← Table of contents
Mijn verlustiging

AAN DEN HEER * * * OP DEN VERJAARDAG VAN HET GENOOTSCHAP:[Pg 31]

Reading edition

AAN DEN HEER * * * OP DEN VERJAARDAG VAN HET GENOOTSCHAP:[Pg 31]

ACER EQVVS QVONDAM, MAGNAEQVE IN PVLVERE FAMAE, DEGENERAT; PALMAS VETERVMQVE OBLITVS HONORVM, AD PRAESEPE GEMIT, MORBO MORITVRVS INERTI.

OVID.

Wat poogt ge, ô dierbre Vriend! mijn dichtluim op te wekken, Daar ze in gevoelloosheid als weggezonken ligt? Ach! wilde ik thands mijn hand naar 't stramme speeltuig strekken; Ik bracht een' rouwgalm voort, voor juichend Feestgedicht. De erkentenis ('t is waar) moest mij de borst ontgloeien; Uw voorbeeld boven al mij strekken tot een spoor; Maar ach! mijn vuur verdooft, mijn dichtaâr schroomt te vloeien, Een lome vadzigheid dringt al mijn leden door: Een aaklig aantal van bedroefde mijmeringen Houdt steeds mijn' geest geboeid, mijne aandacht opgeschort; [Pg 32] En, daar zich 't hart verteert in wrede pijnigingen, Is 't vruchtloos dat men zich tot blijde zangen port. Zie daar mijn' staat geschetst: en kan me uw vriendschap vergen, Dat ik, mij-zelv' ten spijt', gedwongen tonen slaa? Neen, gun mij dat ik slechts mijne onmacht moog verbergen, Eer d'onbedachte mond mijn hartsgeheim verraâ! ô Hatelijk besef! Onzalig onvermogen! Korts daagde ik elk vol moeds ten fieren zangstrijd' uit; En nu, gevoeleloos en werkloos neêrgebogen, Ontziet mijn blode hand de weigerende Luit! Waar zijt gij heengevloôn, ô heuchelijke dagen! Toen ik, den Hengst' gelijk, door wapenklank verhit, In 't edel strijdperk vloog, en de eerkroon weg mocht dragen, Van Leydens Dichtrenchoor begroet als Medelid? Waar zijt gij? keert te rug, geeft mij mij-zelven weder!— Ach! 't eertijds vierig ros, in 't wagenkrijt vermaard, Stort kwijnende en vermoeid bij zijne krib ter neder, Verzaad van d'ouden roem, verbasterd van zijn' aart. —Geloofde ik 't, dat mij ooit mijn Cyther zou verveelen, Mijn Cyther! Hemel! eer, de wellust van mijn ziel! [Pg 33] Eer waande ik dat de stem der schelle Filomeelen In 't dichtbekroosd moerasch den Vorsch' te beurte viel: Eer, dacht ik, zal de Lent' zich van haar groen ontbloten: Eer strijkt de Wintervorst de kegels uit zijn' baard: Dan 't hoge Jaargetij' der Leydsche Kunstgenoten Bij 't vrolijk Feestgejuich mijn speeltuig vinde ontsnaard. Laat van uw' zangtoon af, begaafde Nachtegalen; Leer, Lyciaansch gedrocht, gepaste klanken slaan; Pronk, gure Wintervorst, met zomerzonnestralen; En, Lente, doe een kleed van Noordsche Sneeuwjacht aan! Want vruchtloos grijpt mijn hand na de afgeleerde tonen, Bezweken onder 't wicht van ziels- en lichaamssmart. Vergeeft mij dit verzuim, Apolloos echte zonen! Zijt met mijn' will' vernoegd en toegenegen' hart'!

Illustration from Mijn verlustiging
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings