← Table of contents
Mijn verlustiging

OP WEISSES TONEELSPEL: ROMEO EN JULIA.[Pg 25]

Reading edition

Bleven de leerzame dochters van Mîneus weleer aan de lippen Harer welsprekende zuster in luisterende aandacht geketend, Wen ze d'oplettenden kring de onzaligste liefde verhaalde; Liefde, gekweekt in den wrok van twee vijandlijke stammen, t' Ondergebracht en vernield door hunne vereenigde telgen: 't Was met dezelfde verrukking', met d'eigensten wellust des harte Dat mijn begochelde zinnen zich in de beschouwing' verloren Van het ontzetlijk tafreel dier tederverknochte gelieven, De offers des woedenden haats, die beider geslachten verdeelde. Teder, beminnelijk paar, wier harten, te samengestrengeld Door d'onverbreekbaarsten band, eenstemmige bewegingen voelden, Eenerlei zuchtjes ontlastten, in de eigene kwelling' verteerden, [Pg 26] Zich in elkander vernietigden en in elkander vernieuwden! Teder, beminnelijk paar! hoe heeft me uw noodlot getroffen! Hoe mijne ziel uw liefde, en hoe uw rampen verzwolgen! Hoe uw liefde benijd, ja zelfs uw rampen gezegend! Rômeo, 'k zie u nog, met de verwe des doods op de kaken, 't Staamlend vaarwel, eer gij 't uit, met afschrik en ijzing herroepen. Ai mij, hoe dobbert uw ziel met dit woord op uw siddrende lippen! 'k Zie uwen boezem bedaauwd met brandende, blakende tranen. 'k Zie hoe gij spraakloos, geschokt, versmoord, door bruischende tochten, De armen, verstijfd om den hals der minlijke Julia, los rukt, Vol van het aaklig gevoelen des naadrenden onheils.—ô Hemel! Moest dan zo veel min zo gruwzame ellenden ten doel' staan! Julia, 'k zie u nog, en gevoele de maat van uw lijden. Wanhoop, vertwijfling,—wat naam, wat naam aan uw' toestand gegeven? Bevend beschouwe ik de schaal die 't doodlijk bereidzel u aanbiedt. 't Doodlijk bereidzel? Gewis: om voor eeuwig uwe oogen te sluiten Moest het u eenmaal het licht, 't noodlottige daglicht hergeven! Al te lichtzinnige Lijfarts, wat baat uw te roekloos beloven? Waar toe de ontwaking bereid, daar de eindloze slaap op zal volgen? Waarom bedroogt gij haar niet, die zich uwer kunde betrouwde? [Pg 27] Zulk een bedrog ware een weldaad; een weldaad, die al hare ellenden Kortte, en haar einde 't besef van 't smartelijk sterven bespaarde. Hemel, wat zeg ik!—ô Neen: onzalige! 't Angstig herleven In de verblijfplaats des doods, wordt rijklijk, ja dubbeld, vergolden Door het geluk van in d'arm van die u waard is te sneven. Rômeo, welk een geluk! gij kent, gij proeft het volkomen: Dank zij 't knagend vergift. Te gelukkig in d' arm uwer schone, Sterft ge in de blakende minne, om geene verkoeling te vrezen: Sterft ge, en het aardrijk ontsluit u 't herbergzaam verblijf van de ruste. Rômeo, weet ge uw geluk naar eisch, naar waarde, te schatten? Kent gij 't?—het aardrijk verschaffe u een zachte en vredige rustplaats! Julia, 'k zie uwe drift de verwilderende oogen ontgloeien: 'k Hoor u den noodkreet, den galm der vertwijfeling uiten!—Wat doet ge? 't Einde is nabij van uw leed. Zijn ziel zweeft om uwen boezem, Om uwe lippen, in 't rond: zij zoekt met vurig verlangen De uwe te ontmoeten; zij zoekt met de uwe te samen te vloeien: Ja, gij erkent haar begeerte, en zult haar begeerte genoegen. 'k Sidder!—gij stort in uw bloed! en ik! waan met u te sneven. Schilder der min, der natuur! wie heeft het penceel u gegeven, Om ons de driften des harte met zo veel waarheid te malen? [Pg 28] Wie toch, wie leerde u 't gemoed dus door uwe klanken beroeren? Wie de geheimen der liefde, de kwellingen, de angsten, de pijnen, De onvergelijklijke zoetheid der hoop die zij ingeeft, te kennen?— Liefde bestierde uwe vingren in 't schetsen dier levende trekken: Trekken, daar 't tedere hart zich-zelve in herkent en beoefent. Zij, die de schrijfstift van Naso geleidde om haar krachten te schetsen, Zij gaf zelv u de taal, de eenvoudige taal van een hart in, Even gevoelig als 't mijne, en licht...! Doch, dat we ons bedwingen: Treffend genoegen, zich-zelv' in 's lotgenoots ramp te beschreien! Onder het masker van medegevoeligheid, zonder beschroomdheid, Vrijlijk d'opborlende tranen een' ruimeren loop te vergunnen! Edel vermaak! 't is in u, dat zich mijn geest mag verpoozen Van de geduurzame plagen, verknocht aan het menschelijk leven.

Illustration from Mijn verlustiging
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings