niet verre van het groote binnenmeer, waaruit de grootste rivier van Jezo, de Isikari, ontspringt; en bij Haboro op de N.W. kust. Het goudzand wordt niet alleen door de rivieren aangespoeld, maar dikwijls ook over streken lands van 10 tot 20 Ri verspreid gevonden. Bij Haboro vindt men het goudzand telkens wanneer de wind N.W. is, en wanneer het hard gewaaid heeft, glinstert het zeestrand, als ware het verguld. Ook vernamen onze oude Nederlandsche zeevaarders, op hunne ankerplaats bij het Vossen-eiland (op Kunasiri), dat goud in de omstreken van den piek Antony gevonden en het zilver voor oorringen van de Minami sjam d. i. Zuidmenschen (van Jezoërs) verkregen werd. »De luiden achten het zilver weinigh” (S. B.). De erts op den Mineraelbergh, op het Compagnieland (Urup) gevonden, wordt aldus beschreven: »Steenachtige aerde, gelijkende wel witte volaerde, welke, dikwils gewasschen zijnde, stukjes metaal, als speldehoofden, uitgaf, die zij oordeelden zilver te zijn” (S. B.). Sifei klaagt er zeer over, dat de Japanners het opzoeken van het goudzand verwaarloozen, voorgevende, dat de berglieden het daar van koude niet konden uithouden; bleven toch, meent hij, de inboorlingen in het noorden van Haboro gezond, zoo konden daar ook wel menschen uit warme landen, wanneer zij zich maar warm kleeden en goed voeden, zich tegen de koude bewaren en gezond blijven.” Er bestaat echter eene andere oorzaak, die de Japanners van het goudzoeken terughoudt: het ontginnen van goudmijnen en wasschen van goudzand zijn voorregten eenig en alleen aan den Sjôgun, den zoogenaamden wereldlijken Keizer, voorbehouden en uit staatkundige redenen streng verboden. Vroeger, in het midden van de 17de eeuw, werd veel goud en zilver in de Vulkaanbaai bij de rivier Kunui en op de oostkust aan de Sarui-rivier gewonnen, en er had daar veel handel tusschen de Aino’s en de Japanners plaats; toenmaals verwekte echter een berucht Aino-hoofd, Samsaiin, eenen opstand, die met geweld van wapenen ten onder gebragt werd, waarop het goudzoeken beperkt en allengs verboden is. In de Baie de Langle, op de westkust van Krafto, werden door Lapérouse aan het strand stukken van steenkolen, maar hoegenaamd geene gesteenten gevonden, aan die men sporen van goud, koper of andere ertsen kon ontdekken. In den nieuwsten tijd zijn ook op Jezo steenkolen gevonden, die van goede hoedanigheid zullen zijn; de Vorst-stedehouder van Matsmaë had echter in 1856 van het Hof te Jedo het verlof tot het ontginnen van de kolenmijnen nog niet verkregen. In het overzigt der reis van den Kapitein-luitenant ter zee Fabius tot het bezoeken van de havens van Hakodate en Simoda met de Nederlandsche schroef-korvet Medusa, in September en October 1856, wordt ook bevestigd, dat het eiland Jezo zeer rijk aan zilver- en kopermijnen is, en dat de mijnen niet mogen ontgonnen worden[182].

In onze aardrijkskundige toelichtingen hebben wij van de meest gewigtige punten en plaatsen op de oostkust van Jezo, de zuidelijke Kurilen en van den golf van Aniwa tot naar de bogt van Patientie op Krafto de aardrijkskundige ligging, zoo als die door Vries bepaald of door ons volgens de waarnemingen van onze oude Nederlandsche zeevaarders berekend is geworden, aangehaald, en ze met die van de Hof-astronomisten te Jedo en van andere zeevaarders vergeleken. Een vergelijkend overzigt dezer waarnemingen zal hier niet te onpas komen, en om het algemeen nut daarvan te verhoogen, zullen wij er de tot nu toe bekende breedte en lengte bepalingen van alle overige punten en plaatsen van Jezo, Krafto en de zuidelijke Kurilen bijvoegen.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings