II. DE ONTDEKKING VAN DE TASMAN’S EILANDEN.
Reading edition
Op de terugreis van den in 1639 door Mathijs Quast en Abel Tasman ondernomen zeetogt tot het opzoeken van de »Gout- en Silverrycke eylanden” gelegen ten Oosten van Japan, werd op den 2 December de kust van Japan op 34° 54′ N. Br. ontdekt. Dit land, hetwelk zij voor de eilanden hielden, die op de oude Portugeesche kaarten in ’t W. van den Z.O. hoek van Nippon geplaatst zijn, is wel degelijk de Z.O. hoek van dat groote eiland van Japan, Kaap Sirofama en op de oude Portugeesche kaarten Capo de Bosho genoemd. Van hier namen zij een’ Z.Z.W. koers, langs welken weg zij verscheidene kleine eilanden ontdekten, hunne ligging, zoo goed zij konden, bepaalden en voortreffelijke afteekeningen ten behoeve van ’t land vervaardigden. Aan deze keten van eilanden heb ik den naam van de Tasman’s eilanden gegeven[42].
Een van deze eilanden, dat zich als »heel hooch lant” vertoonde, werd den 19 Mei 1643 van boord van het fluitschip Castricum op korten afstand gezien, welk schip zich kort daarna, door wind en strooming der zee, genoopt zag aan den N.W. hoek van hetzelve ten anker te komen. Dit eiland, waaraan Vries, den naam »het Ongeluckich eylant” gegeven heeft, wordt bij de Japanners Fatsi sjô genoemd en ligt volgens de waarnemingen van den Hof-astronomist Sakusajemon te Jedo, op 33° 6′ 30″ N. en 3° 50′ 30″ O. van Mijako (139° 30′ 30″ O. v. Gr.). Kapt. Broughton, die in 1796 deze eilanden bezocht heeft, bepaalde de ligging van Fatsi sjô op 33° 6′ N. en 140° O. Op de originele kaart van zijnen togt ligt het op 33° 4′ N. en 140° 7′ O. De N.W. hoek daarvan, waar Vries is ten anker gekomen was, is, volgens zijne gissing, op de breedte van 33° 22′ en op de lengte van 158° 511⁄2′ O. v. Ten. (137° 30′ 6″ O. v. Gr.) gelegen. Wij hebben reeds opgemerkt, dat het verschil van de lengtebepaling van de eilanden, die wij op de kaarten van de 17 en 18 eeuwen tusschen 24°-28° N.Br. waarnemen, aan eenen oostelijken stroom der zee in dat zeegebied te wijten is, en getoond, dat dit verschil somtijds twaalf graden bedraagt. In evenredigheid daarvan is dus het verschil van de lengtebepaling van Vries tusschen die van den Hof-astronomist (aan welke ik de voorkeur geef boven die van Broughton), dat 2° meer oostelijk bedraagt, klein, wanneer men daarbij in aanmerking neemt, dat de stroom om de Oost tusschen Fatsi-sjô en de Z.O.kust van Nippon gedurende drie achtereenvolgende dagen door de Amerikaansche expeditie 72′, 74′ en 78′ binnen 24 uren is bevonden geworden.
De beschrijving, die in ’t Journael van het Ongelukkig eiland gegeven is, stemt met de door Quast en Tasman gemaakte schets overeen, en is dus de eenige beschrijving die wij tot heden van dit eiland kennen. De woorden »het Ongeluckich eylant was heel hoog lant, hem vertonende met 2 hooge ronde berge, waar tusschen een groot valey was,” zijn door Quast en Tasman’s landverkenning veraanschouwelijkt en laten tevens de benaming van een op deze hoogte op de kaart van de l’Isle uitgeteekend eiland »Montagne avec deux pics” verklaren[43]. Deze pieken vindt men ook op eene Japansche originele kaart van Fatsi sjô geteekend, en de hoogste daarvan Aka fusi jama d. i. de Roode Fusi berg (tegenover de beroemde vulkaan Fusi, die het grootste gedeelte van ’t jaar met sneeuw bedekt—dus wit is). Ook is de ligging en de gedaante van het kleine »hooch ront eylant” 1 tot 11⁄2 mijl W. van de N.W. hoek van het Ongelukkig eiland gelegen, door de Japanners Kosima, d. i. klein eiland en op de kaart van Vries »ronde holm” genoemd, zeer juist opgegeven, terwijl de opmerking, dat »hier tusschen de stroom met een styve corent om de N.W. zonder stille doorliep,” eene hoogst belangrijke is voor de kennis van den Japanschen stroom Kuro siwo of Kuro gawa, d. i. zwarten zeestroom. Van dezen stroom, dien ik volgens eene Japansche originele kaart op mijne kaart van Japan[44] overgenomen heb, wordt gezegd, dat hij tusschen Fatsi sjô en Mikura (Prince-eylant van Vries) ongeveer 3 engelsche mijlen breed en in ’t voorjaar en den winter gevaarlijk te bevaren is. Door de Amerikaansche expeditie is deze stroom nader onderzocht, in kaart gebragt en beschreven worden[45]. De opmerking van Vries: »saegen veel steencroos drijven” bevestigt ook de waarneming, dat zich de Japansche stroom, gelijk de golfstroom in de Atlantische Zee, door banken van eene bijzondere soort van zeekroos onderscheid.
Het hoog eiland op den 20 Mei ’s morgens in ’t Zuiden van het ongelukkig eiland gezien en bij Vries »Suyder eylant” en bij de Japanezen Awo sima, d. i. Groen eiland genoemd, is ook reeds door Quast en Tasman (den 3 Nov. 1639) ontdekt en zijne ligging op 6 à 7 mijlen Z.t.W. van het Ongelukkig eiland, op 32° 33′ N.Br., bepaald en eene landverkenning daarvan vervaardigd geworden.
’s Avonds van den 20 Mei voor anker gekomen op 33° 52′ gegiste breedte en 159° 22′ lengte O. van Ten. (volgens onze verbetering met +2°, op 140° 0′ 36″ O. v. Gr.) werden van boord aan Castricum W.t.W. op een’ afstand van 11 à 12 Duitsche mijlen nog twee andere eilanden gezien. Deze zijn het eiland Mikura door Vries »Prince eylandt” en Mijake, door hem, volgens het Journael, »Barnevelts” en op zijne kaart »Brandend eilandt” genoemd, omdat er een steeds rookende berg op gezien werd.
Deze twee eilanden zouden op de gegiste breedte liggen van 34° 1′ en op de lengte van 158° 28′ (volgens onze verbetering 139° 7′ 36″ O. v. Gr.), eene bepaling, die met de waarnemingen van den Hof-astronomist en met Broughton’s kaart tamelijk goed overeenkomt. Van hier vervolgde Vries, zoo als ik later zal aantoonen, zijnen koers de N.O. en O. kust van Japan, waarvan wij de eerste hydrographische kennis hem te danken hebben.
Op de terugreis werden door Vries de Tasmans-eilanden wederom opgezocht en hunne geographische ligging nog naauwkeuriger bepaald. Den 28 October bevond hij zich op 33° 58′ N.Br. en 160° 25′ O. v. Ten. (138° 34′ 36″ O. v. Gr.), waar het Prince-eiland W. 6 mijlen en het Barnevelts-eiland W.N.W. 6 mijlen gepeild werd. Volgens deze waarnemingen zoude het eerste op 33° 58′ en het tweede op 33° 6′ N.Br. liggen, hetwelk slechts een verschil van eenige minuten tusschen de waarnemingen van den Hof-astronomist en Broughton oplevert, terwijl zich de lengte van Mikura (het Prince-eiland), volgens de op de reede van Fatsi sjô op den 29 October bevondene lengte (159° 56′ O. v. Ten. of 138° 34′ 36″ O. v. Gr.), die 55′ 54″ minder dan die van den Hof-astronomist bedraagt, met eene verbetering van +55′ 54″ zich op 139° 36′ 30″ O. v. Gr. laat bepalen, die zoomede met de aardrijkskundige ligging, welke het op het kaartje van Commodore Perry’s zeetogt heeft, nagenoeg overeenkomt[46].
Op den namiddag van den 28 October nam Vries zijnen koers naar het Barnevelts-eiland en zeilde tusschen dit eiland en het Prince-eiland door, en bevestigde door herhaalde peilingen de onderlinge ligging van de Tasmans-eilanden. Op mijne verbeterde kaart van Japan (Atlas No. 1) heb ik dezen weg, het eerst door een Europisch schip genomen, de »Straat Castricum”, en de in ’t W. 1⁄2 N. 1 mijl (van Barnevelts-eiland) »veel hooge scherpe clippen boven water, die haer opdoen als toorens,” naar den verdienstelijken stuurman van het schip, Coen’s klippen genoemd. Deze klippen heeft ook Broughton, die in 1796 denzelfden weg als Vries genomen had, gezien en beschreven: »Off the West point of Volcano Isle are some detached black rocks at two or three miles distance”[47], en op zijne kaart aangeteekend. Op de kaart van Japan No. 2347, door de Admiraliteit te Londen in 1855/56 uitgegeven, zijn deze klippen »Black Rocks” genoemd. Deze zeevaarder heeft insgelijks eene andere, meer zuidelijk en iets westelijker dan de Coen’s klippen gelegen, groep van rotsen ontdekt, die door de Japanners Inaniwa en door von Krusenstern Broughton’s klippen genoemd zijn. Ik houd de Coen’s klippen voor dezelfde als de Redfield-Rocks, die op het kaartje van Commodore Perry en op de kaart der Admiraliteit op ongeveer 33° 55′ N.Br. en 138° 50′ O. L., als eene nieuwe ontdekking vermeld zijn. Wanneer, behalve de Coen’s klippen (Broughton’s Black Rocks), op deze hoogte nog andere klippen voorhanden waren, zouden die door Broughton, die daar kruistte, gezien zijn. Mogten evenwel de Redfield’s Rocks bestaan, dan liggen zij meer noordelijk en zijn dan ook dezelfde, die op Jansson’s kaart op 34° 35′ N.Br. en op den meridiaan van kaap Idsu opgegeven en dus ook door Vries gezien zijn. Ook zijn nog op dezen togt van Vries de, in ’t N.W.t.W. 5 mijlen en in ’t N.N.W. 6 mijlen van het Barnevelts-eiland, liggende eilanden waargenomen en onder den naam van Gebroken Eilanden in kaart gebragt. Aan deze eilanden en niet aan de geheele keten komt de naam Gebroken Eilanden toe. Aan de geheele keten—eene reeks van nog werkzame en uitgedoofde vuurbergen van Ohosima tot Fatsi sjô sima—hebben wij den naam van Tasman’s eilanden gegeven. Ik meende in deze geschiedkundige hydrogeographische bijzonderheden te moeten treden, om niet alleen de voor meer dan twee eeuwen gedane ontdekking van deze geheele keten van eilanden door Quast, Tasman en Vries onbetwistbaar te bevestigen, maar ook om de juistheid hunner waarnemingen door vergelijking met die van vermaarde zeevaarders van onze eeuw aan te toonen en te doen waarderen.