3.
Reading edition
Deze gedachten gingen mij door het hoofd, toen ik mij met twee mijner bedienden en een paar Javanen, uitgerust op gelijke wijze als gisteren met mondbehoeften, geweer en instrumenten, op weg begaf naar een naburigen berg, westwaarts van Gnoerag gelegen, ten einde dien te beklimmen, mijn geologisch onderzoek voort te zetten en aan de reeds begonnen opneming dezer streek de laatste hand te leggen. Met de beschrijving van mijn „dagelijkschen arbeid” wil ik echter den lezer dezer bladen niet vermoeijen.
Door en door warm van de brandende zonnestralen en druipnat van zweet, kwamen wij ten 2 ure in het dorp terug en waren in de gelegenheid om de oude spreuk te bevestigen: „in het zweet uwes aanschijns zult gij uw brood eten.”—Zweet? Ja.—Brood? Ja, en nog iets beters dan dat: lust tot den arbeid, levensgenot, menschenliefde, geluk en—een van dankbaarheid vervuld gemoed. Kort vóór onze aankomst was insgelijks de bode teruggekeerd, dien wij eergisteren naar het distriktshoofd hadden gezonden. Het scheen dat hij zich nog niet bij mijn broeder had vervoegd, want met de beenen kruislings over elkander geslagen, zat hij voor de deur der hut en hield het pakket met brieven in zijne op den schoot rustende handen. Zoodra hij zag dat ik hem daarvan wilde ontlasten, voegde hij de toppen zijner vingers zamen, bragt die met eerbied aan het voorover gebogen voorhoofd, nam den brief uit den omslag, reikte mij dezen toe zonder op te staan en herhaalde daarop even plegtig als vroeger zijn „Sĕmbah.” Niet vóór ik den brief geopend en hem gezegd had, dat alles goed was, stond hij op en verwijderde hij zich in eene bukkende, onderdanige houding. De lezer zal wel bevroeden dat deze eerbewijzingen niet mij, maar den brief golden, die van een zijner hoofden kwam.
Daar onze woning ledig stond, zocht ik mijn broeder in de nabij staande hutten en vond hem in een er van in eene hevige woordenwisseling met Lapiah, dien hij beval zich te verwijderen en welke mompelend gehoorzaamde. Drie andere Javanen die zich in de hut bevonden, zwegen nu insgelijks stil, dewijl zij bespeurden dat mijn broeder toornig was. Uit eenige woorden die ik had opgevangen, als Isa el Meseh d. i. Jezus Messias, kwam ik op het vermoeden dat zij over onderwerpen, het geloof betreffende, hadden gesproken. Ik erlangde hiervan weldra de zekerheid uit mijns broeders mond, die mij te kennen gaf dat hij, in gevolge van zijn wensch en dien der dorpsbewoners, dezen avond weder bestemd had tot het houden eener bijeenkomst en, dewijl hij behoefte gevoelde om verscheidene punten nader toe te lichten, hoopte hij dat deze afspraak mij niet ongelegen zou komen.
De Kalong’s togen weder over onze hoofden naar het gebergte, de paauwen vlogen al gillend door het dal en het insektengegons, waaraan enkele cicaden hunne diskantstemmen paarden, werd allengs meer algemeen, toen de vallende avond ons op nieuw in dezelfde hut vereenigd vond. De Javanen hurkten zoo als gewoonlijk op den vloer bijeen; ook de Imam zat met de beenen kruislings over elkander vóór hen en wij hadden onze oude plaats in de nabijheid van den wand weder ingenomen, waar de beide lampen een schemerachtig licht verspreidden.
LAPIAH. Neen; ik ook niet. Mijn Heer heeft mij gezegd dat elk Christen zijne medechristenen even lief moet hebben, als zich zelven; dat heeft hij echter niet willen doen. Mijn Heer rookt dagelijks twaalf manilacigaren; ik ben ook een liefhebber er van en heb slechts twee van de twaalf voor mij gevraagd, maar heb ze niet kunnen krijgen. Mijn Heer is rijk genoeg en ik heb hem slechts om 5 gulden toelaag per maand tot mijn loon verzocht, ten einde, na den afloop der reis, mij nog eene vrouw te kunnen aanschaffen; maar op het hooren van dit voorstel is mijn Heer boos geworden en heeft mij toegevoegd: maak je weg, lummel! Jij behoeft geen Christen te worden. Wat helpt nu zulk een fraaije leer, indien zij slechts in boeken te lezen staat en er niet naar gehandeld wordt? Om die reden blijf ik liever hetgeen ik ben.
NACHT. Luister eens Lapiah; gij zijt steeds vriendelijk door mij behandeld geworden, maar nu zie ik dat gij een onverbeterlijke deugniet zijt en het, naar ik vrees, voortdurend blijven zult, onverschillig of gij u Christen of Mohammedaan laat noemen. Bij het opvolgen van het gebod „hebt uwe naasten lief gelijk u zelven”, kan en mag niet uit het oog worden verloren dat een ieder verschillende behoeften heeft, hetgeen zoo veel wil zeggen als: „iedereen lief te hebben naar de mate waarop hij aanspraak heeft.” Dat ik deze leer inderdaad navolg, hiervan zal ik u terstond het bewijs leveren: gij zult dagelijks twee van mijne manilacigaren hebben; daarenboven zult gij maandelijks 5 gulden toelaag bekomen en behouden, zoo lang gij uwe vrouwen liefderijk bejegent en u goed gedraagt. Maar—Christen zult gij niet worden, dewijl gij niet in staat zijt den verheven zin dier leer te bevatten, dewijl gij haar verkeerd uitlegt en, met baatzuchtige oogmerken, slechts misbruik er van wilt maken.
(In mijne gedachten liet ik op deze woorden volgen: „ongeveer gelijk dit sedert het jaar 3 maal 1 is 1 een tamelijk algemeen, loffelijk gebruik geworden is.”)
IMAM. Ik ben zeer beducht, achtingswaardige Heer! dat zulks met het grootste gedeelte mijner landgenooten het geval zijn zou. Duidt mij de aanmerking niet ten kwade, maar eene leer, die eerst moet uitgelegd en verklaard worden, alvorens haar toe te kunnen passen, kan geene volle, van God afkomstige waarheid zijn, zoo als trouwens mijn Heer uw broeder Dag zelf reeds heeft gezegd.
NACHT. Daar hebt gij het!—Ware deze heer Imam met zijn Koran en gij met uw „Evangelie der natuur” er niet tusschen beide gekomen, dan zouden de goede Javanen de Christelijke leer stellig schoon gevonden en aangenomen hebben.
DAG. Maar, beste broeder, hoe kunt gij u bedroeven over deze tusschenkomst? Of zoudt gij durven beweren dat er eenige verdienste in gelegen was, het Christendom in te voeren onder een volk dat nog op den allereersten trap van zedelijke ontwikkeling staat, zoo als b. v. onder de bewoners van Nieuw-Zeeland, wier oordeel weinig geoefend, wier verstandelijke vermogens in geringe mate ontwikkeld zijn? Zou wel eenige verdienste daarin liggen, zulke menschen te overreden om het Christelijk geloof te omhelzen, die nog nimmer van eene andere leer hebben gehoord, aan wie slechts deze eene leer—en dat nog zonder eenige kritiek, zonder eenige beoordeeling—wordt kenbaar gemaakt, zoodat er hoegenaamd geene sprake kan zijn van het doen eener keuze tusschen deze en eene andere leer?—Wat verhinderde dan deze Javanen van Gnoerag, uwe leer aan te nemen en de mijne te verwerpen? Heb ik, langs andere wegen dan gij, gepoogd invloed op hen uit te oefenen; was hun niet de volkomen vrije keuze gelaten tusschen ons beiden? Maar nu zij niettemin uwe leer verwerpen, wat kan hen daartoe nopen, indien de reden daarvan niet eenig en alleen moet gezocht worden in hunne overtuiging, in de overtuiging dat de grondslagen der leer, welke ik hen voordroeg en die zij begrepen, werkelijk op de waarheid steunen?—En deze zoudt gij met voorbedacht voor hen willen verbergen? (Mijn broeder drukte mij de hand en fluisterde mij toe: „gij hebt gelijk; terstond zal ik mij nader verklaren.” Ik ging hierop voort.) Ik weet welke bewijsgronden door orthodoxe predikanten, presidenten van zendelinggenootschappen en dergelijken ter verdediging hunner Evangelische woelingen in vreemde landen gewoonlijk worden gebezigd. Zij zeggen dat de invoering van het Evangelie b. v. op de Sandwich-eilanden, op Nieuw-Zeeland, de wildste menschen, ja, geheel ruwe, bloeddorstige kannibalen herschapen heeft in de zachtaardigste lammeren!—Ik echter antwoord daarop: dat heeft het Christelijke dogma niet gedaan. De zedelijke ontwikkeling, de maatschappelijke orde, de weldaden van het onder de bescherming van menschlievende wetten staande gezellige verkeer der Europeërs, die zich aldaar hadden neêrgezet, het voorbeeld dat de wilden voor oogen hadden,—deze moeten beschouwd worden als de oorzaken, welke die verandering bij gindsche woeste volken hebben te weeg gebragt, en deze verandering zou bij hen hebben plaats gegrepen, al hadden zij het Christendom niet op de koop toegekregen, of indien zij, in plaats van deze, eene andere godsdienst, b. v. de Boedha- of de Mohammedaansche godsdienst nog mede op de koop daarbij hadden ontvangen.
IMAM. Hetgeen gij, waarde Heer Dag, ons voorgedragen en later op schrift ter lezing gegeven hebt, komt ons goed en redelijk voor. Ja, wat meer is, wij vinden zooveel schoons er in, dat mijne landslieden mij verzocht hebben het hun wekelijks eenmaal voor te lezen en te verklaren. Ik ben in dit dorp geboren en was eigenlijk slechts uit G. hier heen gekomen om een bezoek af te leggen; nu echter heb ik het besluit opgevat, om mij alhier neder te zetten en het Evangelie van den regtzinnig geloovigen mensch insgelijks in andere dorpen voor te dragen en daarin onderrigt te geven. Er wordt almede in gelezen, dat wij Isa el Meseh als een grooten en deugdzamen man mogen vereeren en hierin stemt uw Kitab, gelijk in zoo vele andere opzigten het geval is, met ons wetboek, met den Koran overeen. Gaarne echter zouden wij nopens twee onderscheidene punten eenige nadere inlichting van u wenschen te ontvangen.
Het eerste punt is van den navolgenden aard. Wij Javanen hebben van oude tijden her geloofd aan de opstanding uit den doode, welke ons in den Koran insgelijks wordt toegezegd. De mogelijkheid daarvan wordt echter in uw Evangelie ontkend en bestreden. Dit doet ons leed, dit smart ons; gij weet het, de vereering der afgestorvenen, de onschendbaarheid der graven die wij als een heiligdom achten en vereeren, zijn een der voornaamste trekken in onze zeden en gebruiken. Dit nu zou alles slechts ijdele waan zijn indien, naar hetgeen gij leert, ons ligchaam na den dood voor altijd werd vernietigd, indien het in aarde, in gras, in andere dieren of in lucht en water werd herschapen en niets er van overbleef ter plaatse waar het werd begraven. Indien dat het geval ware, zouden wij het even goed dadelijk ter zijde kunnen werpen of verbranden!—Zou echter zulk eene ruwe behandeling der lijken niet eene nadeelige werking uitoefenen op de levenden en eene wederkeerige onverschilligheid of liefdeloosheid ten gevolge kunnen hebben?
DAG. Er waren in der tijd vele volken, gelijk er nog heden ten dage gevonden worden, die hunne dooden verbranden; ja, hier op Java zelf bestond vroeger diezelfde gewoonte, alvorens met den Koran de leer van de ligchamelijke opstanding uit den doode en de heilige eerbied voor de graven alhier werd ingevoerd. Sommige volksstammen werpen de lijken hunner afgestorvenen op bepaalde plaatsen neder, waar zij door gieren en ander wild gedierte worden verslonden.—Verre zij het van mij, dat ik u iets dergelijks ter navolging zou willen aanbevelen. Het komt mij echter voor dat wij overeenkomstig de natuur een lijk slechts zoo lang met eerbied en teedere belangstelling kunnen behandelen, als het den menschelijken vorm nog bezit welke ons den geliefden afgestorvene herinnert; zoodra echter de ontbinding aanvangt dezen vorm te vernietigen en het lijk (dat nu geen mensch meer is) in onaangenaam riekenden stof doet overgaan, moeten wij het ook als onaangenaam riekende stof behandelen, begraven of verbranden. Eene langduriger vereering van lijken en begraafplaatsen heeft reeds menigwerf een verderfelijken invloed op de levenden uitgeoefend. De akkers in Europa zouden vruchtbaarder zijn, indien de begraafplaatsen om de 10 jaren werden verlegd en de verlatene plek, nadat zij gedurende 10 à 15 jaren onaangeroerd was gelaten, op nieuw tot bouwland werd gebezigd.—In zijne werken, in zijne lessen is het dat de werkelijk brave mensch op aarde blijft voortleven, en het beste, het meest eervolle gedenkteeken dat wij hem kunnen stichten, zal steeds zijn de dankbare herinnering aan hem die ons gemoed vervult, en deze kunnen wij natuurlijk verlevendigen door schilder- en beeldhouwkunst en andere dergelijke middelen. Hetgeen echter tegen de natuurwetten indruischt, hetgeen onmogelijk is: de wederopstanding van het stoffelijke ligchaam in zijn voormaligen vorm, hiernaar behooren wij niet eigenzinnig te haken of te verlangen.
WEDUWE. Indien de Heeren het niet kwalijk nemen, wenschte ik eenvoudige vrouw insgelijks een woordje te spreken. Te gelooven aan eene ligchamelijke opstanding, dat is mij niet mogelijk, al stond het honderdmaal in den Koran. Het was toch aan mijn armen man niet te wijten, dat hij door een tijger werd opgevreten. De tijger heeft hem echter opgevreten en verteerd!—Hoe is het nu mogelijk, dat hij weder kan opstaan? Dan zou hij immers een tijger moeten worden, dewijl hij als mensch niet meer bestaat; ja, wat zeg ik, de tijger dien wij in de kloof hebben geworpen, is op zijne beurt ook reeds weder van Rajap’s en andere gewormte half verteerd!
DAG. Zeer juist aangemerkt—en in den eeuwigen kringloop der stoffen zal hij, de eene na den anderen, nog eene menigte vormen aannemen. Maar het valt ons menschen bezwaarlijk, om ons los te maken van dwaalbegrippen die ons lief en waard zijn geworden. Dat is de reden waarom ik het van zoo hoog belang acht, om onze kinderen geene verkeerde begrippen in te boezemen, maar ze in tegendeel zoo vroegtijdig mogelijk met de eeuwige waarheden der natuur naauwkeurig bekend te maken.—Het gaat u met de opstanding der dooden ongeveer op gelijke wijze als den Christenen met de goddelijkheid van Jezus. Zij vreezen dat hunne godsdienst en zedeleer al hare waarde verliezen zal, indien aan haren stichter het praedikaat van goddelijkheid wordt ontnomen, hetgeen echter, naar mijne wijze van zien, geheel ongegrond is. Wat meer zegt, ik geloof dat zij daarbij noodzakelijker wijze gewinnen moeten, indien hun wordt geleerd dat zij Jezus slechts als mensch moeten eeren en hoogachten. Want aangenomen dat hij de reinste deugd leerde en beoefende, dat hij eene alles ten offer brengende menschenmin bezat en een God was, dan volgt hieruit dat zijne hoedanigheden ons een onnavolgbaar voorbeeld moeten toeschijnen, dewijl het een God niet moeijelijk vallen kon deugdzaam te zijn. Gelooven wij daarentegen dat hij niets meer of niets minder was dan een mensch gelijk wij, en niettegenstaande dat al die deugden beoefende,—moet de overtuiging hiervan voor ons niet veel opwekkender zijn, dewijl zij ons de troostrijke zekerheid schenkt dat wij, indien wij zulks willen, even deugdzaam, even menschlievend kunnen zijn als hij was?—Evenmin als de Christenen met de goddelijkheid van hunnen Jezus zullen verliezen, zal dit bij u het geval zijn met de opstanding der dooden, indien gij niet langer gelooft aan iets, hetgeen gij elken dag kunt zien, dat eene natuurlijke onmogelijkheid is. Welk eene erbarmelijke inrigting zou het toch zijn, indien de natuur die zulk een onuitputtelijken rijkdom aan nieuwe scheppingskracht bezit, oude, voormalige individuele vormen weder te voorschijn moest brengen en kranke en gezonde, gebogchelde en regte, heele en verminkte menschen, of misgeboorten die twee hoofden hadden, melaatschen, blinden, enz., enz., allen, allen juist zoo als zij in hun leven waren, andermaal in het aanzijn moest roepen?—Zoudt gij zoo iets kunnen wenschen? Wel nu, dat zou ook geen redelijke wensch zijn. Ik raad u derhalve: onderwerpt u aan de wetten der natuur, waarin de wil des Eeuwigen zich openbaart, en houdt u overtuigd dat de dooden die gij hebt begraven, nimmer zullen opstaan; bemint hen des te vuriger, zoo lang zij leven en gelooft aan de onvergankelijkheid der geestelijke kracht die in u is, en aan de wet der steeds voorwaarts strevende ontwikkeling in den mensch, welke eene allengs hooger klimmende volkomenheid te gemoet gaat.
IMAM. Ik neem dit alles gaarne aan en zal met alle krachten er naar streven, om uwe natuurlijke beschouwingen onder mijne landslieden meer en meer ingang te doen vinden.—Ten opzigte van het eerste punt hebt gij de goedheid gehad, mij de noodige opheldering te geven; thans blijft nog een ander punt over, waaromtrent ik eene vraag tot u wenschte te rigten.
Gij hebt ons beide gezegd dat uwe landslieden, de blanke menschen in Nĕgara-Wolanda, bijna allen Christenen zijn en datgene gelooven, hetwelk de Heer Nacht ons gisteren uit het bijbelboek heeft voorgelezen, hetgeen wij Javanen echter volstrekt niet begrijpen kunnen. Zulk eene tot treurigheid stemmende, ontmoedigende godsdienst is niet geschikt voor ons helder, vruchtbaar land. Veel van hetgeen de Heer Nacht ons heeft voorgelezen, maakte een indruk op ons als het zien van een somberen hemel, wanneer wij donder zullen krijgen, of wanneer wij aan Sakit proet (krampen in den onderbuik) lijden.—Hetgeen gij daarentegen, Heer Dag, ons van het Evangelie der natuur hebt geleerd, kwam met onze denkbeelden goed overeen en werd door ons gemakkelijk begrepen. Om die reden gelooven wij het en nemen het aan als waar.—Hoe komt het nu toch, dat ginds in Holland bijna alle blanke menschen, die immers veel verstandiger en geleerder zijn moeten dan wij, aan de Messiasleer van den Heer Nacht gelooven, en dat zij begrijpen kunnen of troost vinden in hetgeen ons ongeleerde Javanen even onbegrijpelijk is als eene bergopwaarts stroomende beek, in iets dat een indruk op ons maakt als eene sombere, zware regenbui?
DAG. Mijn goede Imam. De geleerde en ongeleerde bewoners van Holland begrijpen het evenmin als gij hier op Java. De meesten verbeelden zich slechts dat zij het gelooven, dewijl zij niet anders weten, dan ’t geen zij van der jeugd af hebben geleerd, en zij die het beter weten, wenden huichelachtig voor dat zij er aan gelooven. Deze beide klassen maken de meerderheid uit der bevolking.—Maar buitendien worden er duizenden gevonden, en hun aantal neemt hand over hand toe, die dezelfde gevoelens koesteren als ik. Deze duizenden komen echter niet openlijk voor hunne grondbeginselen uit; zij zijn, wel is waar, te opregt en te braaf om te huichelen, maar——zij verbergen den schat der waarheid die zij belijden, in het binnenste huns boezems; zij houden hunne godsdienstige overtuiging geheim.
IMAM. Hoe is dat mogelijk! Er is mij toch verhaald, dat in uw land volkomen vrijheid van godsdienst bestaat en dat daar alle sekten, Mohammedanen, Heidenen, Christenen en Joden worden geduld en allen gelijke regten genieten!
Nu zal het u, waarde Imam, wel duidelijk zijn, waarom de verlichten in Holland die in rust en vrede willen leven, stilzwijgen moeten. Want wagen zij het hunne stem tegen de orthodoxe leer te verheffen, dan hebben zij als het ware een nest met wespen gestoord die hen met hare giftige angelen bedreigen; ja, duizenden hebben zij tegen zich in het harnas gejaagd. Zelfs over den boekhandel oefenen deze wespen een soort van schrikbewind uit, de ijverigste pogingen in het werk stellende om de van staatswege gewaarborgde vrijheid van drukpers te fnuiken, doordien zij den vrijzinnigen boekhandelaar plagen en kwellen, hem haren angel laten zien en met lasterlijke aantijgingen bedreigen en vervolgen. Wordt er echter niettegenstaande dat alles een gevonden, die het durft wagen—’t geen zelden gebeurt—een boek uit te geven, waarvan de schrijver heeft gepoogd de waarheid in het licht te stellen, dan weten gene priesters de verspreiding van het boek te beletten, zoodat de groote meerderheid des volks welke blindelings gelooft aan de leer der kerk, het volstrekt niet onder de oogen krijgt en ten opzigte van den inhoud er van in volslagen onwetendheid blijft verkeeren. Die vrome mannen welke misschien, even als zeker ridder met de hanenveêr op den hoed, denken: mundus vult decipi! dralen niet om het „een verderfelijk boek, een onzedelijk boek, een vuil pamphlet tegen het Christendom” te noemen en van den kansel de woorden uit te bazuinen: „die het koopt of leest, die zondigt tegen Jezus Christus.”
Zoodanig aangekweekt, wordt de onzin meer en meer verspreid en duizenden slaan er geloof aan. Het boek echter, hetwelk waarheid bevatte, bij voorbeeld: Gedachten ten aanzien eener toekomstige, meer algemeene Godsdienstige geloofsleer (Gebr. Diederichs te Amsterdam, 1848), of verlichte brochures, als: Belangrijke vragen over de verrigtingen der Christen-Zendelingen (1851, bij denzelfden uitgever in het licht verschenen), Algemeen protest van Christenen in Nederland tegen eene nieuwe woordelijke vertaling van den ouden bijbel (1853, bij F. Günst te Amsterdam), worden spoedig vergeten. De stem welke daaruit spreekt, is als die des roependen in de woestijn en het eenige middel om den triomf der waarheid te bespoedigen:
Vereeniging van gelijkgezinden tot bevordering van dezelfde doeleinden,
Stichting eener nieuwe kerk en gemeente,
Oprigting van scholen,
Overeenkomstig den geest der natuurlijke godsdienst en zedeleer,
wordt om de vroeger ontwikkelde en andere dergelijke gronden niet ter hand genomen, of wordt hoogstens verwezenlijkt binnen de muren van eene afgescheidene, door het Nederlandsche Groot-Oosten niet erkende Vrijmetselaarsloge.
IMAM. Waarde Heer Dag. Thans zie ik duidelijk in hoe ginds, in de Christenlanden, niet alles goud is dat blinkt, en dat uwe Europesche maatschappij zeer vele ongezonde, bedorvene bestanddeelen in haren boezem bevat, die zich aan mijn oog voordoen als een huis, hetwelk door Rajap’s (termiten) is ondermijnd en aangetast. Wat het uitwendige betreft van balken en planken, tot den glans toe van het vernis en van de verw welke in der tijd er op waren gebragt, is alles onveranderd hetzelfde gebleven; maar van binnen is alles hol, vergaan, geheel doorknaagd, vol wormen en bij den eersten den besten storm of de eerste aardbeving moet het gansche gebouw instorten. Een angstig, beklemd gevoel maakt zich van mijn gemoed meester, mijn lieve beste Heer, wanneer ik er aan denk, dat men ons—arme Javanen—in zulk een broos, vermolmd, half vergaan kerkgebouw wil opsluiten.
(De Imam wierp zich vóór de verzamelde menigte op de knieën en bad met opgeheven handen:)
„Albarmhartige God! Groote, Algebiedende Toean Allah! De wegen die gij bewandelt, zijn onnaspeurlijk; de doeleinden die Gij wilt bereiken, zijn voor ons bekrompen verstand een raadsel, en Uwe wijsheid is als een licht dat ons oog verblindt.—Maar hier liggen wij arme, onwetende Javanen, uwe kinderen, in diepen ootmoed voor U nedergeknield en wij bidden U vuriglijk dat Gij ons niet in zulk eene zware verzoeking leidt, door toe te laten dat deze Europesche godsdienst der Christelijke kerk (Agama wolanda deri Orang Natsarani) in ons vreedzaam, schoon land worde ingevoerd. O! groote Toean Allah, albarmhartige Allah! Behoed ons daarvoor. Wij willen ernstig er naar streven, deugdzaam te zijn en U in waarheid te vereeren. Amen!”
De gansche vergadering herhaalde: „Amen!”
NACHT. (Na eene korte tusschenpoozing.) U allen die hier tegenwoordig zijt en bovenal aan u, geliefde broeder, ben ik eene opheldering verschuldigd. Waar en openhartig zullen mijne woorden zijn. Ik wil u niet verbergen dat reeds eergisteren, toen ik u de hoofdregelen van het orthodoxe Christelijke Evangelie voordroeg, mijn geloof aan de waarheid dezer leer aanmerkelijk aan ’t wankelen was gebragt door de gronden, welke ik menigwerf uit den mond mijns broeders had vernomen. Ik was echter nog niet volkomen overtuigd en wenschte gaarne den indruk te kennen, welken de Christelijke geloofsleer op u, Javanen! zou maken. Ik wenschte het oordeel te vernemen dat gij, in uwe kinderlijke eenvoudigheid, daarover zoudt vellen, dewijl ik vermeende daaraan eenig gewigt te mogen hechten; want het was mij bekend dat uw verstand, wel is waar, ongeoefend, maar aan de andere zijde door vooringenomenheid niet beneveld was. Hetgeen in Holland elken dag aan duizenden van onschuldige kinderen wordt geleerd, die door geen talisman tegen de besmetting der dwalingen zijn beschut, aan wie geene keus tusschen deze en eene andere leer wordt gelaten, zoo iets mogt immers (dacht mij) wel aan u, goede Javanen! worden medegedeeld, en zulks te meer dewijl mijn broeder u reeds tegen den daarop volgenden avond eene andere voordragt, namelijk, over de natuurlijke godsdienst en zedeleer had toegezegd. Gij zoudt derhalve de vrije beoordeeling, de keuze hebben tusschen twee zaken en hierdoor bragt ik mijn geweten tot zwijgen, dat zich aanvankelijk aankantte tegen de poging om u met een geloofsstelsel bekend te maken, van welks waarheid ik zelf niet meer overtuigd was.
Gij hebt nu een besluit genomen. Gij hebt de leer van het Evangelie van den regtzinnig geloovigen mensch gehoord en haar aangenomen. Maar ook ik ben tot een besluit gekomen en ik verklaar bij deze plegtig, dat ik de gegrondheid erken van de bewijzen door mijn broeder tot staving zijner leer aangevoerd, dat ik daarentegen het Christelijke dogma eene dwaling acht en het zuivere geloof aan God en de hieruit, in overeenstemming met de natuur, afgeleide zedeleer tot rigtsnoer mijns levens kies.—Indien honderd duizenden in de Europesche landen genen Isa el Meseh, gelijk ik vroeger zelf deed, tot een afgod hebben gemaakt, dien zij aanbidden in plaats van God, laat ons daarentegen met liefde en achting aan hem gedenken als aan een voortreffelijk mensch, die reeds vóór 1800 jaren de kern onzer leer verkondigde: „Hebt als broeders elkander lief!”
Deze verklaring mijns broeders verwekte onder al de aanwezigen groote vreugde; ik vooral was daarover zoodanig verrukt dat ik hem gaarne in mijne armen had willen drukken, indien de aanwezigheid der Javanen mij daarvan niet had terug gehouden. Elke levendige, driftige uiting van onze aandoeningen en hartstogten wordt door hen als ongepast, ja, min of meer als onwelvoegelijk beschouwd, terwijl daarentegen rustige, kalme gelatenheid bij alle gebeurtenissen en in alle omstandigheden des levens, hetzij deze ons tot vreugde of tot droefheid stemmen, bij hen als het toppunt van mannelijke geestkracht en waardigheid geldt.—Toen echter gevoelde ik meer dan ooit dat ware vriendschap slechts daar kan bestaan, waar verwantschap des geestes heerscht en dat niets in staat is den band der vriendschap die twee zielen verbindt, zoo vast zaâm te strengelen als de overeenstemming in denkwijze, in zedelijke en godsdienstige overtuiging.
Tevreden, ja, in een vrolijke, zalige stemming gingen wij kort daarop uiteen; dewijl het nog niet 10 ure was, namen wij den Imam die zeer leergierig bleek te zijn, mede naar onze hut. Wij schonken hem een thermometer, een klein kompas, eene magneetstaaf, een zakkijker, een eenvoudig mikroskoop en andere dergelijke instrumenten, omtrent wier gebruik wij hem het noodige onderrigt gaven; over het bezit dezer werktuigen betoonde hij zich ten hoogste verblijd. Hij beloofde ons het Evangelie der natuur met alle krachten onder zijne landslieden te verspreiden, terwijl wij hem van onze zijde nader schriftelijk onderrigt toezeiden. Wij begaven ons daarop naar onze legerstede, het gemoed vervuld met de overtuiging dat wij hier, in dit kleine dorp, welligt eenig nut hadden gesticht, een zaadkorrel hadden geplant die, hoe klein zij ook wezen mogt, misschien eenmaal tot een weligen wasdom zou kunnen komen en rijke vruchten voortbrengen!
IMAM. Schaamt gij u niet, de Heeren, die u zoo vriendelijk behandeld hebben, nu zonder hulp te laten zitten?—Foei! foei! hebt hij reeds vergeten, hetgeen Toean Dag en ik u geleerd hebben, dat wij menschen vlijtig en arbeidzaam behooren te zijn en er naar streven moeten den onvergelijkbaar grooten Toean Allah na te volgen?—Kunt gij dan niet zien dat Toean Allah geen enkelen oogenblik rust, maar altijd werkt en dat hij de zon weldra weder boven uwe hoofden zal doen opgaan?—Hoort gij dan niet hoe de vogelen weder zingen en de apen in het geboomte rondklauteren?—Alles ontwaakt tot een nieuw leven, alles roert en beweegt zich en gij, vadzige kerels, wilt lui en slaperig in uwe hutten blijven zitten?—Holla! hei! De hut uit! Hier moet gij zijn; pakt aan!
Deze toespraak had werkelijk ten gevolge, dat eenige mannen uit de hutten te voorschijn kwamen en langzaam, Siri kaauwende naderden; glimlagchend, doch zonder een woord te spreken, zetteden zij zich nevens onze koffers; maar nog steeds bleven vier Pikolan’s (pakken) over die geene dragers hadden. Het scheen dat de goede wil der overige Gnoeragers sterkere drangredenen behoefde, om tot een besluit te kunnen komen en deze tot de daad te doen overgaan. Mijn ongeduld nam intusschen des te sneller toe, naar mate ik langer moest wachten; de oostelijke hemel begon allengs helderder te worden en toen eindelijk de eerste morgenstraal de dauwdruppelen aan ’t geboomte deed fonkelen, riep ik mijne bedienden toe: „Hier jongens, Sidin, Maspoetri, Pangkat, Ario, Soengsang! komt hier; pakt alles weder uit, wij hebben plan om hier te blijven en een vrolijk leven te leiden! Vat die geit daar aan, vlug, vat ze aan! Wij zullen ze slagten; voortaan blijven wij hier, maar wij moeten toch eten ook!—Heden slagten wij deze geit, morgen eene andere, overmorgen moet een buffel er aan, en zoo zullen wij alles opeten wat gij bezit, luije Gnoeragers! Al uwe kippen gaan de eene na de andere denzelfden weg, ja, al de geiten, buffels, in één woord, al dat leven ontvangen heeft in het dorp zullen wij slagten en opeten!”
Dat had invloed.—Vlug als de wind snelden al degenen die in de hutten waren, naar buiten; die voor hunne hutten zaten, staakten den arbeid en in een oogenblik was alles op de been. ’t Was koddig om te zien hoe zij zich haastten, niet dewijl zij geloofden dat wij onze bedreiging zouden vervullen, neen, dewijl zij onze bedreiging als eene aardigheid beschouwden, als eene vrolijke jokkernij die hen in de allerbeste, opgeruimdste stemming bragt. Het zonderlinge denkbeeld, dat wij Hollanders, met ons beiden, alles dat eetbaar in het dorp was, zouden opeten, vonden zij regt vermakelijk. Lagchend riepen zij elkander toe: Lakas, lakas! Bekin ramé! Segala roepa orang kaloear, bekin ramé ramé! (Vlug, vlug! Vrolijk aan ’t werk! Oud en jong snelt de hutten uit! Pakt allen te gelijk aan en maakt vrolijk gejoel!)—Nu hadden wij niet alleen Koeli’s genoeg, maar zelfs meer dan wij behoefden; eenigen liepen met ledige handen, louter uit pleizier in Ramé ramé, naast de dragers en het gansche dorp was op de been geraakt. Wij namen nu een vrolijk afscheid van allen en drukten den Imam de hand; zelfs verscheidene honden volgden ons en de weduwe, die wij vier gulden en een Sarong ten geschenke hadden gegeven, riep ons haar Slamat djalan (voorspoedige reis), beste Heeren! nog in de verte toe.
Wij waren thans voorzigtiger dan de vorige maal, want wij zonden de dragers met onze pakkaadje vooruit; wij volgden met de overige jongens, waarvan de een een barometer in den arm droeg, terwijl de andere onze geweren, eenige thermometers, een kleinen pijlcompas en andere dergelijke werktuigen bij zich hadden, die wij tot het doen van waarnemingen onder weg zouden behoeven. Welgemoed zetteden wij onzen togt voort over de smalle paden, welke hier door het hoog opgeschotene Alang alang, dan weder tamelijk ongebaand tusschen het kruipelhout van boschjes heenliepen. Ten 10 ure waren wij den eersten bergrug die zich in eene westelijke rigting van Gnoerag verheft, reeds overgeklommen, hadden de Tji-Nakoelabap doorwaad, welke door het diepe dal stroomt dat op den genoemden bergrug volgt en klauterden nu tegen de helling van den tweeden, hoogeren bergrug op.—De zon steeg immer hooger en hooger aan den wolkenloozen hemel en schoot hare brandende stralen allengs in eene meer loodregte rigting op ons neder; de helling welke wij beklommen, werd allengs steiler en onze Koeli’s, die tot op den lendendoek geheel naakt waren en wie ’t zweet van het ligchaam gudste, stapten in gelijke mate langzamer voort, naar gelang wij de nok naderden der bergketen, die wij nu moesten overtrekken. Het eene kleedingstuk na het andere hadden wij reeds uitgetrokken en, meer verslapt van de hitte, als het ware dampende in den vuurgloed der atmospheer, waaraan geen luchttogtje, hoe gering ook, eenige verfrissching schonk,—dan vermoeid van den togt, kwamen wij omstreeks één ure op de nok des bergrugs aan.
Hier was geen enkel levend wezen te bespeuren; nergens hoorden wij het gefluit van eenigen vogel of het getjilp van het kleinste insektje. Alles wat ademt, wat vliegt of kruipt, scheen zich voor den gloed der zon verborgen te hebben; zelfs geen blaadje ritselde in het loof van ’t geboomte, dat hier en daar groepsgewijs in de Alangzee verstrooid stond. Aan alle zijden omringde ons dit eentoonige gras, welks stijve bladeren eerder eene helder grijze, dan geelachtig groene kleur hadden. Diep beneden ons aan de helling der bergketen lag het dorp Oewoetagnis, welks hutten ons op dien afstand onduidelijk, weikleurig van tint door de troebele lucht toeschenen. Want al liet zich geen wolkje aan den hemel bespeuren, al was de dampkring zeer droog, toch bezat deze, op groote afstanden genomen, slechts eene geringe mate van doorzigtigheid. Van de gloeijend heete oppervlakte der aarde verhief zich voortdurend een loodregt opstijgende luchtstroom, ten gevolge waarvan de zoom van alle verwijderde voorwerpen waarop wij het oog vestigden,—de oppervlakte der Alangzee, de rand der bergterrassen, de kroonen van het geboomte,—in trillende beweging was. Behalve het pijnlijke gevoel der hitte, de verstikkende gewaarwording welke het inademen eener zoo zeer uitgezette lucht veroorzaakte, ondervonden wij nog eene andere plaag; want het zonnelicht dat door de Alangbladeren werd teruggekaatst, verblindde ons de oogen.—Reikhalzend verlangende naar een koel togtje, zetteden wij ons neder tusschen de Koeli’s, die geheel buiten adem tusschen de op den grond geworpene pakken en koffers lagen. Maar in het 3 à 4 voet hoog staande drooge gras, waar de thermometer tot op 100 graden Fahrenheit (37,7° Celsius) was geklommen, kon weinig verkwikking worden gevonden. Wij kropen nu naar een klein boschje, waar wij een plas vonden die nog niet geheel was verdampt, en met welks water wij ons brandend heet gelaat, borst en armen bevochtigden.
Hier verspreidde het loof van eenige wat hooger groeijende boomen een weinig schaduw in het rond; maar naauwelijks hadden wij ons op den grond nedergevleid, toen wij en al de Koeli’s door opstijgende rookmassa’s en vlammen op de vlugt gejaagd en genoodzaakt werden, zoo snel mogelijk onze goederen bijeen te pakken en bergafwaarts te ijlen. Het vuur van het in brand gestokene Alangveld had zich aan het woud medegedeeld. De Javanen hebben, namelijk, de gewoonte om gedurende de droogste maanden des jaars (Augustus en September) het hooge gras, waarin hier en daar 3 à 4 maal hoogere en eilandvormig groeijende Glagah-groepen en vele min of meer uitgestrekte boschaadjes verstrooid voorkomen, op duizende van plaatsen aan te steken en te branden; dit geschiedt eensdeels met het doel om de tijgers te verjagen, ten andere om plaats te winnen tot het aanleggen van akkers, welke alsdan met de asch van het verbrande hout en gras te gelijker tijd worden bemest. Toen wij langs de berghelling afdaalden en naar den kant van het dorp heensnelden, zagen wij verscheidene dergelijke afgebrande plekken, welke de grijsachtig groene kleur van het grasveld plaatselijk hadden vernietigd en uit het dal als zwarte, onregelmatige strooken slangsgewijs opwaarts liepen. Eenigen waren reeds uitgedoofd; anderen daarentegen brandden aan het hoogste gedeelte nog voort, alwaar dan eene rookzuil, waardoor vlammen speelden, zich al kronkelend verhief.
Ter plaatse waar de lucht door een dergelijken gloed, welke somtijds eene strook ter breedte van 500 à 1000 voet in vuur en vlam zettede, was verdund, stroomden van de zijde van het dal de koudere en digtere luchtmassa’s toe en veroorzaakten daardoor, niettegenstaande de algemeen heerschende windstilte, een plaatselijken storm welke onmiddellijk volgde op de oorzaak van zijn ontstaan, namelijk het vuur, dat wij met ongeloofelijke snelheid steeds hooger en hooger bergopwaarts zagen voorthollen en hoorden knappen en kraken. Waar een boschaadje in de rigting dezer brandende strooken lag, daar wierp het met den storm steeds hooger bergopwaarts ruischende en bruischende vuur zich als een wervelwind op in,—binnen een oogwenk stond het gansche bosch in lichte laaije vlam en aan het knetteren van het zoo brandbare, drooge Alang alang paarde zich alsdan een vreesselijk, oorverdoovend loeijen en bruischen, dat inderdaad schrikverwekkend was en waar boven zich dan nog van tijd tot tijd het gekraak deed hooren van een neêrstortenden stam of van een vallenden hoofdtak van een zwaren boom.—Een dergelijk concert loeide en donderde ons in de ooren toen wij zonder eenig geluid te geven, zonder een enkel woord te spreken, maar kugchende in de verstikkende middaghitte, door rook en vlammen heen, bergafwaarts snelden; wij liepen daarbij in een draf achter elkander over de smalle paden, in voortdurenden angst dat een zijwaarts zich uitbreidende brandstrook ons zou bereiken en verzengen.—Mijn pen is niet in staat om het karakter van dit tropische tooneel naar waarde te malen; mijne taal is niet rijk genoeg, om met woorden het schouwspel te schilderen dat wij dien middag voor oogen hadden, toen wij het dal in een weikleurigen, troebelen, hier en daar met rook bezwangerden dampkring beneden onze voeten zagen liggen,—niettegenstaande de zon, aan een onbewolkten hemel schijnende, hare brandende stralen uit het zenith op ons nederschoot!
Nadat wij onzen marsch gedurende 1½ uur hadden voortgezet, kwamen wij aan den rand van het diepe Tji-Ikaldal en zagen tegenover ons, aan de andere zijde der breede kloof, het dorpje Roetab, allerliefst tusschen ooftboomen gelegen; hoog verhieven zich daarboven de Kokos- en Pinangpalmen die op de dunne zuiltjes als op lange stengels her- en derwaarts wiegelden. Daar zouden wij overnachten. Een zachte zuidewind, een bewijs dat wij ons reeds meer nabij de kust bevonden, had zich sedert eenigen tijd doen gevoelen en matigde eenigzins de hitte. De verfrissching welke wij op die wijze ondervonden, deed ons goed, want wij waren nu werkelijk vermoeid en zagen met een zeker huisselijk verlangen naar de overzijde heen, naar de hutten van het dorpje, die zoodanig tusschen het heldere, frissche groen van Pisangblaâren verscholen lagen en zoo digt door het loof der vruchtboomen waren omgeven, dat de bruinachtige Bamboeswanden en Alangdaken ons ter naauwernood hier en daar in het oog vielen. De blaauwachtige rook welke dwarrelend uit de nok der daken oprees, verhoogde nog de uitlokkende werking die de aanblik van dit tooneel bij ons veroorzaakte, want hij verkondigde ons dat de tijd van het avondeten naderde, dat vuur aan den gastvrijen haard brandde.—Wij spoorden derhalve de Koeli’s aan om zich zoo veel mogelijk te haasten. Dit was echter geene gemakkelijke zaak; want zij lagen nu eenmaal op den grond en prevelden in hunne gewone zorgeloosheid: „het dorp ligt immers in onze onmiddellijke nabijheid, wij zullen er nog vroeg genoeg aankomen.” Zonderling, dat de Javanen de despotieke bevelen hunner eigene hoofden zoo gaarne en zoo gewillig gehoorzamen, terwijl noch een verzoek, noch geld, noch goede woorden van een Europeër in staat zijn, hen te bewegen tot het verrigten van eenig vrijwillig dienstbetoon. Te Oewoetagnis hadden wij reeds een vol uur op versche Koeli’s moeten wachten; hier hadden wij andermaal oponthoud en wij waren eindelijk nog zeer verblijd, dat wij onze goede dragers na een half uur wachtens op nieuw op de been konden krijgen.
Eenmaal op weg zijnde, verhaastten wij onze schreden, daalden langs den met geboomte begroeiden dalwand naar beneden en kwamen tegen 5 ure in den bodem der kloof aan, waar wij de Tji-Ikal over moesten. Ter plaatse waar wij aan de beek kwamen, was de waterstand echter te hoog om te kunnen door waden; al zwemmende den overkant te bereiken, hieraan viel evenmin te denken, uithoofde van den snellen stroom en de zware rotsblokken waar tegen het water in zijne vaart als schuimend bruischte, gesteld al dat wij de Koeli’s met onze pakkaadje hadden willen verlaten. Wij volgden derhalve den raad des Loerah, gingen ongeveer een kwartier uurs lager dalafwaarts, waarbij wij nu eens den oever volgden, dan weder ons een weg baanden door het nabij gelegen geboomte; eindelijk kwamen wij in eene streek aan, waar de dalbodem eene breedte had van verscheidene duizend voet en de stroom, die in verscheidene armen verdeeld en veel ondieper was, eene geringere snelheid bezat. Hier klommen wij derhalve afwaarts in de rivierbedding en sprongen moedig in het water. Mijn broeder Nacht en ik gaven de anderen een goed voorbeeld en de Koeli’s volgden ons de een na den anderen; reeds waren wij den eersten, kleineren arm al wadende doorgegaan, hadden wij eene rolsteenbank (een eiland tusschen twee armen van den vloed) bereikt en stonden wij gereed om den tweeden arm te doorwaden, toen plotseling van den dalwand, langs welken de achtersten van onzen togt nog af klommen, de kreet ons te gemoet klonk: „Bandjĕr! Terug, terug! Redt u! Bandjĕr, Bandjĕr!!”
Deze woorden oefenden op de Koeli’s die achter ons aankwamen, eene werking uit die aan tooverkracht grensde, want plotseling maakten zij regtsomkeer, terwijl zij met de pakkaadje welke zij op hoofd of schouders droegen, meer door het water sprongen dan liepen; zonder veel te vragen, zonder om te zien, zelfs zonder te denken,—want ter naauwernood herinnerde ik mij vlugtig de geschiedenis van Lot’s huisvrouw en van de zoutzuil naar de bijbelsche verdichting,—volgden wij hen ijlend na, terwijl een vreesselijk, steeds nader komend gebruis ons in de ooren dreunde. Wij hielden niet op, dan nadat wij de dalhelling tot zoo ver hadden beklommen dat wij zekere hoogte boven den oever hadden bereikt, waar wij schier ademloos op den grond vielen en omzagen:—eene bruine massa welke zich berghoog verhief, wentelde over den dalbodem naar beneden; verbrijzelde boomstammen rezen hier en daar er uit op; rotsblokken werden met donderend gedruisch vooruit gestuwd; nieuwe, meer vloeibare massa’s welke schuimend voorwaarts bruisten, stortten zich over dezen dam heen, verbraken hem, verdeelden zich, breidden zich uit en—binnen weinige minuten was de gansche breede dalbodem welke wij op het punt hadden gestaan om door te trekken, herschapen in een hol staand meer van bruinachtig troebel water, dat met pijlsnelle vaart schuimend en spattend voortijlde, boomstammen en geheele uit den grond gerukte boomen met zich voerde en dit met zulk eene kracht, dat de grootste rotsblokken om hunne as wentelden en de rolsteenbank waarop wij vroeger hadden gestaan, in één oogenblik was vernield en weggestuwd,—het was een verheven, vreesselijk woest tooneel dat wij in stomme verbazing aanschouwden, vervuld van dankbaarheid over de redding welke wij hadden ondervonden, terwijl het gekraak der verbrijzelde boomen, het schuimen en bruisen der watermassa, het geklots der rotsblokken en het ratelen der millioenen voortgezweepte steenen der rolsteenbank een enkel vreesselijk gedruisch deden geboren worden, waar boven slechts nu en dan het donderend gekraak van een instortenden Oeroek zich liet vernemen. Tot in het binnenste van ons gemoed geschokt, beschouwden wij dit oproer, maar stonden sprakeloos, want niemand was meer in staat zijne eigene stem te hooren. Het was een Bandjĕr ’t geen wij voor oogen hadden, dat is eene verre buiten hare oevers tredende beek, ten gevolge van den toevoer van water, ontstaan door zwaren regen in het verwijderde gebergte, waardoor nu de woedende stortvloed was geboren die alles vernielde of verbrijzelde, dat hij op zijnen weg ontmoette. Waar de kloof smal en de wanden die haar ter wederzijde insloten, steil waren, werd de voet dezer zijwanden door de schuring der rotsblokken welke het water met zich voerde, zoodanig uitgehold en weggespoeld, dat Oeroek’s, dat wil zeggen aard- en bergstortingen ontstonden; uitgestrekte gedeelten van het gebergte met wouden en alles wat zich er op bevond, gleden op die wijze met donderend geweld naar beneden in de kloof en vormden een dam, waartegen de steeds toenemende watermassa werd opgestuwd, totdat zij den puinberg voortduwde en doorbrak. Niet ver beneden van de vlakkere plaats waar wij stonden en alwaar het dal zich trogvormig verbreedde, werd zulk eene enge kloof gevonden, vóór welke het water dat door nieuwe, van het gebergte afstroomende massa’s nog voortdurend werd vergroot, al hooger en hooger en eindelijk zoo hoog steeg dat de gansche vlakke dalkom, niettegenstaande deze eene breedte had van minstens 2000 voet, binnen weinige oogenblikken in hare gansche uitgestrektheid met water was bedekt en herschapen geworden in één enkel troebel meer van ongeveer 12 voet gemiddelde diepte boven welks schuimenden spiegel slechts nog de toppen van enkele verbrijzelde boomstammen zigtbaar waren.
Hoe gering de afstand ook mogt zijn welke ons scheidde van het dorpje, gelegen op den tegenover ons zich verheffenden berg, viel er nu toch aan eene voortzetting van den togt op heden niet te denken, en zulks te minder dewijl de zon reeds ten ondergang neigde.
Wij zochten derhalve eene vlakke plek in het woud tot legerplaats op, pakten onze koffers uit, hingen de hangmatten tusschen boomstammen op en trokken drooge kleederen aan, terwijl de Javanen kleine hutten bouwden, gevormd uit schuin tegen elkander geplaatste takken die met wilde Pisangbladeren werden bedekt. Eindelijk leiden zij een aantal vuren rondom ons bivouak aan. Zij deelden ons even broederlijk mede van hunnen voorraad rijst (Nasi, en nimmer onderneemt de Javaan een togt zonder zich hiervan te voorzien), als wij hun van onzen wijn gaven. Wij zouden op die wijze echter een zeer schralen maaltijd hebben gehad, indien de Bandjĕr ons niet geheel onverwacht aan een smakelijk stuk gebraden rundvleesch had geholpen. Eenige Koeli’s, namelijk, die aan den oever stonden om visch te vangen welke door den Bandjĕr was bedwelmd, bragten ons ijlings berigt, dat twee rhinocerossen en een Banteng (een wilde stier) op den oever gespoeld waren.—Dit was werkelijk het geval. Met vereende krachten trokken wij den stier op het drooge; het scheen dat hij eerst vóór korten tijd tusschen verbrijzelde boomstammen was gedood geworden, want het bloed vloeide nog uit de versche wonden.—Zout, boter, eene ijzeren pan (Koewali), een paar ijzeren ketels en potten en andere dergelijke benoodigdheden (welke bij het reizen door de wildernissen onontbeerlijk zijn), hadden wij steeds bij ons. Zij kwamen ons ook nu uitmuntend te stade, want weldra hingen de beste stukken van den stier over het vuur te braden, terwijl anderen met rijst in potten werden gekookt om ons eene krachtige soep te leveren.—Wijders werd bepaald dat vijf Javanen, benevens twee van onze bedienden met geweren gewapend, de wacht houden en door anderen om de drie uren zouden worden afgelost.
De avondschemering nam spoedig toe en wij kropen na het houden van den maaltijd, vermoeid zijnde, in onze hangmatten. Slechts zelden vernamen wij nog het krijschend geluid van een over het dal vliegende paauw; maar naauwelijks was het licht der laatste zonnestralen verbleekt, toen overal in het gansche woud insektenkoren begonnen te gonzen en te snorren. De Javasche spitsoorige honden der Koeli’s die vroeger langs den oever liepen rondsnuffelen, legden zich nu in de vertrouwelijke nabijheid der menschen neder, als of zij wisten dat het des nachts niet veilig was in het woud. Weldra ontwaarden wij niets meer dan de zorgvuldig door de Javanen onderhoudene wachtvuren, welke een roodachtig schijnsel op de omringende boomstammen wierpen en geen geluid trof ons oor behalve het algemeen gegons der levende natuur, dat met het bruisen van den verder en verder zich verwijderenden stortvloed zamensmolt.
Toen eindelijk nog alléén dit gebruis gedurende de nachtelijke stilte in onze ooren klonk en de werkzaamheid onzer zintuigen tot diep in het binnenste van ons gemoed was teruggekeerd, hetgeen ten verhoogden prikkel aan ons denkvermogen strekte, werden wij als het ware onwillekeurig heengeleid tot het bepeinzen van de oorzaken der verschijnselen die zich voor onze blikken hadden ontwikkeld, der krachten die wij daarbij in het spel hadden gezien en, het geheel ontledende kwamen wij, teruggaande van de eene kracht tot eene andere welke slechts het gevolg was van eene derde, die op hare beurt weder eene vierde tot oorzaak van haar ontstaan had (als gedoode dieren, vernielde wouden, bergstortingen, omzettingen des bodems, watervloeden, onweêrsregen, electriciteit, wolken, waterdamp, water in meeren en stroomen, warmte), eindelijk tot de allereerste oorzaak dezer verschijnselen, welke in een meer dan 20½ millioen mijlen van ons verwijderd hemelligchaam, de zon! moest gezocht worden. Want de lichtstraal van de zon uitgaande is het, die hitte doet geboren worden welke het water dampvormig optrekt en opstijgende luchtstroomen doet ontstaan, welke (indien het zeer heet en helder was) in de hoogere streken der atmospheer en nabij de koelere bergtoppen plotseling verdikken en als onweêrsregens of wolkbreuken neêrstroomen;—dan bruist de waterdamp die dezen voormiddag nog onzigtbaar boven onze hoofden in de lucht zweefde, als Bandjĕr door de kloof welke daardoor verbreed wordt; hij doet Oeroek’s ontstaan, verbrijzelt rolsteenbanken, zet de van hare plaats gerukte aard- en rotsmassa’s in andere, lager gelegene oorden, in de nabijheid der zee weder af, verbreedt de kusten, veroorzaakt derhalve aanmerkelijke veranderingen in de gestalte der oppervlakte van den vasten bodem en doodt daarbij eene menigte dieren, die door andere levende dieren en menschen worden opgegeten en aan hen tot voedsel verstrekken;—ja, heeft de zonnestraal, door de verslappende hitte welke hij deed ontstaan, niet zelfs te weeg gebragt, dat onze Koeli’s met langzamer schreden voortgingen? en is hij niet daardoor de oorzaak geworden, dat wij getuigen der omkeering zijn geweest, dat deze denkbeelden thans in onze ziel oprijzen, denkbeelden waarvan de eigenlijke oorsprong, de wording, dus in de verre van ons verwijderde zon moet gezocht worden?—Vloeit dit alles niet voort uit eene bron? En zou nu dat zonne- of sterrelicht de eerste of de laatste kracht zijn in deze duizendvoudig aaneengeschakelde keten van oorzaken en gevolgen, welke wij hier voor ons zien? Zou ook deze op hare beurt weder niet het gevolg zijn van—of te weeg gebragt worden door eene andere, nog verder verwijderde, algemeenere oorzaak,—en zouden alle oorzaken die aan onze in de diepte vorschende blikken oorspronkelijke oorzaken toeschijnen, niet voortvloeijen uit eene eenige eerste bron welke voor geene verdere ontleding vatbaar is?—Ongetwijfeld, ongetwijfeld;—zoo verre het ons mogelijk is door te dringen, hangt het eene van het andere af en hoe dieper wij in de wederkeerige werking der krachten navorschen, des te meer naderen wij de eenheid; maar tot op den grond vermogen wij niet te peilen—en slechts in heiligen, vromen eerbied kunnen wij de blikken opheffen tot de Eenige, Allereerste, Eeuwige Oorzaak, waaruit alle oorzaken voortvloeijen, waaruit, gelijk het licht uit de zon, stralen voortschieten die het oneindige heelal bezielende en met leven vervullende, zich in millioenen en nogmaals millioenen stralen verdeelen.
