Note 14 — 3.
Reading edition
Nadat wij ons werk voor dezen dag hadden ten einde gebragt, zetteden wij ons op het kleine Aloen aloenplein14 van het naburige dorpje dat slechts door eene groep vruchtboomen van onze woning was gescheiden, in de verkwikkende schaduw neder, ten einde ons te verlustigen in de stille beschouwing van het omringende tooneel. Onze jongens hadden onder den Wĕringinboom eene bank van Bamboes voor ons geplaatst; sommigen hunner hadden zich op den grond nedergevleid, waar zij vertrouwelijk met de kinderen uit het dorp speelden of zich met hun gesnap vermaakten; anderen waren in den Pasanggrahan achter gebleven. Aan alle zijden was de kleine opene plek van nabij door het omringende woud ingesloten; in de onmiddellijke nabijheid van het plein bestond dit woud uit aangeplante of vruchtboomen, tusschen wier stammen de bruinachtig gekleurde hutten der inboorlingen ons in het oog vielen. Boven het heldere groen der reusachtige Pisangbladeren welke zich op vele plaatsen tot aan de nok der kleine woningen verhieven, zag men het donkere loofgewelf der Manggisboomen (Garcinia Mangostana) of der Mangifera indica met hare goud-gele appelen;—ginds stond een Ramboetanboom (Nephelium lappaceum) welks takken onder den last der roodachtige vruchten zoo zeer waren gebogen, dat zij tot aan het dak van het nabij zijnde huis afwaarts hingen; hier zag men de vruchten van een Nangkaboom (Artocarpus integrifolia) welke de grootte van eene pompoen bereiken, of de groote getande bladeren van een broodvruchtboom (A. incisa) en op eene andere plaats breidde de Wol- of Kapokboom (Gossampinus alba) zijne horizontale takken uit. Nog vele tientallen van andere kultuurboomen stonden hier tusschen de reeds genoemden en vormden met hunne gezamenlijke kroonen het algemeene loofdak van het dorp, waarboven de regte, dunne stammetjes van talrijke Kokos- en Pinangpalmen met de bladerenpluimen welke den top er van sierden, zich verhieven. Hoog boven het loofdak ruischte de wind in de toppen dezer palmen, die nog in de heldere zonnestralen blonken, toen de schaduwen der loofboomen zich reeds over het gansche Aloen aloenplein hadden verbreid.