← Table of contents
Licht- en schaduwbeelden uit de Binnenlanden van Java

Geloofsbekentenis van broeder Avondrood.

Reading edition

„Was wär ein Gott der nur von Aussen stiesse,

Im Kreis das All am Finger laufen liesse?

Ihm ziemt’s die Welt im Innern zu bewegen,

Natur in sich, sich in Natur zu hegen,

So dass, was in ihm lebt und webt und ist,

Nie seine Kraft und seinen Geist vermisst.”

Göthe.

God is de bezielde natuur.

De aanhangers van het dualismus scheiden wel is waar, de kracht van de stof, den geest van het ligchaam en God van de natuur, welken zij als persoonlijken God nevens de natuur of tegenover de natuur stellen en aanbidden. Maar op die wijze maken zij èn de natuur èn zich zelven in den eigenlijken zin des woords God’loos. Zij verlagen de schoone, overal levende en in millioenen polsen slaande natuur tot een geesteloos, mechanisch uurwerk, dat slechts aan doode wetten blind gehoorzaamt en van buiten de kracht moet ontvangen, welke het drijft.—Voor mij zou de natuur al hare bekoorlijkheid verliezen, indien ik haar als zoo een werktuigelijk knoeiwerk moest beschouwen.—En wat maken de dualisten van hunnen God dien zij uit de natuur hebben verdreven?—een horologiemaker die het raderwerk heeft opgewonden en nu, in werkeloosheid verzonken, daar nederzit en met behagelijke tevredenheid over zich zelven toeziet hoe alles gaat. Aan het bestaan van zulk een God kan ik niet gelooven.

Elk natuuronderzoeker zal met mij instemmen, dat geene kracht, geene stof, ja zelfs niet het allerkleinste deeltje eener stof nieuw ontstaan kan, maar dat alles wat is, stof en kracht, moet beschouwd worden als van eeuwigheid aanwezig te zijn geweest; wijders dat geene grondstof in eene andere zich laat herscheppen. De gedaante, waaronder zij zich voordoen, verandert; de 39 meer algemeen verbreide grondstoffen van het 62 tal dat wij op aarde kennen, zoomede de zamenstellingen welke zij vormen, gaan naar oude, eeuwige wetten onophoudelijk afwisselende verbindingen aan; maar hare massa ziet zich met geen enkel atoom verminderen of vermeerderen en evenzoo blijven de krachten, zoowel de physische welke tot de stof in het algemeen, als de eigenaardige chemische krachten die haren zetel hebben in de elementen en hunne verbindingen, onveranderlijk dezelfden.

Gelijk niet elke afzonderlijke bliksemstraal welke uit eene onweerswolk naar de aarde schiet, opnieuw geschapen wordt, maar slechts de zigtbare ontlading is eener algemeen verbreide (electrische) kracht, derhalve voortvloeit uit eene reeds lang bestaande bron, op gelijke wijze kan het bewustzijn in den mensch niet dan uit eene reeds bestaande algemeene bron worden afgeleid. Of zou dit bewustzijn elken dag geheel nieuw—uit niets—in millioenen van menschen zich ontwikkelen, terwijl de natuur zelve zonder bewustzijn is, die toch den mensch voortbrengt, hem doet opgroeijen, die al zijne ledematen, al zijne zinnen en inwendige organen tot eene harmonische ontwikkeling brengt en dit alles verrigt zonder toedoen van den mensch, ja, zonder dat hij zelfs het geringste daartoe bijdragen of daaraan veranderen kan?—Zouden welligt de chemische krachten van de waterstof, de zuur-, kool- en stikstof, van den phosphorus, der alkaliën, aardsoorten, enz., en van hare verbindingen, die in de genuttigde voedingsmiddelen bij de ontwikkeling des ligchaams door eene immer voortdurende stofwisseling werkzaam zijn, die aan de ijzeren natuurwet harer wederkeerige verwantschap, dat wil zeggen aan de haar eigenaardige, door tegenstellingen veroorzaakte neiging om zich met elkander te verbinden, gehoorzamen en die zonder te weten wat zij doen, bloed, beenderen, spieren, hersenen en andere deelen vormen,—zouden het deze krachten der elementen zijn, welke in het hersengestel dat daaruit is ontstaan, plotseling beginnen te denken en tot bewustzijn geraken? Zou het bewustzijn kunnen voortkomen uit eene natuur, die geene bewustheid bezit en aan het kind, het schepsel, den mensch eene hoogere mate van volkomenheid eigen zijn dan aan zijne moeder, de schepperin welke hem het aanzijn gaf; zou hij rede en bewustzijn bezitten, terwijl in deze slechts wetten en krachten in werking zijn, die geheel bewusteloos haren invloed doen gelden?—in deze natuur waarvan hij toch zoo geheel afhankelijk is, dat hij bij elken ademtogt zijne magteloosheid ondervindt en de duizendvoudige keten gevoelt waarmede hij aan haar is verbonden?—Dat toch zou het grootste van alle wonderen zijn, waaraan het mij niet mogelijk is te kunnen gelooven!

Neen. Dit is in lijnregten strijd, zoowel met de rede als met de wetten der natuur.—Het feit van het aanwezen van eene bewustheid in den mensch doet het bestaan van een algemeen bewustzijn veronderstellen, eener natuurziel, die zich van gene stoffen en van de daarin aanwezige krachten slechts als middelen bedient om, naar eeuwig onveranderlijke wetten, in de plant als plantenziel, in het dier als dierenziel en in den mensch als menschenziel tot ontwikkeling te geraken.

Moge ons de wijze waarop, en de weg waar langs dit bewustzijn tot ons komt, volkomen onbekend zijn; het schijnt toch dat ons denkvermogen met stoffelijke krachten allengs in ons ontwaakt; de loop der gansche zaak schijnt ons raadselachtig toe, dewijl het embryo, de kiem in het ei, het bevruchtende zaad nog geen bewustzijn bezitten en wij ons het tijdstip niet meer kunnen herinneren, waarop wij voor de eerste maal tot ons zeiden: „ik ben;”—thans zijn wij echter inderdaad en het bewustzijn is in ons ontwaakt——; laat ons voor een oogenblik in eene nadere beschouwing van den bliksem treden: hoevele menschen hebben niet, gedurende verscheidene eeuwen, geloofd dat elke bliksemstraal een afzonderlijk iets was, dat door de hand van een bovenmagtig wezen, min of meer in de gedaante van een dondersteen, uit den hemel werd geslingerd; maar zij kenden de bron, de algemeene kracht niet waaruit de bliksemstralen voortvloeijen, evenmin als den weg, de wet die deze kracht tot aan hare ontlading volgt! en hoe vele pogingen van de natuurkundigen, hoe vele proefnemingen en scherpzinnige onderzoekingen heeft het niet gekost om de wetten der electriciteit na te vorschen, als het ware de wegen te leeren kennen, welke de electriciteit volgt en de omstandigheden die daarop invloed uitoefenen, totdat de schitterende bliksemstraal te voorschijn komt!—Zouden wij nu daarom niet aan het bestaan der ziel gelooven, dewijl voor ons kenvermogen de weg in duisternis is gehuld, langs welken zij in ons binnenste komt?

Het denkvermogen, het bewustzijn in den mensch aanwezig, is tevens het eenige onomstootelijke bewijs van het bestaan van God, dewijl alle andere aangevoerde bewijzen eerst van dit feit van het bewustzijn uitgaan en daarop steunen.

„Ik denk, derhalve ben ik.” Ik ben: God is.—Dit heet inderdaad: ik ben God, gij zijt God, hij is God; gindsch zachtaardig meisje hetwelk den kranke of gewonde zoo liefderijk verpleegt, is God evenzeer als deze sluipmoordenaar, die zijn naaste in de duisternis vervolgt en hem van het leven berooft, om zich van zijn geld meester te maken,—en de gruwzame tijger is insgelijks God evenzeer als de arme geit welke hij heeft aangetast en waarmede hij in den bloedigen muil wegsnelt.—God is de (bezielde) natuur. Buiten haar is niets.

Uit deze leer volgt: ten eerste dat het voortbestaan der menschelijke ziel na den ligchamelijken dood slechts in zoo verre denkbaar is, als aangenomen mag worden dat de algemeene wereldziel alle eigenschappen, welke het deel zijn onzer geïsoleerde d. i. menschelijke ziel en waaronder herinneringsvermogen, geheugen moeten gerangschikt worden, insgelijks, doch in een veel hoogeren graad van volkomenheid bezit. Zoodra ons menschelijk aanzijn waarin God latent is (als het ware zich zelven niet meer kent), opgehouden heéft te bestaan, moeten wij, hiernaar te oordeelen, wederom een integrerend deel der algemeene zielkracht (der Godziel) worden; maar de herinnering onzer bij deze ziel (eigenlijk van ons aan ons zelven, in den toestand van het vrij zijn aan dien van het gebonden zijn) zal eeuwig blijven bestaan. De menschelijke ziel staat tot de goddelijke ziel in dezelfde verhouding als vrije tot latente warmte.—Aan te nemen dat de menschelijke ziel ook na den ligchamelijken dood nog geïsoleerd—als op zich zelve staande—zal blijven voortduren, is even ongerijmd als te gelooven, dat elke afzonderlijke bliksemstraal als zoodanig onsterfelijk is, terwijl toch slechts de algemeene kracht, namelijk, de electriciteit welke den bliksemstraal deed ontstaan, onvergankelijk is. Hoe toch is het mogelijk tot het denkbeeld te komen, dat eenig ding afzonderlijk of individueel kan bestaan, hetwelk gelijk eens menschen geest, nadat het ligchaam ontbonden en in andere toestanden van het materiële aanzijn overgegaan is, noch vorm noch inhoud meer bezit?—Slechts als algemeene geestelijke kracht is het bestaan der ziel denkbaar, dewijl de natuur (in de bijzondere gevallen, wel is waar, veranderlijk en aan afwisseling onderhevig) als geheel beschouwd inderdaad vorm en inhoud heeft, die eeuwig en onvergankelijk zijn; de menschelijke ziel daarentegen kan als beperkt wezen, als individu slechts zoo lang bestaan, als het verband tusschen haar en de stof blijft voortduren.—Wat toch zou er uit al deze afzonderlijke zielen moeten worden, indien zij elk op zich zelve en afgescheiden van elkander konden voortbestaan, dewijl het menschelijke geslacht zich onophoudelijk vernieuwt en het tal van individuen, indien alles op dien voet nog eenige millioenen jaren voortgaat, ten slotte tot in het oneindige moet aangroeijen? De geologie leert ons dat er eenmaal een tijdperk was, gedurende hetwelk nog geene menschen op de aarde aanwezig waren, hoewel zij, door allerlei dieren bewoond, reeds vele millioenen van jaren had bestaan. Slechts hetgeen nimmer een aanvang had, dat kan eeuwig en onsterfelijk zijn. Wij menschen echter zijn slechts gedachten Godes en kunnen alléén in zijne herinnering voortleven.

Er komen misgeboorten voor die op een gemeenschappelijk ligchaam twee koppen en halzen hebben, of uit twee geheel afzonderlijke ligchamen bestaan welke slechts op eene plaats aan elkander verbonden zijn, gelijk het geval was met de bekende Siamesche gebroeders Chang en Eng in de streek van het zwaardvormig kraakbeen of met de Hongaarsche gezusters Helena en Judith die slechts met de achterzijde des ligchaams aan het heiligbeen vereenigd waren en den ouderdom van 22 jaren bereikten. In deze gevallen behooren vele aandoeningen en verrigtingen des ligchaams gemeenschappelijk aan beide individuen en de gewaarwordingen in het onderste gemeenschaplijke deel van het ligchaam wekken gelijke denkbeelden op te gelijker tijd in beider brein. Hoe zal nu hier met de zielen gehandeld worden, indien deze afzonderlijk moeten voortleven?

Ten tweede. De mensch bezit geen vrijen wil, evenmin als de plant en het dier. Mag van de bij gezegd worden dat zij een vrijen wil bezit, wanneer zij cellen bouwt en honig verzamelt, moet zij zulks niet doen?—Weet de kruisspin hoe de draad in haar binnenste wordt gevormd, waaruit zij haar net spint; kent zij de reden waarom zij juist zulk een regelmatig web spint, welks draden gedeeltelijk uit één punt uitloopen om hetwelk de overigen concentriek worden gesponnen? heeft het van haar afgehangen dat zij niet eene bij, maar wel eene spin is?—spint zij daarentegen niet, dewijl zij door hare bewerktuiging, door eene zekere aandrift onweêrstaanbaar daartoe gedwongen is?—Is de hond vrij, wanneer hij zijn meester volgt, weet hij waarom hij getrouw, waarom hij hond is? kan hij het veranderen—is de mensch in staat te veranderen dat hij mensch is, dat deze roodkleurige, gene zwarte haren heeft? Heb ik het geringste tot mijn ontstaan bijgedragen, ben ik niet geheel en al buiten mijn toedoen op de aarde geplaatst en zal ik niet op gelijke wijze, zonder dat ik daartoe de vergunning geef, van de wereld worden afgehaald, zonder dat ik kan te weten komen, wanneer deze gebeurtenis die mij van zoo nabij aangaat, zal plaats grijpen?—Is het mijne schuld, dat ik driftig van aard ben, terwijl ik liever een phlegmatisch temperament had gehad, dat ik niet in Hongarije, maar aan de Hollandsche kust ter wereld ben gekomen, dat mijne ouders Christenen en geene Joden waren, dat ik een driftigen aard van mijn vader, eene groote gevoeligheid van karakter heb overgeërfd van mijne moeder?—Weet ik waarom ik een afkeer gevoel voor wortelen en rapen of voor stokvisch en om welke reden ik gaarne spinasie en bloemkool eet? Is dat alles niet geheel en al gedwongen? Hoe kan de mensch een vrijen wil hebben, daar hij van al hetgeen aan hem is, zelf niets heeft gevormd, maar dewijl alles zoo en juist zoodanig als het is, hem gegeven is geworden?—Slaat zijn hart niet naar werktuigelijke en natuurkundige wetten, even als een uurwerk zoo en zoo vele malen in elke minuut zonder zijn toedoen,—haalt hij niet, geheel onbemerkbaar, zoo en zoo vele keeren adem in elke minuut en moet hij dit niet doen, ten einde niet te stikken en op die wijze het leven te verliezen? Dwingt de honger hem niet om voedsel tot zich te nemen, noodzaakt de dorst hem niet tot drinken, dwingt hem de wellust niet met kracht tot vleeschelijke liefde (ten einde door voortplanting het menschelijke geslacht in stand te houden),—verpligt hem niet een pijnlijk gevoel, de overblijfselen der verteerde spijzen (benevens andere afgescheidene stoffen) uit het ligchaam te verwijderen—en houdt de vrees voor den dood hem niet terug van in het water te springen, dewijl hij in het leven blijven moet?—In dit alles ligt niets vrijwilligs. Nu echter zegt men, „de geest, de ziel is toch vrij!”—Neen; ook deze is niet vrij. Ziel en ligchaam, kracht en stof zijn slechts één geheel en ook deze ziel werd ons met de stof gegeven zoo als zij is, dat wil zeggen, in zoodanige verbinding met de bewerktuigde stof dat zij zich onder de bepaalde omstandigheden welke invloed er op uitoefenden, niet anders ontwikkelen kon en zich thans niet anders uiten kan dan—juist zoo als zulks geschiedt. De domme zou ongetwijfeld liever schrander zijn, indien het van hem afhing; de platte of ingedrukte vorm des schedels veroorlooft het hem niet. De verlichte heeft zijne bekwaamheid (de aanleg om verlicht te zijn) in het hoog gewelfde voorhoofd van de natuur ontvangen en kan niet dom en bijgeloovig zijn, al wilde hij zulks, en even zoo is het den goeden, deugdzamen mensch onmogelijk, slecht en misdadig te handelen, terwijl de booze mensch zich menigwerf door eene onweêrstaanbare neiging tot het plegen van misdaden gedrongen gevoelt.