Zulke gedachten en gevoelens maakten ons avondgebed uit toen wij, steeds dieper in ons eigen boezem tastende, zoo kort mogelijk ineengedrongen in onze hangmatten lagen en den oogenblik afwachtten, dat de slaap onze oogleden zou sluiten.—Duizenden van stemmen die ons volkomen onbekend waren, klonken en snorden door het woud,—woeste natuurkrachten waaraan geen weêrstand van onze zijde denkbaar was, woedden om ons heen,—tijgers en panthers voor geen medelijden vatbaar, slopen rondom ons bivouak; doch het bewustzijn goed gehandeld te hebben was levendig in ons, wij geloofden aan God en aan het heilige doel zijner natuurwetten,—wij gevoelden een hemel in onzen boezem en rustig sliepen wij in.
Toen wij ontwaakten, hadden wij een gansch ander schouwspel voor oogen. De morgenzon verlichtte reeds het hoogste gedeelte van den dalwand, zoomede de toppen der palmboomen, welke boven dezen rand zigtbaar waren en ons de ligging van het dorpje verrieden. Liefelijk blinkende in den eersten zonnestraal zagen zij op ons neder. Alles rondom ons had de dauw doorweekt en zelfs onze hangmatten waren vochtig. Geen geruisch van een woedenden stortvloed liet zich meer hooren. Het water dat gisteren alhier een meer vormde, was weggevloeid en dit laatste herschapen in eene bruinkleurige vlakte, bedekt met modder, rolsteenen, rotsblokken, verbrijzelde boomstammen en takken, tusschen welke de beek in talrijke, nieuwelings gevormde armen heenstroomde. Zoo spoedig mogelijk pakten wij alles bijeen en maakten ons gereed om den togt voort te zetten.—De Javanen maakten ons op een versch spoor van tijgers opmerkzaam, dat rondom ons bivouak en in de onmiddellijke nabijheid er van zigtbaar was, hoewel allen die wacht hadden gehouden, eenstemmig verzekerden, dat zij niet het minste geruisch hadden vernomen. Slechts een paar malen waren de honden bevende, met den staart tusschen de beenen, digter bij hen gekropen. Toen wij eenige honderd schreden boven ons bivouak aan de plek waren gekomen, waar wij gisteren avond den wilden stier hadden laten liggen, bespeurden wij dat hij weggesleept was; wij volgden het spoor en vonden hooger opwaarts in het woud slechts nog eenige beenderen, benevens een gering overblijfsel van zijne huid, zijn kop en ingewanden. Zelfs aan de rhinocerossen had het wild gedierte geknaagd.—De dalbodem welken wij nu zonder gevaar konden doorwaden, was niet zoo zeer met modder, maar hoofdzakelijk met zand en rolsteenen bedekt, en daarop lagen hier en daar doode herten, vele wilde zwijnen en kleinere dieren verstrooid in het rond, welke door den vloed waren achterhaald en gedood geworden. Ook deze waren gedeeltelijk verslonden door tijgers, panthers en kleiner roofgedierte, die hier in diepe stilte hun nachtelijk banket hadden gehouden en door de Javanen grootendeels werden herkend, hetzij aan hunne uitwerpselen, hetzij aan het nagelatene spoor of de indrukken hunner tanden. Bij het doorwaden van den laatsten arm der beek vingen onze jongens nog eene krokodilachtige hagedis, ter lengte van drie voet, een zoogenaamden Legoean, Minjawah (Monitor bivittatus), welken zij aan een touw bonden en mede voortsleepten.
Na onzen togt bergopwaarts gedurende een half uur te hebben voortgezet, bereikten wij het dorp Roetab, welks bewoners ons gastvrij ontvingen en ons voor het ontbijt gewillig alles verschaften, hetgeen zij bezaten. Gelijk gewoonlijk overal elders het geval is, wilden ook zij voor deze giften der gastvrijheid geene betaling aannemen, maar zagen wij ons genoodzaakt hen die op te dringen. Gaarne daarentegen namen zij den Legoean waarvan het vleesch door de Javanen zeer smakelijk wordt geacht maar moeijelijk was het om Koeli’s te bekomen. De meeste mannen, die gisteren avond onze wachtvuren gezien en ons dezen morgen welligt aan onze kleeding als Europeërs konden hebben herkend, hadden zich uit de voeten gemaakt, zoodat wij met veel moeite slechts vijf nieuwe dragers konden krijgen en gedwongen waren om vijf van de Koeli’s die wij gisteren hadden medegebragt, tegen wil en dank bij ons te doen blijven, wilden wij niet een of meer onvrijwillige rustdagen houden. Wij deelden echter een aantal cigaren onder hen uit en beloofden aan ieder hunner, behalve het te verdienen loon, een extra geschenk te zullen geven, ten einde op die wijze den bitteren smaak van het kruid bedwang eenigermate te verzoeten. Het eenige paard dat in het dorp te vinden was, namelijk het rijpaard van den Loerah, eene kleine, magere rosinant, werd door Nacht in beslag genomen, dewijl hij, aan het maken van voetreizen niet gewoon, zich gisteren de voeten reeds had doorgeloopen.
Wij zetteden onzen togt nu voort door eene uitgestrekte, tamelijk vlakke bergstreek, welke naar de zijde der zuider kust allengs lager daalde en in diezelfde rigting, niet dan op verre afstanden van elkander, doorsneden was door breedere dalkloven, over wier bodem beken schuimend zeewaarts bruisten. Tusschen deze kloven werden hier en daar aan de oppervlakte des bodems slechts zacht-glooijende laagten en kleine trogvormige dalen of groeven gevonden, waarin dan hoofdzakelijk woudgeboomte zich verhief, terwijl al het overige gedeelte der oppervlakte bedekt was met het witachtig blinkende, grijsachtig groene kleed van Alang- en Glagahgras; hierin ontwaarde men slechts enkele verstrooid staande boomen. Gene eilandvormig in de golvende graszee voorkomende boschaadjen gaven echter aan de gansche streek eenigermate het uiterlijk aanzien van een park, terwijl de lilablaauwe Boengoerbloemen (Adambea glabra) of de groote gele bloemen van den Sĕmpoerboom (Colbertia obovata) liefelijk door het groen der kleine oasen heen fonkelden. Groot was het aantal herten (Cervus russa) dat levendigheid schonk aan deze streek; bij gansche troepen sprongen zij door het gras, om zich voor den toenemenden gloed der zon in het binnenste der boschaadjen te verbergen. De wilde zwijnen (Sus vittatus) die hier nimmer aan vervolging van de bewoners des eilands blootgesteld zijn, waren nog minder schuw en ongaarne verlieten zij de plassen die, nog niet geheel en al opgedroogd, hier en daar werden aangetroffen op de smalle paden welke wij betraden; al knorrende gingen zij dan uit den weg. Menigwerf vlogen paauwen van het eene boschje naar het andere, of zagen wij er met hun prachtig in den zonneschijn blinkend gevederte op den grond zitten, waar zij, naar het scheen, hunnen maaltijd hielden aan een termitenheuvel. Behalve het Glagahriet, wies hier en daar tusschen het Alanggewas nog eene andere, hooger opschietende soort, namelijk het Manjagras, aan welks omgebogene aren zeer groote, peervormige nesten hingen, welke ter hoogte van 3 à 4 voet boven den grond zweefden. Slechts aan hun benedengedeelte hadden zij eene opening en waren het werk van een kleinen vogel, Manoek manja geheeten, welke op het zaad van deze grassoort aast; hij beschut zijne jongen tegen de roofzucht van klein ongedierte en voornamelijk tegen de aanvallen van mieren, door zijn kunstig gevlochten nest aan een dunnen draad in de lucht op te hangen. Kleine scharen van dit fraaije gevogelte (Ploceus barbatus) zwierden menigwerf over het grastapijt heen.—Uit het binnenste der boschjes klonk ons het gekir van tortelduiven te gemoet, zoomede van tijd tot tijd het schorre gekraai van een wilden haan. Maar ook tijgers wier bestaan aan dat der grasetende dieren is verbonden, werden in deze streek niet gemist, waar zulk een grooter aantal herten en Kidang’s (Javasche reeën), rhinocerossen en zwijnen wordt aangetroffen dan in de digte oorspronkelijke wouden. Van tijd tot tijd gebeurde het, wanneer wij een der Glagahbossen naderden die zoo groot en zoo hoog zijn als een Javaasch huis, dat het paard hetwelk mijn broeder bereed, bleef staan en bevend en sidderend over al zijne leden weigerachtig was om voort te gaan. Het fijne reukorgaan van het dier had den tijger bespeurd, welke misschien digt bij ons verscholen was. Zij houden zich bij voorkeur in dergelijke Glagahgroepen op en verraden des daags, op echte kattenmanier, hunne aanwezigheid niet, al gaat men digt langs hunne schuilplaats heen.
Omstreeks het middaguur bereikten wij Gnarak en namen bezit van het kleine, ledigstaande Bamboeshuisje—Pasanggrahan,—dat op een geringen afstand van het dorp, meer naar de zijde der kust heen was gebouwd. Achter ons klotste de branding der zee en rondom ons verhieven schaduwrijke vruchtboomen hunne kroonen, die met het bladerengewelf van het naburige, oorspronkelijke woud een geheel vormden. Wij dankten de Koeli’s af, betaalden ze, schonken hun daarenboven nog eene extra belooning, verkwikten ons door het gebruik van een bad en een kop koffij met eenige rijstkoeken welke de Mandor (opziener) der vogelnestholen ons bragt en, na onze jongens de zorg voor de bevrediging onzer overige behoeften te hebben aanbevolen, begaven wij ons op weg naar de kust. Op den woudbodem dien wij nu betraden, zagen wij eene menigte hermitenkreeften (Pagurussoorten) van allerlei slag en grootte, die met het achtergedeelte van het ligchaam binnen eenhuizige zeeschelpen waren ingedrongen en deze na zich sleepten.
Wij waren eenige minuten lang bezig geweest om ons een weg door het geboomte te banen en hielden het dooreengegroeide loof en de struiken van elkander, toen wij ons onverwacht verplaatst zagen aan een rand, alwaar—digt vóór ons—de bodem met een steilen wand van eenige honderd voet hoogte plotseling in zee afdaalde. Het tooneel dat zich hier voor onze blikken opende, mogt indrukwekkend worden geheeten. Heinde en verre breidde de blaauwe, spiegelende vlakte der zee welke schijnbaar stil was, tot in een oneindig verschiet zich vóór ons uit. Maar diep beneden ons beukten de hooge, elkander rusteloos opvolgende baren met zulk een donderend geweld tegen den kustmuur, dat de rots waarop wij stonden en van waar wij dit schouwspel gade sloegen, er van daverde. Naar het westen heen volgden onze blikken de rigting der kust, en hier zagen wij de branding welke tegen het strand sloeg, eene lijn vormen zoo wit als sneeuw, die zich tot op een voor het oog onafzienbaren afstand uitstrekte, als grens tusschen land en zee. Boven deze gansche kust zweefde een eigenaardige, fijne nevel of damp, blijkbaar gevormd uit het fijn verdeelde stof van het tot schuim geslagen zeewater, dewijl zelfs de tropische middagzon deze nevellaag niet kon oplossen. Alle verwijderde deelen van het strand deden zich door dezen geheel onbewegelijk liggenden zoutwaterdamp of stof slechts schemerachtig, onduidelijk aan het oog voor, als zagen wij ze door een dun floers. Van het bovenste gedeelte van den kustmuur blikte op dit witte schuim der woedende zee het groen van het ons omringende woud, dat niet slechts over den rand reikte, maar er verre beneden hing, als ware de ruimte van het drooge land te gering voor zijn weligen wasdom;—ja, aan de steile wanden zelfs wortelden nog velerlei struiken en Pandanstammen, tusschen wier bladerenbossen hunne vruchten die de grootte hebben van een menschenhoofd, door hun helder vermiljoenrood in ons oog blonken.
Wanneer wij op den bodem liggende, ons over den rand heenbogen, konden wij in eene schuine rigting naar beneden ziende, boven het ziedende en schuimende water, den ingang van het hol bespeuren, in hetwelk de kleine zwaluwen, Manoek walet (Hirundo esculenta) hare eetbare nesten bouwen. Elke oprijzende baar sloeg bulderend in het hol, en dan stond het water hooger dan zijn ingang die voor het oog bedekt was;—maar eenige oogenblikken later werd door de tegendrukking der lucht, in het hol aanwezig, die op eene veel geringere ruimte was zaâmgeperst, de baar met geweld weder er uitgeblazen, eene zuil van waterstof werd dan horizontaal en sissend over de branding heengespoten en men kon de zwermen der kleine zwaluwen zien, die juist het regte tijdstip tusschen het terugtrekken en het weder strandwaarts rollen eener baar waarnamen om pijlsnel binnen het hol te vliegen, terwijl anderen het in denzelfden oogenblik verlieten.—Lang boeide ons dit bewonderenswaardige schouwspel, maar wij benijdden het lot niet der vogelnestplukkers uit Gnarak, die driemalen ’s jaars langs ladders hier naar beneden klimmen, ten einde—bij zeer stille zee—in het hol te klouteren en de (door Chinezen duur betaalde) vogelnesten van de rotsen af te plukken. Het meerendeel wordt gevonden aan het gewelf van het hol, dat veel hooger oprijst dan de ingang er van. Zoo vervolgt de mensch deze vogelen zelfs op plaatsen, waar zij tegen de roofzucht van elk dier beveiligd zijn, waar zij tegen elken anderen vijand zich in zekerheid bevinden.
