OP EENE ROOS.[Pg 65]
Reading edition
ô Lust van 't oog, ô lenteplant, Die, als Vorstin van 't bloemrijk land, De veldkroon spant: Ontluik, bekoorlijk Roosje! Maar neen: ontzie, vertraag dien stond; Of uw aanminnig bloosje Gaat ijlings, eer gij 't weet, te grond. —Mijn Fyllis is een bloem als gij; Haar roem gaat als uw roem, voorbij: Gij moet, als zij, bekoren; En hare schoonheid (hoe volmaakt!) Als de uwe, gaan verloren. Helaas! het vreeslijk uur genaakt, Dat uw satijnen bladers slaakt, En 't zelfde lot is haar beschoren. [Pg 66] Welaan dan, frisse bloem, ontluik: En, eer de tijd uw' luister fnuik', Verlaat uw' struik! Ga Fyllis borst bekleeden! Haar sneeuwwit gloei' door uwen gloed; En, slage ik in mijn beden, Uw zachtheid lenig' heur gemoed! —Beminlijk Roosje, dat 'k benij'! Erken uw heil! het staat u vrij, Aan Fyllis borst te sterven! Haar boezem is uw throon en graf! Mocht ik dit lot verwerven! Ik wees Augustus wareldstaf En Krêzus goudtrezoren af, Om dus het levenslicht te derven. [Pg 67] Ga dan, en volg haar schone hand, Beschikster van uw plaats' en stand'; Als 't onderpand Van mijn wanhopig blaken. Doch, als zij u deze eerplaats biedt; Wier glans gij moet volmaken, Versier haar; maar bedek haar niet. —Dan, teffens, sla haar zuchtjes ga, Indien haar ooit een zucht ontsta: En poog haar te overreden, Door 't onherstelbaar ondergaan Van uw bevalligheden, Naauwkeurig acht op zich te slaan: ô Dat ze, zonder blinden waan, In tijds de haren mocht besteden'!