OP DE ROOS.[Pg 95]
Reading edition
Dat wij de Roos, der minn' gewijd, Met Vader Bacchus paren! Dat we, in het druivenvocht verblijd, En 't hoofd bekransende met frissche rozeblaâren, Geen zoete lachjes sparen! —De Roos, der Lente schoonste pracht, De Roos, het sierraad van de bloemen, De Roos, bij 't Godendom geacht, Wil ik op mijne Cyther roemen. —Diones dartelende zoon Vlecht om zijn blonde kruin een purpren rozekroon, Wanneer de drie Bevalligheden Met hem ten reie treden. —Dat ik mij ook met Roosjes sier', En in uw' tempel, op mijn lier, ô Bacchus! u verbreide: En een beminnelijke maagd, Die Roosjes om heur' schedel draagt, Ten blijden dans' geleide!