Het regtstreeksche physiologische bewijs dat de wil door stoffelijke bewegingen, door electrische stroomingen in het zenuwstelsel wordt te weeg gebragt, is in de latere jaren door Du Bois-Reymond, Moleschott en anderen geleverd geworden; ik zal trachten den lezer het hoofdzakelijke omtrent dit punt mede te deelen.

Bewegende en gevoelende zenuwdraden loopen van alle deelen in den omvang des ligchaams naar de hersenen en het ruggemerg, waar zij digt nevens elkander liggen. De gevoelende zenuwdraden (of gelijk men zegt terugwaarts loopende draden) planten de indrukken of den prikkel van de oppervlakte des ligchaams voort naar de hersenen, waar zij deze op eenen bewegenden (of regtloopenden) zenuwdraad overbrengen, welke nu de stoffelijke verandering weder naar den omvang des ligchaams, tot in de spieren voortplant, die zich zamentrekken (verkorten) en het lid daardoor bewegen.—Eene beweging wordt willekeurig genoemd, indien in de hersenen de prikkel der gevoelende zenuwdraden, als gewaarwording tot bewustzijn komt, alvorens de beweging plaats heeft, derhalve dan wanneer de gevoelszenuwdraad den indruk des prikkels tot aan de hersenen sterk genoeg voortplantte;—overgebragte of reflexbeweging echter wordt de zoodanige geheeten, waarbij de prikkel volstrekt niet of slechts zeer zwak het bewustzijn er van in de hersenen deed ontstaan. Indien een slapende (zonder te ontwaken) zich met de hand wrijft ter plaatse, waar hij door eene mug wordt gestoken, dan heeft er eene reflexbeweging plaats (hij gevoelt den steek niet, het overbrengen van den prikkel in de hersenen van den gevoelszenuwdraad op de bewegende draad geschiedde zonder dat hij vooraf tot bewustzijn kwam);—wanneer de gewaarwording echter tot bewustzijn opklimt, wanneer een wakende naar de mug slaat, dan noemt men de beweging welke hij maakt (zeer oneigenlijk) eene „willekeurige” beweging. Tusschen beiden bestaat echter geene scherpe grens; want hoe onverwachter wij een wakende kittelen, des te zekerder is het dat hij zal lagchen, en menigwerf ontwaakt een slapende nog, nadat de onwillekeurige beweging reeds had plaats gehad, hij hoort b.v. slechts nog den zwakken nagalm des donders welke hem heeft doen ontwaken.

Even als het geval is met de prikkels welke door middel van het zintuig des gevoels en des gehoors op ons werken, zoo is het ook gelegen met de overigen, b. v. met het licht dat het netvlies van het oog prikkelt. Wanneer wij een boek of een brief lezen die ons tot het verrigten eener daad opwekt, dan geschiedt hier volkomen hetzelfde, maar de gewaarwording deelt zich door middel van de oogzenuw mede aan de hersenen en gaat van daar door de bewegingszenuwdraden naar de andere organen of ligchaamsdeelen.

Proefnemingen met de meest mogelijke naauwkeurigheid gedaan, hebben het bewijs opgeleverd dat al deze bewegingen geschieden door middel van electrische stroomingen in de zenuwen en spieren, en wij kunnen den arm niet buigen zonder dat een electrische stroom van de hand naar den schouder gerigt worde. De electrische stroomingen en hare veranderingen kunnen wederom slechts ontstaan ten gevolge van veranderde stoffelijke toestanden in de zenuwen en in de hersenen (te weeg gebragt door zinnelijke prikkels), en derhalve kan zonder eene dergelijke stoffelijke verandering geene beweging tot stand komen.

De beweging kan derhalve niet het uitvloeisel zijn van een zoogenaamden vrijen wil, maar de wil zelf is slechts de noodzakelijke uitdrukking van een toestand der hersenen, ontstaan en gewijzigd door een invloed van buiten. Zelfs wanneer de natuuronderzoeker eene proefneming doet, is dit geene daad van den vrijen wil; want de proefneming is het gevolg eener gedachte en de gedachte is eene beweging der stof, welke zelve wederom het gevolg eener zinnelijke waarneming was.

Hoe toch kan de mensch een vrijen wil hebben, daar hij van het hoofd tot de voeten, van de moederlijke borst tot aan het graf geheel gedwongen is hetgeen hij is,—daar hij niet in staat is het kleinste haar zijns ligchaams te laten groeijen of te doen uitvallen, wanneer hij zulks mogt wenschen, en daar hij zelfs de vlugtigste gedachte zijner ziel niet als het uitvloeisel kan beschouwen van een eigenmagtigen wil. Ja, indien ik zeggen kon: „tijd, sta een oogwenk stil,” en hij stond werkelijk stil, dan was ik vrij. Maar zelfs staande den duur dezer gedachte leeft de tijd in mij voort, de gedachte zelfs is slechts een gewrocht des tijds: hoe kan zij dan vrij zijn? hoe kan ik een vrijen wil hebben? Ik wordt immers door overmagtige krachten zonder ophouden voortgestuwd! „De mensch is het gewrocht van ouders en voedster, van plaats en tijd, van lucht en weêrsgesteldheid, van voedsel en kleeding, van geluid en licht.” Zijn wil is het noodzakelijke gevolg van al die oorzaken, gebonden aan eene natuurwet, die wij aan de verschijnselen er door te weeg gebragt, herkennen. De wilsuiting staat als werking steeds in eene regte rede tot de oorzaak welke haar voortbrengt. Zou b.v. de beschouwing welke ik in dit opstel heb ontwikkeld, of het op ’t papier brengen er van, ja, slechts een enkele der daarin voorkomende woorden, het resultaat van mijn vrijen wil zijn?—

Bezwaarlijk kan zulks het geval zijn; ik kan niet anders denken, ik moet zoo denken; het is niet anders dan het noodzakelijke gevolg van oorzaken, die hare werking op mij hebben uitgeoefend en waarvan eenigen (zoo als b. v. het vergaan van een schip met vele mij dierbare personen) mij bekend, anderen mij niet bekend zijn, of waarvan ik ter naauwernood eenig vermoeden kan hebben, maar die mij niettemin tot nadenken bragten en dit tegenwoordige geschrift als het resultaat der eerste werking ten gevolge hadden. Niets kan vrij zijn, dat in tijd en ruimte leeft. Slechts wat tijd en ruimte zelf is, d. i. God, kan een vrijen wil hebben.—En indien iemand gelooft dat Jezus ten hemel gevaren is, een ander daarentegen het niet gelooft, zelfs zijne stem er tegen verheft en boeken schrijft waarin hij dat geloof als een schadelijk bijgeloof verwerpt: wie van beiden heeft dan een vrijen wil?—beide?—of is het gelooven bij genen en het niet gelooven bij dezen niet een gevolg van natuurlijke oorzaken en omstandigheden des levens, die op ieder van hen op verschillende wijze en in verschillende mate invloed hebben uitgeoefend?—Kunt gij, broeder Dag, b. v. gelooven wanneer gij wilt, dat God een zoon of eene dochter, of eene moeder en grootmoeder heeft? Ik betwijfel het en even onmogelijk zal het genen zijn, zoo te denken en te gelooven of niet te gelooven, als de ziel in uwe hersenen doet. Eene onverbiddelijke natuurwet maakt ons tot hetgeen wij zijn. Wij moeten zoo handelen, zoo denken gelijk ieder doet. „Hier sta ik, ik kan niet anders. God helpe mij. Amen,” zeide Luther en ik voeg er bij: wij denken eigenlijk niet, wij leven niet,—wij zijn hier niet uit eigen wil, wij zijn niets uit vrije keuze,—vroeger waren wij niet, later zullen wij niet meer zijn:—wij worden geleefd. Wij zijn gedachten Godes. Ons uiterlijke staat onder den invloed der algemeene natuurkrachten en ons binnenste gehoorzaamt (gelijk een nieuwe, geestige denker zegt) aan drie absolute, goddelijke magten—rede, wil en liefde—welke ons bezielen, drijven, beheerschen en die volstrekt onweêrstaanbaar zijn. Er kan slechts een vrije wil in de gansche wereld zijn en deze zelfs schijnt ons toe niet vrij te zijn, dewijl hij zich slechts uit naar vaste wetten, waarvan hij (zoo ver menschelijke waarneming reikt) nog nimmer is afgeweken.