Tegen den avond hielden wij ons onledig met het in orde brengen van onze verzamelingen, die wij met menige zeldzame plant, menig schelpdier en insekt hadden verrijkt. De hittegraad der lucht was in onze Bamboeswoning allengs van 87° tot op 82° Fahr. verminderd, maar scheen niet lager te willen dalen. Deze aanmerkelijk hooge warmtegraad welke hier jaar uit jaar in bijna zonder afwisseling heerscht, die daarenboven gepaard gaat met eene groote mate van vochtigheid des dampskrings, had op den allervruchtbaarsten bodem welke deze streek bedekt, zulk eene weelderigheid in het planten- en dierenrijk ten gevolge, dat een bewoner van een noordelijker klimaat zich daar van ter naauwernood een denkbeeld kan vormen. Waarheen wij onzen blik lieten weiden, in het water, in de lucht, op de aarde, in het kleinste reetje hetwelk het oog kon ontdekken, allerwege ontmoette men de menigvuldigste sporen van leven en ontwikkeling.—De kamer die wij tot ons nachtverblijf hadden gekozen, waren wij niet in staat te betrekken, dan nadat wij alvorens eene kolonie ontzaggelijk groote kikvorschen (Kòdok) hadden verjaagd, die echter telkens terugkeerden om ons het bezit op nieuw er van betwisten; zij sprongen zeer behendig tegen den vier voet hoogen ladder op en de deur van den Pasanggrahan in, die zoo hoog boven den grond op palen stond. Uit het hoogste gedeelte van onze woning klonk ons het gepiep in het oor van vledermuizen (Lalaï) die daar ter plaatse, waar zij den dag in rust doorbrengen, bij wijze van groote zwarte klompen aan de nok van het dak hingen. Langs de wanden en aan de zoldering (alleen het middenvertrek van het huisje was hiervan voorzien) liepen tientallen van Tjitjak’s (Hemidactylus fraenatus, kleine grijsachtige hagedissen) in het rond, allerliefste diertjes die ons door hunne behendigheid buitengewoon vermaakten; zij waren, namelijk, druk bezig met het vangen van vliegen en muggen, die ons voortdurend al gonzende langs de ooren vlogen. In de reten der wanden huisden schorpioenen (Buthus cyaneus), waarvan onze jongens er verscheidenen vingen. Minder aangenaam dan de stille schorpioenen en de evenmin geluidgevende, nuttige Tjitjak’s, waren voor ons de Toké’s (Platydactylus guttatus), namelijk hagedissen ongeveer ter lengte van een voet, die met hunne geel en bruin gevlekte huid ons afschuw inboezemden; want zij verriedden hunne aanwezigheid in de woning met luider stem en riepen ons, telkens een tiental keeren achtereen, hun „gek-koh, ghék-koo”—allengs op meer slependen toon en somtijds op drie verschillende plaatsen te gelijk uit de daksparren toe, hetgeen niet zeer geschikt was om ons een rustigen nacht te gemoet te doen zien.
Reeds op een geringen afstand der woningen en kleine rijstpakhuizen (Loembong) welke er nevens stonden, strekten de vruchtboomen van het dorpje hunne takken uit tusschen het loof van het oorspronkelijke woud, waarmede zij zich zoo broederlijk vereenigden, dat geene grens tusschen deze beiden kon worden waargenomen. Met behulp van onze Javasche jongens hadden wij, binnen weinige uren, van meer dan 50 verschillende boomsoorten van dit woud bloeijende en vruchtendragende takken verzameld, maar op die wijze zekerlijk den rijkdom aan vormen nog niet half uitgeput. Tjĕmpaka- en Manglitboomen (Michelia-, Uvariasoorten en andere Anonaceën), benevens Kiaraboomen (Ficussoorten) wier loofkroonen zeer digt en breed van omvang zijn, kwamen het menigvuldigst in deze streek voor, waar tusschen echter insgelijks vele Myrtaceën en Rubiaceën werden gevonden. Enkele Karet- of Kolĕlètboomen (Ficus elastica) wier witkleurig melksap, blootgesteld aan den invloed der lucht, zeer spoedig hard wordt en het bekende gomelastiek vormt, verhieven zich zoo hoog boven het loofdak der overige boomen dat wij hunne kroonen, zelfs hier van het Aloen aloenplein, onderscheidenlijk konden waarnemen. Vele grijze apen, Monjet (Cercopithecus cynomolgus) schommelden zich hier en daar in de takken dezer boomen, ja, zij werden er in de onmiddellijke nabijheid van het dorp gezien, waar zij gaarne komen snoepen van de Pisang’s en andere zoete vruchten—en groot was het tal van verschillende soorten van vogelen die in snelle vlugt in het rond zwierden, of hunne aanwezigheid in het loofgewelf slechts door hunne stemmen of hun pikken verrieden.—Zoo zaten wij daar verdiept in de beschouwing dezer overrijke natuur, die menige sluimerende gedachte in onze ziel deed ontwaken.
DAG. Zijt gij met mij niet van gevoelen, broeder, dat het karakter van een volk, zijne zeden, gewoonten en gebruiken voor het grootste gedeelte afhankelijk zijn van het eigenaardige karakter der natuur waarin de mensch leeft,—van het uitwendige dat invloed op zijne zinnen uitoefent, van de vormen der bergen en dalen, van de gedaante der planten welke hij onder de oogen heeft, van woud en beemden, van den bewolkten of helderen hemel, van water en lucht, van de gestalte der dieren die zich om hem bewegen, en van de rust welke hij in de hem omringende landstreek ziet heerschen, of van de omkeeringen die hij voor zijne blikken ziet plaats grijpen?
NACHT. Ongetwijfeld geloof ik dat de uitwendige natuur een krachtigen invloed uitoefent op het gemoed des menschen en dat, indien de indruk door de natuur te weeg gebragt, aanhoudend blijft bestaan en van ’s menschen jeugd af tot in lateren leeftijd voortduurt, zij eene uitwerking op hem kan hebben, die zich in bepaalde gewoonten en karaktertrekken openbaart. Kon een jong Javaasch kind in het land der Samojeden of der Eskimo’s opgroeijen, dan zou het een Eskimo van karakter worden,—of omgekeerd indien een Samojeedsch embryo in de Javasche natuur tot ontwikkeling kwam, zou er een Javaan uit worden. Aan de andere zijde ben ik van oordeel, dat de invloed welke de buitenwereld op het karakter eens volks uitoefent, slechts dan aanmerkelijk kan zijn, in geval dat volk nog op den eersten trap van ontwikkeling staat, terwijl daarentegen een volk dat reeds tot een hoogeren trap van ontwikkeling is gestegen, zich boven de natuur verheffen, zich van haren invloed onafhankelijk maken kan. Bij een dergelijk volk toch bekleedt de opvoeding der jeugd eene gewigtige plaats; zij vormt als het ware een scheidsmuur tusschen den mensch en de natuur, welke echter bij een minder ontwikkeld volk niet in die mate voorhanden is.
DAG. In zeker opzigt ben ik dat volkomen met u eens. Een beroemde Duitsche dichter zegt niettemin: „Niemand wandelt ongestraft onder palmboomen en gewisselijk veranderen de zeden in een land, waar olifanten en tijgers inheemsch zijn.”—Er bestaan weinige voorbeelden van beschaafde volken, die zich blijvend „onder de palmboomen,” hebben neêrgezet. Wij Hollanders laten onze kinderen in Europa opvoeden en zijn geene eigenlijke kolonisten op Java.
NACHT. Welligt zweefden aan Göthe, toen hij deze woorden ter neder schreef, de volken van Spaansche afkomst voor den geest, die waarlijk niet mogen geacht worden een uitstekend voorbeeld te zijn ten bewijze, dat de meer ontwikkelde mensch zedelijk onafhankelijk is van de hem omringende natuur.
DAG. Voor den oogenblik de zedelijke zelfstandigheid van den ontwikkelden mensch in alle klimaten in het midden latende, meen ik toch te mogen gelooven dat de buitenwereld insgelijks op hem een aanmerkelijken invloed uitoefent, en dat het karakter van den mensch die op een lageren trap van ontwikkeling staat, grootendeels afhangt van de natuur welke hem omringt. Uit dien hoofde is het noodzakelijk te achten, dat een ethnograaf die een volk wil beschrijven, eerst de natuur waarin dat volk leeft, tot een onderwerp zijner studie make en haar beschrijve; naar mijne wijze van zien toch is het onmogelijk het karakter van een volk naar behooren te beoordeelen, zijne zeden en gewoonten te verstaan en te begrijpen, zonder eene voorafgaande kennis der natuur, der landstreek waarin dat volk woont, en der indrukken welke van der jeugd af invloed op den mensch hebben uitgeoefend. Hiervan is het, dat afhangt hoedanig gene oorspronkelijk zijn.
Terwijl wij dit gesprek voerden, hield het gekir allengs op der tortelduiven die in kooijen, aan lange staken hangende, voor de meeste hutten der Javanen werden gevonden. Zij zijn grooter beminnaars van het vreedzame, tot rust en stilte uitlokkende gekir hunner duiven (Manoek gĕgoegoer), dan de Europeër van het slaan van zijn kanarievogel of het gezang der nachtegalen.—De avond viel. Slechts nog enkele Badjing’s (eekhoorntjes, Sciurus Platani) zag men hier en daar tegen de boomstammen opklauteren en de laatste straal der zon verdween van de toppen der palmboomen. De Kalong’s daarentegen die ginds aan een grooten Djamboe- (Jambosa) boom hingen, begonnen zich te bewegen en vlugten kleine groene papegaaijen (Psittacus vernalis) naderden en gierden, onder een ontzaggelijk gekrijsch, rondom de takken van een hoogen Baloengdangboom (Stravadium excelsum), welke ter linkerzijde van ons stond. Zij zetteden zich op de takken neder, snelden weder weg, kwamen op nieuw terug, vlogen rondom den boom, waren onophoudelijk in beweging en schenen elkander zoo veel te vertellen te hebben, dat het doordringend gekrijsch der kleine snappers ons trommelvlies op eene onaangename wijs aandeed. In dezen boom hielden zij hun nachtkwartier, waarheen zij elken avond wederkeeren. Nog kleinere vogels, zoogenaamde rijstdieven, Boeroeng glatik (Fringilla oryzivora) hadden zich in groote zwermen nedergezet in den Wĕringinboom, waarnevens wij gezeten waren; weldra echter verstomde hun gekweel, zij begaven zich ter rust.—Nu echter vingen de Kalong’s hunne nachtelijke togten aan. Gedurenden den loop van den ganschen dag hadden wij hen onbewegelijk aan hunnen boom zien hangen en ze in de verte voor groote, zwarte vruchten gehouden. Peervormig, als aan dunne steelen, hingen zij bij honderden aan de geheel ontbladerde twijgen; deze schijnbare vruchten waren echter de ligchamen der zoogenaamde vliegende honden (Pteropus edulis), reusachtige vledermuizen ter grootte ongeveer van eene kat, die met den kop naar beneden gekeerd, zich met de achterpooten aan de twijgen vastgehaakt hielden en slechts nu en dan, wanneer het eene dier het andere beet of van zijne plaats trachtte te verdringen, een zacht piepend geschreeuw lieten hooren. Elken morgen keeren zij naar dezen boom, hunne dagelijksche rustplaats terug en laten zich blakeren door den vollen gloed der zonnestralen, die van den vroegen morgen tot den laten avond op hun schraal met haar bezet ligchaam branden. Geen enkel blaadje schenkt hun de geringste schaduw. Hunne uitwerpselen deelen, namelijk, langzamerhand zulk een overvloed van dierlijke meststof aan den bodem mede, dat de daarin wortelende boom spoedig sterft; een onaangename reuk naar Ammoniak verraadt reeds op een aanmerkelijken afstand den aard der zeldzame vruchten, welke aan zijne dorre twijgen hangen.
Terwijl de tortelduiven haar gezang staakten, de apen zich stil tusschen de twijgen verborgen en de papegaaijen en rijstvogels terugkeerden naar hunne rustplaats, was het ondergaan der zon voor deze Kalong’s het sein om hunne nachtelijke togten aan te vangen, en zag men den een na den anderen den boom verlaten en met logge vlugt en afgemeten slagen der vleugelhuid door de avondlucht heenzweven. Zij vlogen elk afzonderlijk op een aanmerkelijken afstand achter elkander, doch vormden eene gemeenschappelijke vlugt, welke ter hoogte van ongeveer 100 voet boven het woud in eene en dezelfde rigting landwaarts in zich voortbewoog. Uit eene andere streek des lands, uit het oosten, kwam eene tweede vlugt Kalong’s, en deze scheen iets hooger dan de onze te vliegen, welke gene in eene schuine rigting kruiste. De beide vlugten echter, die even als de vakken van een schuifkast welke in eene verschillende rigting worden heengeschoven, digt boven elkander daar heen zweefden, stoorden elkander niet in hunne vlugt. Men zag de groote, zwarte ligchamen der dieren welke tot elk der afzonderlijke vlugten behoorden, zonder op die der andere vlugt acht te slaan, hun eigen togt en in eene lijnregte rigting naar een en hetzelfde doel voortzetten. Het waren ongetwijfeld verschillende bevolkingen van verschillende Kalongstaten, waarvan elk naauwkeurig scheen te weten in welke streek der wouden de boom stond, waar zij hun nachtelijk maal wenschten te houden, niettegenstaande deze menigwerf op een afstand van vele mijlen werd gevonden van de plaats, welke zij hadden verlaten. Vroeger had ik reeds menigmaal des avonds zwermen van deze dieren aan een dergelijken boom gezien, voornamelijk aan een Gĕnitriboom (Elaeocarpus angustifolius), op welks vruchten zij het meest gesteld zijn en rondom welken boom zij dan schreeuwend, kwakend en elkander de vruchten betwistend, heenvlogen.
