AAN DE LIEFDE.[Pg 55]
Reading edition
Bij welken Leeraar, in Wat Hogeschool, ô Min! Is uwe kunst te leren? Wat onderwijs kan ons ontleên Haar heilige verborgenheên, Die 't fijnst vernuft trotseeren? Wat taal, wat tong, ons doen Bevroên; Wat spraaktuig, leren kennen; Het geen de vlugge geest beseft, Wanneer hij op uw Zwanenpennen Zich boven lucht en zwerk verheft? [Pg 56] Minerve kon met al De wijzen van haar' wal Uw gronden nooit doordringen. Ja Febus-zelf is op Parnas Een kunsteloze Marfyas, In u te willen zingen. Dan trilt, dan heeft zijn stem Geen klem, Geen kracht, geen vuur, geen leven: Dan kruipt, dan sleept zijn geest langs de aard, Onmachtig om u na te zweven Met eene vlucht, uw grootheid waard. Gij, Min! gij zelve, zijt Alleen, ten allen tijd', Uw eigen onderrichting En Leeraar.—Uw ervaren hand Schenkt zelfs het duisterste verstand Een Hemelsche verlichting. Ge ontvonkt den ruwsten geest? Hij leest In uw geheimenissen, In 't onbegrijpbaar wonderschrift, Met trekken, nimmer uit te wissen, Door u, in 's minnaars oog gegrift. [Pg 57] Uw gunstige invloed maakt De lippen welbespraakt, En weet de tong te kneden. Ja, dikwijls maalt, (ô vreemd beleid Van 's Minnegods welsprekendheid!) Een afgebroken reden, Een uitroep, hoe verward, Het hart Met levendiger verven, Dan de allerrijkste woordenpraal: Ja 't zwijgen zelfs is menigwerven De krachtigste, de teêrste taal! ô Min! laat andren dan De schrandre lessen van Een' Sokrates doorzoeken. Twee lonkende oogen leren mij, Wat warelijk beminnen zij, Beschamende alle Boeken. En de allerwijsste dicht- pen zwicht In 't rijk van d'Albedwinger (Het Zanggodinnendom ten spijt') Voor vaarsjes, die een ruwe vinger In ruwe beukenschorsen snijdt.