Ten derde. Er bestaat geen absoluut onderscheid tusschen goed en kwaad, dewijl het kwade slechts de noodzakelijke tegenstelling, de schaduwzijde van het goede is. Alle individuen zijn goed in hunne eigene schatting en wie zou willen beweren, dat de tijger of wolf onregt pleegt wanneer hij, om het leven te behouden, gedwongen is eene arme geit of een mensch te dooden en op te vreten?—Indien nu echter de mensch geen vrijen wil heeft, maar de wil een aan vaste wetten onderworpen natuurverschijnsel, een noodzakelijk gevolg van voorafgegane oorzaken is, dan wordt daardoor—’t is waar—aan de zedeleer, in den gewonen zin, haar grondslag ontnomen en de toerekenbaarheid, de verantwoordelijkheid van het individu houdt op te bestaan. Er behoort derhalve een andere maatstaf ter hand te worden genomen ter beoordeeling van goed en van kwaad, van deugd en ondeugd, dan vroeger is gebezigd. Deze zedelijke maatstaf moet worden gevonden in de natuur des menschen zelve.—”Goed is, hetgeen op een bepaalden trap van ontwikkeling beantwoordt aan de behoefte der menschheid; kwaad is, dat strijdt met hetgeen zij vereischt—en het regt om te straffen ligt in de ingeschapen zucht tot zelfbehoud, welke het geslacht beheerscht. Het regt daartoe wordt grooter naar gelang van de behoefte er aan. De straf zelve wordt slechts dan tot eene misdaad, wanneer zij (gelijk de doodstraf) onmenschelijk, wanneer zij gruwzaam is.”

Er blijft derhalve voor het gezellige verkeer niets anders over, dan de gewone verhouding der theorie tot de praktijk om te keeren en het gemis aan vrijen wil als eene praktische waarheid te beschouwen, maar daarentegen theoretisch aan te nemen en zich in te beelden dat de mensch een vrijen wil heeft en overeenkomstig hiernaar te handelen, hetgeen in het empirisch leven buitendien reeds ieder doet.—De tegenwerping dat het geloof aan een niet vrijen wil een verlammenden, verzwakkenden invloed op het karakter zou uitoefenen en dat de leer der onverantwoordelijkheid het individu tot zucht naar genot, tot buitensporige bevrediging van zinnelijke lusten zou vervoeren, steunt op geen redelijken grond, en wel hierom dewijl de wil aan vaste wetten is gebonden, dewijl hij een natuurverschijnsel is en de mensch niet in staat is zijne hartstogten naar willekeur bot te vieren.—De grondslag der zedeleer behoort te zijn: de overtuiging, dat de deugdzame en wijze mensch meer geluk en meer genot in het leven zal hebben, dan de booze en domme; men moet de menschen inprenten en hen aansporen op grond hiervan naar deugd en wijsheid te streven.

Tegen deze mijne beschouwing—welke God voor de natuur zelve houdt en in alles wat leeft, slechts God ziet, dat wil zeggen gedaanteveranderingen Gods, of verbindingen der wereldziel met verschillende deelen en hoeveelheden stof, als het ware (op de wijze der Brahminen gesproken) vleeschwordingen Gods,—mag de tegenwerping niet worden gemaakt, dat dan de gansche wereld een kluchtspel zou schijnen te zijn, een spel van God met zich zelven, waarin geen zin, geen redelijk doeleinde is te ontdekken!—Wanneer ik u thans vraag wat dan naar uwe wijze van beschouwing het eigenlijke doel des levens zijn moet,—waar dit bonte, veelvormige en aan vele wisselvalligheden onderhevige aanzijn der schepselen die elkander menigwerf verslinden, zou heenvoeren; waarheen het onophoudelijk drijven der menschen zou geleiden, die elkander zoo menigwerf beoorlogen en in den krijg of door epidemische ziekten dikwerf bij duizenden plotseling weggeraapt worden en die op elkander bij millioenen van geslachten volgen, waarvan het eene geslacht uit de graven van het voorbijgegane opgroeit;—wanneer ik u nu vraag, wat dan het eigenlijke doel is der gansche in de ruimte bestaande en door den tijd doorleefde wereld? welk antwoord kunt gij mij daarop geven dan „nescio,” of „zij is een droom, eene gedachte van den wereldgeest,” of indien gij toch iets wilt zeggen om althans een streven naar een doel uit te drukken en waartoe geologische nasporingen gegronde aanleiding geven: „de wereld ontwikkelt zich naar een onbekend! doel; alles wordt beheerscht door eene alles doordringende wet van gestadige herschepping en omzetting, welke zich echter doet kennen als eene voorwaarts strevende, meer de volkomenheid naderende ontwikkeling; waar en waarmede deze echter aanving en waarheen zij zal geleiden, wanneer en waarmede zij zal eindigen, hiervan is ons niets bekend.”

Wat betreft de ontwikkeling der bewerktuigde wezens, ten deze opzigte wordt door de meeste natuuronderzoekers geen twijfel meer gevoed, dat de onderscheidene soorten van planten en dieren niet dadelijk van den aanvang af die mate van volkomenheid hebben bezeten, welke wij thans bij hen waarnemen, maar dat in de groote geologische tijdperken scheppingen van hooger bewerktuigde planten en dieren op lager staande, op meer eenvoudige zijn gevolgd en dat minder volkomen wezens gedurende den loop van duizenden, ja, millioenen van jaren—door van lieverlede plaats grijpende veranderingen in hunnen bouw, welke gelijken tred hielden met veranderingen van klimaat (warmte, drukking der lucht, vochtigheid, grooteren of geringeren rijkdom der atmospheer aan koolzuur en vele andere omstandigheden in verband staande met de natuur, welke hen omringt),—zich tot hoogere volkomenheid hebben ontwikkeld. Naar de analogie te oordeelen, was ook de mensch niet van den aanvang af hetgeen hij thans is, maar heeft ook hij verschillende physische ontwikkelingsgraden doorloopen, waarmede ongetwijfeld ook de telkens zich kenbaar makende zielsuitingen even als alle andere hoedanigheden in overeenstemming waren, wat betreft de mate harer volkomenheid of onvolkomenheid. Indien op grond van sommige nieuwe onderzoekingen als waarschijnlijk mag worden aangenomen, dat de menschen uit een apengeslacht zijn voortgesproten en dat onze oudste voorvaderen apen (Chimpanse’s of Orang oetang’s en Pongo’s) zijn geweest, daarin moge voor onzen trotsch iets vernederends gelegen zijn; maar het is niet te min waar, dat de ligchaamsbouw der onvolkomenste menschen welke tegenwoordig op de aarde leven, de oorspronkelijke bewoners van Nieuw-Holland (Australië)—in den vorm van gelaat en schedel, dikken buik, hunne lange, smalle ledematen en dunne kuiten—eene groote mate van overeenkomst hebben met de vormen der hoogere aapsoorten, welke zij in hoedanigheden des geestes slechts weinig overtreffen, dewijl zij eene hoogst onvolmaakte taal hebben, een geheel dierlijk leven leiden, geene vaste woonplaatsen bezitten, geene hutten bouwen en niet verder dan tot 7 kunnen tellen. Door de geloofwaardigste reizigers is daarentegen bevestigd geworden, dat de 5 à 6 voet hooge Chimpanse (Pithecus Troglodites) hutten bouwt, zich bij het gaan van afgebrokene takken bedient en daarmede slagen uitdeelt, negerinnen rooft welke hij in eene gruwzaam wellustige gevangenschap houdt, en dat men hen (tam gemaakt zijnde) zeer gemakkelijk kan leeren aan tafel aan te zitten even als een mensch, of achter den stoel te staan om te bedienen.—Dat de geestvermogens bij de dieren van die des menschen niet in aard (qualitatief), maar slechts in de mate welke zij er van bezitten (quantitatief) verschillen, dat leert ons op eene onwedersprekelijke wijze eene onbevooroordeelde beschouwing hunner zielsverrigtingen en eene opmerkzame vergelijking van hunne hersenen en van hunnen schedel met dien van het Australische menschenras, der negers en van het Kaukasische menschenras. „Door het verstand van den hond bestaat de wereld,” zegt een der oudste gedenkteekenen van menschelijke beschaving, de heilige schrift der Zend Avesta, en langs welken weg, in welke verbinding met organische stof, in welken dierlijken vorm het verstand het eerst op aarde gekomen (dat wil zeggen, uit de stof het eerst zich een weg heeft gebaand, tot ontwikkeling gekomen) is, dat weten wij niet.