Nu echter vingen duizende onzigtbare muziekanten aan met het bespelen hunner instrumenten—geluidorganen, tracheën, longblaasjes, snorgaten, enz.,—die allen den oogenblik slechts schenen te hebben afgewacht, waarop de duisternis een zekeren graad had bereikt om plotseling, als op een gegeven teeken, hun veelstemmig vocaal- en instrumentaal concert te doen weêrgalmen. Het scheen dat eensklaps elk blad van elken boom eene stem had ontvangen, ja, dat het gansche woud welluidend was geworden; de lucht trilde, de bladeren tjilpten, de boomen neurieden, tallooze insektenkoren gonsden en zongen en wij waren in staat de verschillendste toonen van den fijnsten fausset tot aan den diepsten bastoon onderscheidenlijk waar te nemen. Het geluid van eenigen geleek op het aanhoudend klinken van eene trillende vioolsnaar, anderen bootsten den schellen, bevenden toon na van het gezang van een jeugdig kind. Eene tallooze menigte levende lichten, als het ware kleine flikkerende sterren, zwierven door het loofgewelf, waar zij binnen een zekeren kring rondom zich heen een helder schijnsel verbreidden. Het was het phosphorlicht van verscheidene soorten van kleine kevers, die het gansche tooneel van den vochtigen bodem af tot aan het hoogste punt van het zich daarover uitbreidende loofdak illumineerden.
Levendig stond ons het beeld voor den geest van ons noordelijk vaderland, waar de avondschemering zoo lang duurt en waar alles bij het toenemen der nachtelijke stilte langzaam tot rust komt. Hoe geheel anders was het hier?—Bijna plotseling volgde hier de diepste duisternis op het heldere daglicht; met het uitblusschen der dagtoorts hield de stilte in de natuur op en het nachtelijke, aanhoudend gonzende, tjilpende, fluitende, krijschende en snorrende concert dat uit duizende insektenkoren was zaâmgesteld, ving aan;—millioenen van Dipteren, vooral muggen en snaken (Tipuliden), benevens nachtvlinders, termiten, loofkrekels, grillen, zingende sprinkhanen, eigenlijke Cicaden, Phasmiden, Mantiden en andere Hemipteren, maar bovenal ontelbare Coleopteren (kevers), die zich gedurende den ganschen dag hetzij in het loof der boomen of in andere schuilhoeken stil verborgen hadden gehouden, vlogen en snorden nu in het rond en bragten toonen voort, die allen zamensmolten tot een oorverdoovend, tjilpend gegons, waaraan zich de stemmen paarden van hagedissen en kikvorschen, die zulks met helder geluid van elken boom en op dofferen toon uit alle plassen accompagneerden.—Somtijds gebeurde het, terwijl het algemeene gegons aanhoudend voortduurde, dat het luide krijschen en snorren iets verminderde, ja, menigwerf geheel en al ophield,—eensklaps echter, als ware het op het gegeven sein eens kapelmeesters, begon weder op nieuw een koor van honderd duizend muziekanten, allen te gelijk, hunne krijschende diskantstemmen te verheffen, die zoo luide klonken dat het ons door het hoofd dreunde. Tot deze laatstgenoemden die het hardst schreeuwden, moesten meer bijzonder worden gerekend groote Cicaden (Tosena-soorten en anderen) die zich in de toppen der boomen ophouden. Onze jongens wisten ze echter, door middel eener brandende kaars welke zij in het digtste gebladerte hadden gesteld, uit hunne hooge verblijfplaats naar beneden te lokken en met honderd andere soorten van insekten in hunne netten te vangen.
Lang verbleven wij onder onzen boom, luisterende naar deze stemmen van den nacht.—Vele duizenden van dieren bewogen zich om ons heen, omtrent wier levenswijze wij niets wisten, ja, welligt nooit iets te weten zullen komen. Door het loof des Wĕringinbooms zagen wij boven ons hoofd het flikkeren van sterren,—het licht van vreemde, ver van ons verwijderde hemelligchamen,—waaromtrent wij nog veel geringere kennis bezaten. Wij dachten aan onze zwakke krachten, aan de zwakke krachten van een mensch, aan den korten duur van ’s menschen leven en wij verzonken in diepen weemoed bij het aanschouwen van den onuitputtelijken rijkdom der natuur welke ons omgaf, die naar alle rigtingen, daar boven ons in de sterrenwereld gelijk hier beneden in het dieren- en plantenrijk, zoo volkomen ondoorgrondelijk is.—De zon der wetenschap zal hare diepte pogen te verlichten, maar nimmer zal zij doorgrond worden. Een zacht en troostrijk schijnsel rijst echter tot ons opwaarts uit deze ondoorgrondelijke diepte;—in de oneindige verscheidenheid waarin wij ons schijnbaar verliezen, spreekt toch Een grondbeginsel, Eene algemeene waarheid tot ons: elk dier geniet naar zijn aard; het is zoodanig ingerigt om te kunnen genieten, het eene des daags, het andere des nachts, het eene in den zonneschijn, het andere in de schaduw;—al deze duizenden met leven begaafde gestalten verheugen zich in het genot huns levens, zij genieten en de grondoorzaak der natuur welke zich in dergelijke wetten openbaart, moet noodzakelijker wijze eene goede, weldadige, liefderijke oorzaak wezen, die volkomen bewust is van het doel waarnaar zij streeft - - -
daar steeg het zinnebeeld van het geloof, de zachte, dweepzucht kweekende maan voor ons op, en toen zij hare eerste stralen wierp over het loof der boomen en een gering gedeelte van het Aloenplein bescheen, werd ons gemoed vervuld met een troostend gevoel dat, als het ware door dien straal gewekt, oprees tot de oorzaak die het had doen geboren worden.—”Een band moet toch aanwezig zijn welke al deze millioenen van levende wezens zaâmverbindt; Eene van alles bewuste ziel, Een God moet boven allen leven!—Ja, in den glans der zon, in het schemerend sterrelicht, in het zachte schijnsel der maan, in de wonderbaarlijke harmonie welke al dat leeft in de natuur omvat,—in ons eigen boezem ligt Uwe openbaring!—Alwetende! Uwe wereld is schoon!”
Het insektengegons was grootendeels verstomd;—slechts het kleppend geluid der Kaprimulgen die nu verzadigd op boomtakken zaten, liet zich in het stiller geworden woud nog hooren, toen wij omstreeks middernacht, zonder een woord te spreken, maar opgetogen van bewondering over de grootheid der natuur, den geest vervuld met denkbeelden die dit alles bij ons had doen oprijzen, in stilte naar onze legerplaats terugkeerden.
Onze togt ging gedurende den ganschen dag langs de kust, welke door mij moest opgenomen worden, terwijl mijn broeder Nacht alle nieuwe of zeldzame voorwerpen die wij aantroffen, verzamelde. Wij kwamen daarbij slechts aan een enkel klein dorpje, alwaar wij het ontbijt nuttigden en zetteden vervolgens onze reis voort totdat wij, tegen 4 ure in den namiddag, door vermoeijenis genoodzaakt waren halt te houden en naar eene geschikte plek om te zien, in welker nabijheid vlietend water moest gevonden worden, om ons bivouak te kunnen opslaan. Nog eene halve dagreis verder westwaarts van hier moest een groot dorp nabij de kust liggen, hetwelk wij gaarne den volgenden voormiddag wenschten te bereiken, om van daar in eene noordelijke rigting naar het binnenwaarts gelegene hoogland door te dringen.—Wij kozen tot ons nachtkwartier de oostzijde eener kaap, der Tandjoeng-Gnodos, in welker nabijheid eene kristallijnen beek zich in zee ontlastte. De streek waar wij ons bevonden, was zeer woest. Verbazend uitgestrekte oorspronkelijke wouden reikten van het hooge gebergte tot aan de kust zonder ergens afgebroken te zijn, ja, zij baadden hunne afhangende twijgen in de baren, zoodat slechts op enkele plekken, voornamelijk op den achtergrond der kleine inhammen, een smal zandig strand overbleef dat niet met woudgeboomte was bedekt. Waarheen wij het oog mogten wenden, van verre noch van nabij, nergens liet zich eenig spoor van menschelijke bedrijvigheid ontdekken.—IJlings werden nu de noodige aanstalten gemaakt tot het opslaan van ons bivouak; onze jongens en de Koeli’s kapten takken van het naburige geboomte, bouwden hutten, lagen vuren aan en ik begaf mij, vergezeld van mijn broeder Nacht en twee Javanen, verder westwaarts heen, ten einde de gesteldheid der omstreken te leeren kennen. De kaap of uitstekende spits (Tandjoeng, in het Maleisch Oedjoeng) was het uiteinde eener van het gebergte afdalende rib en vormde een vlakken bergrug, welke zich misschien ongeveer ter hoogte van 15 à 25 voet boven het strand der aangrenzende bogten verhief. Vele dergelijke, iets lager of hooger rijzende Oedjoeng’s reikten hier in deze streek, tusschen vlakker afloopende kleine bogten, een eind weegs in zee en waren allen met woudgeboomte bedekt.
Toen wij aan de overzijde der kaap waren aangekomen en uit het woud te voorschijn traden, hadden wij een merkwaardig schouwspel voor oogen. Het strand dat tusschen deze en de eerstvolgende kaap lag ingesloten, had den vorm eener halve maan, was geheel dor en kaal en rees met eene zeer zachte glooijing opwaarts, tot op een afstand van ongeveer 500 à 700 voet van het strand der zee, waar het zich eindigde en in zandheuvelen overging; aan de landwaarts gekeerde zijde dezer heuvelen verhief zich, in de onmiddellijke nabijheid er van, weder het woud dat zich verder onafgebroken tot diep in het steeds hooger rijzende gebergte uitstrekte. Dit kale en vlakke zandstrand (de kust eener bogt) had welligt eene lengte van driekwartier uurs.—Hoog boven onze hoofden zweefden roofvogels (Falco- of Haliaëtos-soorten) en beschreven kringen in de lucht, en op het strand lagen honderde beenderen en ontzaggelijk groote schilden van schildpadden, deels gebleekt, deels donkerkleurig, als op een slagveld verstrooid in het rond.
Het was een woest tooneel. Door verbazing en nieuwsgierigheid geprikkeld, klommen wij naar beneden en wandelden op het dorre strand tusschen de geraamten heen. Hier vielen ons terstond eene menigte sporen van tijgers en kleinere dieren in het oog, waarvan de indrukken vooral in de nabijheid der zee, waar het zand ten gevolge van zijne vochtigheid gladder en vaster was dan hooger strandwaarts op, zeer duidelijk waren. Ter regter zijde van ons naar den kant der heuvelen, in welke rigting de kust met zeer zachte en gelijkmatige glooijing oprees, werd het zand allengs losser en drooger; aldaar was het op vele plaatsen omgewroet, oneffen, hier en daar in hoopen opgeworpen, waar tusschen trogvormige laagten werden gevonden en het scheen, dat dieren van verschillende soort aldaar den wildsten strijd met elkander hadden gestreden.—Deze gansche strandvlakte was als bezaaid met beenderen en schilden van schildpadden; binnen het bereik van ons oog telden wij, tusschen de verstrooid liggende beenderen, verscheidene tientallen geheele schilden en zeer zeker mag aangenomen worden, dat hun aantal over het gansche strand verspreid, verscheidene honderden bedroeg. Het meerendeel werd gevonden op het verst van de zee verwijderde gedeelte der kust, aan den voet der heuvelen; hetgeen ons het meest verwonderde was, dat zij allen omgekeerd, op den rug lagen. Het waren schilden van den reuzenschildpad (Chelonia Mydas, zeldzamer Ch. imbricata) welke, naar evenredigheid hoog en breed, eene lengte hadden van 3 tot 5 voet. Eenigen hadden reeds lang daar gelegen en waren door den invloed van zonnelicht en regen geheel uitgebleekt en glad; anderen waren donkerder van kleur en aan de binnenzijde nog voorzien van lappen verdroogd vleesch, ja, verscheidenen werden er gevonden, die nog vrij versch waren; met opgereten buikschild en op een aanmerkelijken afstand omringd met verscheurde, stinkende ingewanden lagen zij hier op het zand. Op onderscheidene plekken zagen wij lange, regte sporen, als het ware banen ter breedte van 3 à 4 voet, die uit twee nevens elkander evenwijdig voortloopende groeven bestonden, in het midden waarvan een zwaarder ligchaam over het zand scheen gesleept te zijn geworden. Deze sporen vingen aan bij den zoom van het strand en strekten zich, tusschen de geraamten heen, in eene lijnregte rigting uit tot aan den voet der heuvelen. De twee Javanen die bij ons waren, schenen dit verschijnsel te kennen, want zij hadden een der sporen gevolgd en riepen ons van de heuvelen, waar wij hen bezig zagen met het zand om te wroeten, op vrolijken toon toe: Tampat telor, telor! (een nest met eijeren!)
