Note 8 — 3.
Reading edition
Den volgenden morgen waren wij vroegtijdig gereed om de reis te aanvaarden; onze koffers stonden allen gepakt voor de deur onzer hut. Vier dorpsbewoners hadden zich vrijwillig als Koeli’s aangeboden; zij zaten met de beenen kruislings over elkander op den grond, nevens den geringen last dien zij zouden dragen, en hielden hunne Bamboesstaven als geweren regtstandig in de hoogte. Zij waren echter nog niet voltallig; er ontbraken nog zes. De vrouwen die zich in het dorp bevonden, waren bijna allen druk bezig met het rijststampen en een aantal kinderen stond om ons heen. Wij zagen daarentegen slechts weinige mannen nevens hunne hutten bezig met het splijten van Bamboes, het vlechten van matten en anderen dergelijken arbeid; zij hielden zich als of zij ons niet bespeurden en volstrekt niet wisten, dat wij Koeli’s noodig hadden. De meesten hielden zich schuil in hunne hutten en schenen geen gehoor te willen geven aan onze oproeping om, tegen betaling van 10 centen8 per uur, benevens eene zekere hoeveelheid tabak, onze pakkaadje naar het naastbij gelegene grensdorp te brengen.—Daar kwam onze vriend, de Imam, aan die ons zijn vriendelijken morgengroet bragt. Toen hij de oorzaak van onze verlegenheid had vernomen, scheen hij werkelijk boos op zijne landslieden te worden. Aan zijne ontevredenheid gaf hij lucht in de volgende bewoordingen, die hij met luider stemme tusschen de hutten uitgalmde.