Het gemis eener geschiedenis die verder reikt dan tot op 5 à 6000 jaren vóór onzen tijd; de niet opgehelderde duisternis, waarin de oorsprong van het menschelijke geslacht zich verliest, strekt even zoo zeer ter bevestiging van de hier voorgedragene beschouwing, als de trapsgewijze opklimming van het eenvoudigste tot het meest zaamgestelde, welke in de gansche natuur wordt waargenomen, en even zoo zeer als de slechts van lieverlede meer volkomen wordende, voortgaande ontwikkeling van elk individu,—en de reden er van is waarschijnlijk juist hierin gelegen dat de mensch niet onmiddellijk als zoodanig, in die volkomenheid welke hij thans in het Kaukasische ras heeft bereikt, geschapen werd, maar dat hij, na uit eene volmaakter gevormde apentype langzamerhand te zijn ontstaan, welligt nog duizende jaren noodig had, om uit zijn half dierlijken toestand welke overeenkwam met dien der Boschjesmannen of der oorspronkelijke bewoners van Nieuw-Holland, tot eene meerdere volkomenheid op te klimmen, zich trapsgewijs en familien- of rasgewijze te veredelen, te ontwikkelen.

Daar echter de wereldziel welke zich met de stof verbindt ten einde zich zinnelijk te openbaren, naar voor ons raadselachtige, misschien voor immer onnaspeurlijke wetten, zich op geene andere wijze uit, dan evenredig en overeenkomstig aan de vormen welke zij telken male aangenomen en de organen die zij gevormd heeft, en welke wijze volkomen overeenstemt met de verschillende stoffelijke zamenstelling dezer organen—b. v. met het spinwerktuig bij de spin, met het zangorgaan bij den nachtegaal, met de kleinere hersenen bij den aap (die meer regelmatige kronkelingen en minder talrijke, in hunne omtrekken onderling meer overeenkomende schiereilanden hebben), met de grootere en zich vooral door een veel grooteren voorhoofdslap kenmerkende hersenen bij den mensch (waarvan de hemispheren de kleine hersenen geheel en al bedekken),—kan hieruit, wel is waar, het vermoeden ontstaan, dat insgelijks het menschelijk geslacht zoowel naar het ligchaam als naar den geest steeds tot hooger volkomenheid zal opklimmen, maar te gelijk volgt daaruit eene nieuwe bevestiging van mijne beschouwing: dat de mensch geen vrijen wil hebben kan.

Welligt zult gij hierop antwoorden dat het een denkbeeld zou moeten genoemd worden Gode onwaardig, indien men aannam dat hij de drijfkracht, de ziel is in gindschen aap, in den krokodil, in den vraatzuchtigen wolf of in den bloeddorstigen tijger; dat dezelfde God die hier in de gestalte eener barmhartige zuster met opofferende liefde een kranke verpleegt, of ginds in een Kant of Newton nadenkt over de wetten van het zuiver verstand, of over de zwaartekracht welke de gansche wereld beheerscht,—insgelijks in genen dief of moordenaar werkzaam is, die zijne bijl wet tot het plegen der roekelooze daad, of die in het nachtelijke duister bij zijn buurman inbreekt om hem te berooven, of in dien vijand des lichts die op den drievoudig gekroonden stoel te Rome zit en plannen smeedt om het menschelijke geslacht in onwetendheid te dompelen en in slavenboeijen te klinken;——dit toch zou geene wederlegging mijner beschouwing, hoogstens eene tegenwerping mogen heeten, waarop ik u onder anderen zou kunnen antwoorden, dat de tijger die het lam verscheurt, of de kat welke eene vreedzame muis van het leven berooft, indien zij over hunne handelwijze konden nadenken, zeer zekerlijk in hunne eigene oogen, even als in de onzen volkomen geregtvaardigd zouden zijn, dewijl de ijzeren natuurwet hen onweêrstaanbaar dwingt andere levende wezens te vermoorden, ten einde zelven in het leven te kunnen blijven en dat op gelijke wijze elke dief, of moordenaar, of bedrieger eene verontschuldiging voor zijne misdaad en voor het door hem gepleegde bedrog zou kunnen opgeven welke hem, althans bij gelegenheid van de volvoering der daad, in zijne eigene oogen regtvaardigt.

Er bestaat voor ons geene absolute mate van goed en kwaad, dewijl elke maatstaf dien wij ter hand kunnen nemen, slechts een vergelijkende of betrekkelijke maatstaf is, afhankelijk van den graad van beschaving dien wij hebben bereikt, van het standpunt waarop wij staan en van waar wij iets beoordeelen. Zelfs van het geloof aan een persoonlijken God kunt gij geen meer zekeren maatstaf ontleenen. Want stel, dat gij God van de natuur scheidt en hem als een koetsier op den bok laat zitten en de teugels der natuurwetten in Hoogstdeszelfs eigene handen nemen, ten einde de vele duizende krachten welke in de wereld werkzaam zijn, in hare behoorlijke baan te houden en voortdurend zelf te besturen: dan moet gij toch in elk geval toegeven dat deze God insgelijks den tijger bestuurt, zoomede den teugel des wolfs die met het lam in den bloedigen muil wegsnelt, in de hand houdt,—dat hij mede aan den moordenaar, aan den dief den weg wijst, of (indien gij dit liever wenscht te hooren) de teugels somwijlen loslaat, opdat de dief of moordenaar zijn eigen weg gaan en de misdaad bedrijven kan. Gij moet dan toch toestemmen dat uw persoonlijk regerende (almagtige) God het kwaad, het booze, de zonde, het ongeluk, b. v. het stranden en vergaan van een schip, aan boord waarvan zich 72 ten deele zeer onschuldige en goede menschen bevonden, toelaat.—En nu vraag ik u, heeft het niet volkomen dezelfde beteekenis, is het, wat den zin betreft, ten slotte niet volkomen hetzelfde, wanneer men zegt gelijk de Christenen doen: „de persoonlijk regerende, Almagtige God laat het booze toe, veroorlooft den tijger en den menschelijken booswicht te rooven en te moorden,”—of wanneer men zegt gelijk broeder Avondrood doet: „de tijger, de moordenaar is God zelf, dat wil zeggen eene vereeniging der wereldziel met verschillendsoortig gevormde stof.”— —?

Dat echter de kracht niet gescheiden kan worden van de stof en de uit de natuur verdrevene God der Christenen slechts in hunne verbeelding bestaat, heb ik reeds aangeduid. Deze Christelijke God is in der daad niets anders dan de mensch, voorgesteld als buiten zich zelven te staan:—eene som van menschelijke eigenschappen, die men zich in eene oneindige volkomenheid denkt en versiert met den titel van al-magtig, al-goed, al-wijs. Er kan evenmin een God zijn zonder wereld, als eene kracht zonder stoffelijken drager. Even als het wezen van elk afzonderlijk ding de som zijner eigenschappen is, zoo kan God niets anders zijn dan de som van de eigenschappen der natuur, dat is het wezen der natuur, of met andere woorden de natuur zelve.