De heuvelen waren werkelijke zandduinen, die in de onmiddelijke nabijheid van den voet van het gebergte oprezen. Over dit drooge, helderkleurige zand kropen hier en daar lange ranken van Daon katang (Convolvolussoorten) welke met groote, roodachtig blaauwe bloemen waren gesierd, die zij aan dunne stelen droegen; op andere plekken was het zand kaal of slechts begroeid met eene stekelige kruipende grassoort, Djoekoet lari lari (Spinifex squarrosus). Van den schedel der duinen echter blikten, behalve Babak goan (Tournefortia argentea) en andere boompjes, de weligste bladerenbossen van Pandaneën op ons neder. Aan den voet dezer duinen vonden wij op eene enkele plek, in een nest, op eene geringe diepte onder het zand bedolven, meer dan honderd kogelronde eijeren; zij waren witachtig bleek van kleur, hadden de grootte van een kleinen appel en eene weeke, perkamentachtige schaal.—Die lange banen waren derhalve sporen van reuzenschildpadden die, uit den boezem des oceaans opgestegen zijnde, hier 500 à 700 voet ver over het strand kruipen, ten einde hare eijeren te leggen in het zand aan den voet der duinen, terwijl zij het uitbroeijen er van over laten aan de koesterende stralen der zon?!—En op dezen korten togt te land, welken zij misschien slechts een paar malen ’s jaars ondernemen, worden zij door roofdieren aangevallen?— —
Wij loerden. De avond viel.—Wij zagen eerst een, vervolgens verscheidene schildpadden hun vochtig element verlaten;—zoodra zij in zoo verre op het drooge stonden, dat nog slechts een ligte golfslag der branding haar bereikte, stonden zij een oogenblik stil, strekten haren langen hals strak vooruit en in de hoogte, wendden haar eenigzins ter zijde, wierpen een bespiedenden blik in het rond en—kropen dan in eene lijnregte rigting tamelijk snel zonder ophouden over het strand of, beter gezegd, schoven zich met hunne zwempooten voorwaarts en ijlden langs den kortsten weg naar den voet der heuvelen. Uithoofde van de toenemende schemering konden wij naauwelijks een vierde gedeelte van het strand in de lengte gerekend overzien, maar voor zoo verre wij de voorwerpen nog onderscheidenlijk konden waarnemen, zagen wij vier dergelijke donkere plompe ligchamen die zich over de strandvlakte heenschoven. Geen geruisch trof ons oor, dan de doffe toon der klotsende branding. Daar hoorden wij eensklaps iets plassen en klateren beneden ons,—het was veel langer dan eene schildpad en kroop veel behendiger dan deze over het strand,—het was een krokodil ter lengte van minstens 15 voet, die eene prooi zocht? en nu insgelijks al waggelend naar den voet der heuvelen ging. Doodstil, met ingehouden adem, vestigden wij de blikken op het voor ons liggend tooneel.—In de verte kroop een schildpad terug en verdween in de zee.—Het duurde niet lang of in de onmiddellijke nabijheid van de plaats waar wij ons bevonden, keerde insgelijks een donker ligchaam van de heuvelen zeewaarts en naderde ons meer en meer,—maar nog had het de helft des wegs niet afgelegd, toen plotseling uit het naburige woud een groot aantal dieren te voorschijn snelde; aanvankelijk gaven zij niet het geringste geluid van zich, maar op den oogenblik dat zij den schildpad bereikten, lieten zij een snuivend, kort afgebroken gehuil hooren, terwijl zij in een oogopslag het dier omsingelden en op de woedendste wijze aangrepen. Naar onze schatting waren er minstens een dertigtal aanvallers. Zij pakten hun slagtoffer bij den kop, den hals, bij de als vinnen gevormde pooten, bij den staart, aan het achterste, trokken en scheurden het de stukken van het lijf, draaiden het in een kring rond en verrieden door hun fijn en schor klinkend gesnuif dat stootgewijs werd uitgeblaft, de ijsselijkste vraatzucht of bloeddorstigheid. Zij gingen als razenden te werk en schenen den krokodil volstrekt niet te bespeuren, die daar—stil, met ligten, zachten tred—even als een Tjitjak welke aan den wand van een vertrek vliegen vangt, op zijn buik kwam aankruipen—al nader en nader,—vervolgens eensklaps, als een pijl uit een boog, voorwaarts schoot en al twee of drie van de huilende honden tusschen zijne vreesselijke kaken had verbrijzeld, alvorens de anderen het bemerkten, doch die eindelijk eensklaps tot op zekeren afstand uit elkander stoven.
Een gedeelte van den nacht bragten wij al wakende aan het wachtvuur door; terwijl wij ons onledig hielden met de behandeling van verschillende onderwerpen, kwam het gesprek mede op de wet der doelmatigheid welke zich in de natuur laat waarnemen. Zou het louter toeval zijn, dat eene zeeschildpad op eenmaal zulk een groot aantal eijeren, meer dan honderd stuks te gelijk legt? Zouden wij zoo iets kunnen gelooven, nu wij nog zoo kort geleden hadden gezien hoe groot het getal harer vijanden is zelfs onder de landdieren, welke op de eijerenleggende moeder loeren,—wij, die wisten dat het meerendeel der gelegde eijeren verloren gaat, doordien kleine viervoetige roofdieren, zelfs apen en, in bewoonde oorden, de mensch ze begeerig uit het zand opdelven en weghalen, en dat een ander gedeelte der eijeren bij somber regenachtig weder volstrekt niet wordt uitgebroeid?—Waarom echter aan dit dier zoo talrijke vijanden zijn gegeven, deze vraag kunnen wij niet oplossen, tenzij zulks is geschied met het doel om de grootst mogelijke verscheidenheid des levens met de eenvoudigste middelen te bereiken. Maar door de groote menigte eijeren die niet allen verloren kunnen gaan, is toch voor de instandhouding der diersoort gewaakt, welke ongetwijfeld zou uitsterven, indien het getal eijeren slechts tien in plaats van honderd bedroeg, of indien er zelfs niet 10, maar (even als dit met het jongen bij olifanten en tijgers het geval is) slechts 1 ei werd gelegd!—In den harmonischen zamenhang der verschijnselen, in de zoo veelvuldig aaneengeschakelde tooverketen van oorzaken en werkingen, waar het eene om den wille van het andere bestaat, het een van het andere afhangt, laat zich een redelijk plan waarnemen; onmogelijk kan dit het werk zijn eener blinde noodzakelijkheid. Wel is waar, het einddoel der schepping te begrijpen gaat boven onze bevatting; maar dewijl zoo veel redelijkheid doorstraalt in de middelen welke tot dit doel moeten leiden, hoe zouden wij dan er voor kunnen duchten, dat het einddoel niet redelijk zou zijn?—Zulke denkbeelden bezielden ons en zelfs de nachtelijke strijd der dieren, het woeste, schijnbaar stelsellooze dooreen woelen en werken der organische krachten, was niet in staat ons geloof aan het bestaan van een hoogste redelijk wezen aan het wankelen te brengen. Neen, wij hadden besloten om dit geloof steeds inniger aan te kweeken en vaster wortel te doen schieten in onzen boezem, opdat de overtuiging van het aanwezen van een levenden God ons troost zou schenken in alle rampen, in alle voor ons onbegrijpelijke gebeurtenissen des levens.
Daar alles voortdurend stil bleef in het woud, begaven wij ons eindelijk ter rust. Den volgenden morgen werden wij echter zeer vroegtijdig door onze jongens gewekt, die ons het onaangename berigt meêdeelden dat—al onze Koeli’s waren weggeloopen. En dit was werkelijk het geval. Ten einde zich niet in de noodzakelijkheid gebragt te zien om nog verder met ons mede te gaan, hadden zij zich allen uit de voeten gemaakt, en nu zaten wij hier met onze instrumenten en koffers geheel alleen in de wildernis onder schildpadden, wilde honden, tijgers, krokodillen en apen, wilde stieren, rhinocerossen en panters!
Wat moesten wij nu aanvangen?—„Bidden!” zou hierop welligt een bedienaar van het Christelijke Evangelie hebben geantwoord. Wij hadden echter een waardiger denkbeeld van de grootheid en de wijsheid Gods om te kunnen gelooven dat Hij, ter gunste van een enkelen of van eenige weinige menschen, eene verandering in zijne natuurwetten maken en „wonderen” zou verrigten,—dat hij zich misschien aan een tiental Koeli’s in den droom zou openbaren of in een brandenden doornbosch of in eene lichtende wolk aan hen zou verschijnen en hun bevelen: zich zoo snel mogelijk naar Tandjoeng-Gnodos te begeven.—God werkt slechts door middel der natuurkrachten die hij in het wezen heeft geroepen en naar wetten die onveranderlijk zijn. Ja, het is juist de eeuwige, onwankelbare trouw dezer wetten, welke den mensch, zoodra hij ze heeft leeren kennen, met vertrouwen vervult; deze bestendigheid en onverbiddelijke consequentie der natuurwetten is het alleen, waardoor het aan beschaafde volken mogelijk is geworden zich op te voeren tot dien trap van ontwikkeling, van kunst en wetenschap, waarop zij thans staan. Niet het bidden, maar de kennis van de natuurwetten heeft hen op die hoogte gebragt.
Dit geloofden wij en in overeenstemming daarmede werd de behendigste klauteraar die zich onder onze jongens bevond, namelijk Soengsang, gelast om in den top van een hoogen Kampakboom (Hernandia sonora) te klimmen, die zich dieper landwaarts in op eenigen afstand van het Kiboenagawoud verhief, ten einde van daar te zien: of in de omliggende streek ergens sporen van menschelijke bedrijvigheid konden waargenomen worden.—Soengsang klom in den boom en riep ons uit den top toe: dat hij hooger op in het gebergte een dunnen rook uit het woud zag opstijgen, en dat hij vermeende aldaar den top van een Kokospalm boven de oppervlakte van het woud te zien. Zoodra Soengsang weder naar beneden was geklauterd, besloten wij hem mede te nemen en ons een pad te banen dwars door de wildernis heen naar gindsche streek, waar hij den rook had zien opgaan. Wij wapenden ons ieder met een Gòlok en mijn broeder en ik namen nog bovendien elk een geweer mede; de overige jongens lieten wij met onze beide andere geweren in het bivouak en baanden ons, krachtig in het rond hakkende, met Soengsang vooraan een pad door de wildernis.
Wij zouden ongetwijfeld een halven dag noodig gehad hebben om op deze wijze eene halve mijl ver door het digt ineengegroeide struikgewas heen te dringen, indien wij het geluk niet hadden gehad een gebaand pad te vinden dat blijkbaar van de kust naar het binnenland en bergopwaarts liep. Wij volgden het en nadat wij gedurende een klein uur onzen togt hadden voortgezet over een terrein dat met zachte glooijing opwaarts rees, kwamen wij in eene streek aan waar eene verwilderde, met onkruid begroeide koffijplantaadje stond en eene tamme hen met hare kiekens al pikkend rond liep. Weldra hoorden wij het kraaijen van een haan, en tot onze groote vreugde ontwaarden wij vóór ons, op een open, slechts met gras begroeid plekje in het woud, een half dozijn Bamboeshutten waar tusschen eenige Kokospalmen hunne toppen verhieven; eene levende haag van Pisang en van koffijstruiken omringde het kleine gehucht. Aan den zoom van het woud waren donkergroene Arengpalmen zigtbaar. Kinderen speelden tusschen de hutten, en wij ontwaarden mannen en vrouwen, waarvan sommigen buiten de deur, anderen op den drempel hunner hutten stonden.
Het blaffen der honden verried onze komst; zoodra de spelende jeugd ons in het oog kreeg, bleef zij, als van den donder getroffen, van schrik eensklaps roerloos staan;—de moeders pakten hare kinderen snel bij den arm en ijlden er mede weg, de mannen volgden haar in woeste vaart en alles wat loopen kon, snelde voort en nam onder een aanhoudend geroep van: „help! help! erbarming!” op den voet gevolgd door de blaffende honden—in allerijl de vlugt.
Slechts een bejaarde man met een langen, grijzen baard bleef, met de beenen kruiselings over elkander geslagen, rustig voor een der hutten zitten en zeide, ons bedaard groetende (een Sĕmbah makende): „Goeden dag, heeren Kedjoets! (landroovers.) Hier zit ik. Stoot mij neder. Ik ben een oud man; ik heb lang genoeg geleefd. Het is de wil van den Albarmhartigen Toean Allah,—gij kunt mij dooden.”
De gelatenheid, de onderwerping van dezen grijsaard maakten op ons een diepen indruk. Hij was ons een toonbeeld van menschelijke waardigheid in het kleed van den eenvoudigsten natuurstaat. Daar hij vertrouwen in ons begon te stellen, waren wij de zaak spoedig met hem eens. Op ons verzoek verklaarde hij zich bereid zijne gevlugte landslieden op te sporen en terug te roepen. Wij gaven hem een onzer geweren mede, ten einde dit den vreesachtigen ten bewijze onzer vredelievende gezindheid te toonen.—Een half uurtje na zijn vertrek kwamen zij allen terug. De vrouwen slopen binnen de hutten en de mannen, benevens de grijsaard en eenige half volwassene knapen, elf in getal, zetteden zich op eenigen afstand van ons op den grond neder.—Wij gaven hun nu te verstaan dat wij, tegen ruime betaling en goede behandeling, voor een halven dag niets anders van hen verlangden dan Koelidiensten en dat wij ons naar het groote, westwaarts van hier gelegen dorp wenschten te begeven. Hun antwoord was: „Trada boleh Toean (dat is onmogelijk); daarheen leidt weg noch steg; eene vreesselijke wildernis ligt tusschen ons gehucht en het gindsche dorp, dat veel meer dan eene dagreize van hier verwijderd is.” Zij verklaarden zich echter bereid, om ons eenige uren ver langs het strand in eene oostelijke rigting te geleiden—wij zouden derhalve terug moeten gaan—en ons van daar landwaarts in naar een groot dorp te brengen, waar een Pasanggrahan werd gevonden en waarheen de togt, naar hunne meening, in eene halve dagreis kon worden afgelegd. Wat stond ons nu te doen?—Wij waren ten laatste nog blijde, dat er gelegenheid bestond om van hier weder weg te komen; wij lieten derhalve ons plan om westwaarts te trekken varen en namen het aanbod hetwelk zij ons deden, aan om ons naar het naastbij zijnde, oostwaarts van hier gelegene groote dorp te begeleiden.