Vele menschen vormen zich van datgene ’t welk men het „wezen” van iets noemt, de wonderlijkste, verwardste denkbeelden. Het zal misschien niet ongepast, maar in tegendeel hier de regte plaats zijn om aan te toonen, zoo als reeds Spinoza heeft geleerd, dat het wezen van iets niet anders is dan de som zijner eigenschappen. Ten einde dit te bewijzen, moeten wij datgene hetwelk gewoonlijk stof, materie wordt geheeten, wat van naderbij en grondiger beschouwen en ik verzoek u, waarde broeders, mij tot dat einde nog gedurende eenige oogenblikken uwe aandacht te willen verleenen.

Ontleden wij dit begrip „stof” en kiezen wij tot voorwerp van ons onderzoek eenig ligchaam naar welgevallen, welks eigenschappen ons het best bekend zijn, b. v. het papier waarop wij schrijven, dezen inktkoker met hetgeen hij bevat, of een billardbal, eene ijzeren staaf, of dit stuk gemunt goud dat ik hier in de hand heb.

Dit goud heeft de navolgende eigenschappen, welke ik door middel van mijne zintuigen deels regtstreeks kan waarnemen, ten deele eerst na in het werk gestelde proefnemingen kan leeren kennen. Het heeft—1o. uitgebreidheid, volumen, dat wil zeggen het beslaat eene zekere ruimte, waarin zich te gelijkertijd geen ander ligchaam bevinden kan; het is, zoo als de natuurkundigen zeggen, „ondoordringbaar.” Zijne kleinste deelen worden door „cohaesiekracht” aan elkander gehouden.—2o. Het bezit logheid (traagheid, vermogen om weêrstand te bieden), dat wil zeggen, het kan geene verandering in zijn toestand te weeg brengen uit zich zelf; er is eene buiten hetzelve liggende oorzaak noodig om het te veranderen b. v. uit den toestand van rust in beweging te brengen.—3o. Het bezit de eigenschap (ten gevolge van den invloed van andere oorzaken) om zijn volumen te veranderen, namelijk, nu eene grootere, dan weder eene kleinere ruimte te beslaan; het laat zich tot in zekere mate zamendrukken en door middel van warmte uitzetten; een hoogen graad van warmte geeft aan de kleinste deeltjes „uitzettingskracht,” ten gevolge waarvan hun aggregatie-toestand verandert en het metaal vloeibaar, ja, zelfs gedeeltelijk dampvormig wordt.—4o. Het beslaat de ruimte welke het inneemt, niettegenstaande zijne digtheid, niet volkomen gelijkmatig, maar is vol van uiterst kleine (onzigtbare) tusschenruimten, waarin vreemdsoortige stoffen eene plaats kunnen vinden, door welke b. v. water kan heendringen, wanneer men een met water gevulden gouden kogel aan eene zeer zware drukking blootstelt; het is derhalve poreus.—5o. Het is in kleine en immer kleinere deelen deelbaar, welke eindelijk zoo klein zijn dat zelfs het sterkst gewapende oog ze zinnelijk niet meer kan waarnemen en dat het bestaan er van als „atomen” slechts gedacht kan worden.—6o. Het is zwaar, dat wil zeggen, het bezit de neiging om naar het middenpunt der aarde te vallen, welke laatste benevens de vroeger genoemde eigenschappen het gemeenschappelijk met alle andere ligchamen, dat is met de stof in het algemeen bezit.

Buitendien heeft het nog een aantal eigendommelijke eigenschappen, waardoor het zich van alle andere ligchamen onderscheidt. Het heeft een soortelijk gewigt en is (bij nul graad temperatuur) 19 ​3⁄10​ maal zwaarder dan een gelijk volumen van gedestilleerd water, dat wil zeggen, de graad zijner digtheid of massa is zoo vele malen (19,325) meer dan van water.—7o. Indien de gewigtsverhouding (het zoogenaamde chemische aequivalent) van de waterstof gelijk 1 gesteld wordt, dan heeft het de eigenschap zich in de gewigtsverhouding van 196,4 met andere stoffen b. v. met chloor te vereenigen. Het aequivalent van chloor is 35,5 en met even vele gewigtsdeelen (grein, lood) verbinden zich ten allen tijde 196,4 en nimmer een grooter, nimmer een kleiner aantal gewigtsdeelen (grein, lood, enz.) goud tot enkelvoudig chloorgoud en evenzoo verbindt zich driemaal zooveel chloor met hetzelfde aequivalent (196,4) goud tot drievoudig chloorgoud.—8o. Deze eigenschap om zich met chloor tot drievoudig chloorgoud te verbinden, openbaart zich wanneer men het in koningswater (een mengsel van chloorwaterstof- en salpeterzuur) oplost; dan vormt het eene geele vloeistof, die geene der vroeger genoemde en volgende eigenschappen van het goud meer bezit en waaruit enkelvoudig chloorgoud, zoomede andere verbindingen en deze wederom met verschillende eigenschappen daargesteld kunnen worden. Alle andere zuren echter, zoomede zwavel oefenen er geenen invloed op uit, evenmin als de zuurstof des dampkrings, waardoor het niet aangedaan wordt; het roest niet en behoudt voortdurend zijn glans.—9o. Het is een goede geleider van warmte en van electriciteit. Zijne soortelijke warmte (warmtecapaciteit) bedraagt 0,0324, dat wil zeggen, indien de hoeveelheid water welke vereischt wordt, om een gelijke gewigtshoeveelheid water van nul graad tot op 1° temperatuur te verwarmen, gelijk 1 gesteld wordt, dan is deze hoeveelheid voor het goud slechts 0,0324.—10o. Het smelt bij sterke witgloeihitte (van ongeveer 1200° C.) en wordt, indien de stroom eener sterke electrische batterij door een gouddraad wordt ontladen, zelfs dampvormig. Bij het verkoelen kristalliseert het in teerlingvorm.—11o. Het bezit de hoogste mate van rekbaarheid, meer dan elk ander metaal en laat zich door hameren tot zeer dunne blaadjes slaan. Het is minder vast dan ijzer, vaster dan lood en wordt in den vorm van een draad ter dikte van 2 millimeters eerst door een gewigt van 68 pond Nederlandsch van elkander gescheiden.—12o. Het heeft een sterken glans, is ondoorzigtbaar en heeft de eigenschap die lichtstralen terug te kaatsen, welke ons geel toeschijnen.

De som dezer eigenschappen is het wezen van het goud. Stellen wij ons nu voor, dat deze eigenschappen, de eene na de andere, aan het goud worden ontnomen, wat blijft er dan van het goud over?—Antwoord: geen GOUD, derhalve niets, volstrekt niets.—Ontnemen wij er b. v. de twaalfde eigenschap aan en stellen wij ons voor, dat het goud de eigenschap: lichtstralen terug te kaatsen, volstrekt niet bezit, dan zou het noch geel zijn, noch eene andere kleur hebben, maar daarentegen doorzigtig wezen gelijk de lucht, derhalve voor ons volkomen onzigtbaar;—nemen wij verder voor den oogenblik aan dat zijne onder no. 6 opgetelde eigenschap: met een gewigt 19 malen zwaarder dan water, naar het middenpunt der aarde te drukken,—zoomede zijne 1ste eigenschap, de z.g. cohaesie, de kracht van zamenhang zijner kleinste deeltjes, waardoor het zijne bepaalde grenzen en ondoordringbaarheid behoudt, niet aanwezig zijn,—dan zou het stukje goud uit mijne hand spoorloos verdwijnen, dewijl al de andere negen eigenschappen slechts in verband met de drie opgenoemden denkbaar zijn, met welke zij juist die constante som uitmaken, welke wij gewoon zijn massief of regulinisch goud te noemen.—Indien ik op gelijke wijze de eigenschappen, welke dit stukje ijzer bezit, of de eigenschappen van den phosphorus in mijne verbeelding er aan ontneem b. v. zijne geringe zwaarte (=1,77), zijne gemakkelijke smeltbaarheid (reeds bij 44,2°), zijne doorschijnendheid, kleurloosheid (of geelachtige kleur), zijne groote verwantschap met de zuurstof der lucht, ten gevolge waarvan hij voortdurend is omringd met een rook welke in de duisternis licht van zich geeft, wanneer hij aan den invloed des dampkrings is blootgesteld, zijne gemakkelijke ontvlambaarheid, enz.,—wat blijft er dan van den phosphorus over?—Natuurlijk: geen phosphorus, derhalve algemeen genomen geene stof, d. i. niets.

Op gelijke wijze kunnen wij alle in het gemeene leven zoogenaamde stoffen of ligchamen, zoowel enkelvoudigen als zamengestelden, bewerktuigden als onbewerktuigden aan onze beschouwing onderwerpen, die ons allen, zonder eene enkele uitzondering, dezelfde slotsom zullen opleveren: dat er, in den eigenlijken zin, volstrekt geene stof bestaat, dewijl alles dat ons als stof of als eene zekere soort van stof voorkomt, slechts de hoeveelheid of de som van een bepaald, hetzij grooter of kleiner getal eigenschappen is, die bij hare ontmoeting met andere tegengestelde eigenschappen (z. g. stoffen) nieuwe eigenschappen ontwikkelen en zich daardoor als kracht, als bewegingsverschijnsel laten waarnemen.—De stelling derhalve dat geene kracht bestaat welke niet aan stof is gebonden, is eene onomstootelijke waarheid, dewijl al hetgeen wij tot ons gemak in het gewone leven stof noemen en waaraan wij verschillende benamingen geven, niet anders is dan het product van eigenschappen, die onderling in verbinding tot elkander zijn getreden en haren invloed gelijktijdig uitoefenen, waardoor zij zich als „stof” aan onze zintuigen voordoen. Eene som van dergelijke zamenwerkende eigenschappen zijn b. v. ook de 62 z. g. enkelvoudige stoffen of elementen der scheikundigen elk afzonderlijk. Sommigen hunner eigenschappen, zoo als vorm (omvang, uitgestrektheid), kleur, zwaarte, warmte laten zich door ons regtstreeks waarnemen, dat wil zeggen, onder den invloed der algemeen heerschende krachten waaronder wij in den dampkring leven; anderen komen ten deele eerst te voorschijn bij hare ontmoeting van vreemde eigenschappen („aanraking met andere stoffen”) b.v. eenige van de eigenschappen welke wij kalium heeten, zoodra zij in aanraking komen met de som van eigenschappen welke water wordt geheeten,—of wanneer het geheel der eigenschappen genaamd zink, in aanraking komt met de som van eigenschappen, geheeten verdund zwavelzuur, enz.

In het dagelijksche leven, het is waar, wordt algemeen de stof op een gansch andere wijze beschouwd, welke door eene langdurige misleiding ons tot gewoonte is geworden. Men beoordeelt haar juist als ware zij het eenige dat positief aanwezig is en geeft aan al de vereenigingen van gelijktijdige eigenschappen, welke zich onder de gewone omstandigheden niet veranderen of die slechts zeer langzaam eene verandering ondergaan b. v. aan ijzer of hout, zoo lang als aan een eigendommelijk ligchaam of stof eene afzonderlijke benaming, totdat het ijzer in roest is overgegaan, of het hout tot koolzuur, water en asch is verbrand geworden. Deze benamingen mogen kortheidshalve voor het geheel der telkens aanwezige gelijktijdige eigenschappen volstrekt onontbeerlijk worden geacht.

Het gaat echter den scheikundige die, om te wegen, vóór zijne schaal zit, met deze zoogenaamde stoffen volkomen op dezelfde wijze, als den criminelen regter voor wien het wetboek ligt opengeslagen, met den vrijen wil der menschen. Gene schrijft stof toe aan elke vereeniging van eigenschappen welke de schaal zijner balans naar de aarde doet neigen, derhalve zwaarte heeft,—deze vrijen wil aan elken mensch die tegen de wet heeft gezondigd. De zwaartekracht is echter evenmin een bewijs van het aanwezen van stof, als de zonde van vrijen wil. Want de zwaarte is ten duidelijkste niets anders dan eene eigenschap, eene betrekking tot een middenpunt in het heelal, welke zich kan openbaren in verband of in zamenwerking met eene grootere of geringere menigte andere eigenschappen, b. v. met die welke wij lood, staal, steen noemen, maar die niet noodzakelijk met alle eigenschappen zich gelijktijdig behoeft te uiten, die b. v. met de eigenschappen genaamd licht, warmte, electriciteit, magnetismus niet verbonden is.—Zonderling toch dat de natuurkundigen juist op grond hiervan en in tegenspraak met zich zelven deze eigenschappen „onweegbare stoffen!” noemden, niettegenstaande zij toch, even als de zwaarte, slechts bewegingsverschijnselen d. i. eigenschappen zijn. Andere geleerden scherpten hun verstand, om tegenover de leer der zoogenaamde materialisten, iets geestelijks in de natuur te ontdekken. Zonderbare misleiding! Geest wordt allerwege gevonden, maar het is de stof, welke ontbreekt en zeer moeijelijk, ja, onmogelijk mag het geacht worden, het bestaan van stof, van materie in absoluten zin te bewijzen.

Indien er werkelijk stof of stoffen bestonden en zij niet uitsluitend betrekkelijkerwijze tot onze zinnelijk grove opvatting voorhanden waren, dan moesten hare eigenschappen ook onder alle omstandigheden steeds dezelfden blijven. Wanneer ik echter een stuk kalium op het water leg, dat binnen weinige oogenblikken voor mijne oogen spoorloos verdwijnt (dewijl het zich met de zuurstof van het water verbindt, het gevormde kalihydraat in het water wordt opgelost en de vrij geworden waterstof verbrandt),—of wanneer ik 4 deelen zwavel met 25 deelen kwik dooreenwrijf en dan deze beide zie veranderen in zwart kwikzilvermoor dat, door sublimatie, weder wordt omgezet in vermiljoen, hetwelk ik tot in de allerfijnste deelen kan verdeelen en tot poeder maken, zonder dat ik in staat zal zijn iets anders dan vermiljoen of ook slechts een enkel der vorige zwavel- of kwikdeeltjes weder te ontdekken,—moet ik dan hieruit niet tot het besluit komen dat de voormalige toestanden, als kalium, zwavel en kwik, geene werkelijke materie zijn geweest, maar slechts eene hoeveelheid eigenschappen die, in strijd gerakende met andere tegengestelde eigenschappen, hare vroegere eigenschappen moesten afleggen, terwijl zich in de plaats daarvan nieuwe, tot dusverre sluimerende eigenschappen ontwikkelden.

Hierop zullen welligt vele scheikundigen antwoorden: ongetwijfeld veranderen deze stoffen haren vorm en hare eigenschappen wanneer zij zich met andere stoffen verbinden, dewijl dan eene nieuwe stof ontstaat welke wederom andere vormen en eigenschappen heeft; voor elke soort van stof echter is vorm en eigenschap even onveranderlijk als de gewigtshoeveelheden (aequivalenten) constant zijn, waaronder zij zich verbinden;—maar waarmede, vraag ik weder, verbindt zich dan de phosphorus—eene enkelvoudige stof—wanneer hij in de luchtledige ruimte (geheel en al afgesloten van elke aanraking met de zuurstof der lucht en van alle andere stoffen), alléén doordien de zon er op schijnt of eene sterke hitte zijn invloed er op uitoefent, voor het oog des beschouwers wordt omgezet in een karmijnrood poeder, dat niet vergiftig is en in het algemeen geheel andere eigenschappen bezit dan de phosphorus, welke echter (na herhaalde destillatie in eene koolzuur-atmospheer) weder op nieuw en zonder verlies van gewigt in denzelfden kleurloozen en vergiftigen phosphorus met al zijne eigenschappen overgaat? Zou men ook deze verschijnselen stof mogen noemen?—Onmogelijk; want dan zou het bewijs zijn geleverd dat eene stof, eene enkelvoudige stof gelijk de phosphorus, kan overgaan in eene andere welke geheel verschillende eigenschappen bezit, en dat deze tweede stof zich op nieuw kan herscheppen in de eerste met alle eigenschappen die zij vroeger had, zonder dat er iets aan toegevoegd of van verloren geraakt is. Wie toch zou het karmijnroode, onschadelijke poeder, den zoogenaamden amorphen phosphorus als identiek beschouwen met de halfdoorsnijdende, kleurlooze, ligt ontbrandbare, in de lucht rookende en in het donker licht gevende, hoogst vergiftige zelfstandigheid, welke wij gewonen phosphorus noemen, indien hij den overgang van het eene in het andere niet had waargenomen en zulks niet elken dag in zijn laboratorium kon waarnemen?

Wij moeten derhalve aannemen, dat geene onveranderlijke, derhalve volstrekt geene stof in de natuur aanwezig is en dat wij overal slechts verschijnselen, eigenschappen zien, welke door andere eigenschappen, gelijk hier bij den phosphorus door het licht of de warmte, in het leven geroepen, of vernietigd d. i. aan de zinnelijke waarneming onttogen worden.

Dewijl echter deze verschijnselen, d. i. het verband tusschen zekere bijéén behoorende, gelijktijdig werkende eigenschappen steeds naar vaste wetten wederkeeren en zelfs in de grootste veranderingen, in de werking der meest mogelijke hoeveelheid eigenschappen welke een wederkeerigen invloed op elkander uitoefenen, zich dergelijke vaste wetten laten waarnemen, stelt men zich deze eigenschappen voor als aan „stof” gebonden; men neemt het bestaan van kleinste of oneindig kleine deeltjes van deze stof aan, welke men atomen heet en verklaart de verschillende eigenschappen dier ligchamen, welke scheikundig op gelijke wijze zijn zamengesteld, b. v. der beide vroeger bedoelde toestanden van de zoogenaamde enkelvoudige stof phosphorus, zoomede van vele zamengestelde (der zoogenaamde isomere) ligchamen hypothetisch door eene „verschillende ligwijze” dezer atomen.

Hoedanig deze wijze van beschouwing ook in tegenspraak moge zijn met de alledaagsche opvatting der zaak, kan men zich echter gemakkelijk van hare waarheid overtuigen, en zelfs met betrekking tot die eigenschap der zoogenaamde ligchamen, welke het aanwezig zijn van stof op het handtastelijkste schijnt te bewijzen, namelijk de uitgebreidheid, het volumen der ligchamen en den tegenstand welken zij bieden aan een vreemd daarop invloed uitoefenend ligchaam, b. v. mijn vinger, mijne hand. (Ik wil hier niet spreken van de oorspronkelijk lucht- of gasvormige ligchamen en evenmin van het feit, dat alle druipbare, ja de meeste vaste ligchamen door hitte gasvormig kunnen gemaakt worden, maar heb hier uitsluitend het oog op de werktuigelijke deelbaarheid der vaste ligchamen.) In deze hand heb ik een stuk zwavel, goud, krijt of kamfer, of een stuk muskus en noem dit stuk zwavel of muskus een ligchaam, eene stof. Deze stof kan ik echter voortdurend in kleinere deelen verdeelen welke eindelijk, indien ik voortga ze fijn te wrijven, zoo klein worden, dat ik ze met het bloote oog niet meer kan zien en ze alleen nog door middel van de sterkste vergrootglazen kan waarnemen. Deze kleinste, microscopische deeltjes kan ik slechts om die reden niet verder verdeelen, dewijl mijne hand en mijne werktuigen te grof zijn om de verdeeling onder het microscoop nog verder voort te zetten.—Elk deeltje bezit nog steeds de eigenschap van zwavel, of van muskus.—Dat de verdeeling echter nog veel verder kan gaan, bewijst de muskus die gedurende een gansch jaar in mijne kamer kan liggen zonder van gewigt te verminderen en toch de geheele kamer met den bekenden, hem eigenaardigen reuk vervult. Deze in de lucht zwevende muskusdeeltjes kan ik zelfs met de sterkste vergrootglazen niet meer waarnemen. Er bestaat echter noch eene natuurlijke, noch eene logische reden, om te veronderstellen dat deze in de lucht zwevende deeltjes, wier aanwezen slechts en uitsluitend nog door middel der reukzenuwen kan worden waargenomen, niet nog verder, ja tot in het oneindige kunnen verdeeld worden, zoodat zij ten laatste nog slechts wiskunstige punten zijn.—Euclides reeds verklaarde het geometrische punt te zijn datgeen, hetwelk geene deelen, of GEENE UITGEBREIDHEID heeft.

Indien er nu geene stof bestaat en het wezen van iets de som is zijner eigenschappen, hoe kan God dan iets anders zijn dan voor zich zelven: het eeuwige bewustzijn, en voor ons: de som of het totaal van alle eigenschappen der natuur?—Twee zijner eigenschappen zijn ruimte en tijd, in en door welke hij zijne gedachten tot werkelijkheid maakt. Deze gedachten zijn de verschijnselen in de natuur. Wij zijn slechts eene van deze verschijnselen, hoewel wij de slotsom van millioenen maal millioenen zamenwerkende, doch verschillende eigenschappen mogen genoemd worden. Wij zijn de buiten zich zelven geplaatste God, waarin de groote wereld der verschijnselen zich in het kleine terugkaatst,—waarin God zich als het ware ten tweede male denkt.

Indien dit nu werkelijk zoodanig is, hoe kunnen wij dan een vrijen wil hebben?

Hoewel de leer der atomen eene hypothese is welke ons tot tegenstrijdigheden verleidt, zoo heeft zij onze chemische kennis niettemin buitengemeen bevorderd. Men zal derhalve voorloopig de atomen in de scheikundige theoriën evenzeer moeten behouden, als men in het empirische leven, ter meer gemakkelijke opvatting van de verschijnselen, zal voortgaan om alle bestendig voorkomende vereenigingen van zekere eigenschappen stof te noemen en daaraan afzonderlijke benamingen te geven, zoo als goud, suiker, zetmeel, hout, enz.—In dien zin zal ook ik mij in het vervolg van deze uitdrukkingen blijven bedienen.

Vergunt mij ten slotte nog met een enkel woord te spreken van de groote moeijelijkheid, waarmede de natuuronderzoeker heeft te kampen bij de buitengewoon groote menigvuldigheid van het organische leven, ten einde de levensverschijnselen, zoomede den rijkdom aan gestalten van de planten- en dierenwereld uit de algemeen bekende, chemische en physische krachten te verklaren. Reeds bij den aanvang mijner voordragt heb ik op deze moeijelijkheid gewezen, welke ten duidelijkste haren oorsprong heeft in het groote aantal gelijktijdig werkzame krachten. Het physische leven van het organismus op zich zelf beschouwd (als iets gegevens) laat zich, wel is waar, uit de ter bedoelde plaats (zie vroeger bladzijde 317) opgenoemde, allerwege met de stof verbreide krachten verklaren, zonder dat men andere zoogenaamde typische of eigendommelijke levenskrachten welke van de onorganische natuur verschillen, behoeft aan te nemen; waarom echter het leven der verschillende organismen slechts tijdelijk van duur is, en dit bij elke afzonderlijke soort op een onderscheidenen, vast bepaalden (gemiddelden) tijd ophoudt, laat zich daaruit evenmin verklaren,—als de bijzondere vorm welke elk der 100,000 planten- en 130,000 diersoorten bezit die tot heden beschreven zijn geworden, daaruit kan worden afgeleid, en welke toch allen, niettegenstaande het groote onderscheid in haren vorm en de afwijkende, menigwerf wonderbare structuur van de menigte harer organen, uit dezelfde grondstoffen, bij de werking van dezelfde physische en chemische krachten zijn ontstaan.

Moest dan in de atomen der elementen, welke de eiwitstof of den dojer van het vrouwelijke ei uitmaken (vergelijk de analysen die lager worden gevonden) het streven niet liggen,—dat door de werking van het mannelijke zaad bij de zoogenaamde bevruchting d. i. wezenlijk door het indringen der spermatozoiden in den dojer eerst gewekt of werkzaam gemaakt wordt en waarbij de gelijktijdige gunstige invloed van algemeene natuurkrachten b. v. van een bepaalden gemiddelden (noch te hoogen, noch te lagen) warmtegraad, als noodzakelijke voorwaarde wordt aangenomen,—moest dan in deze atomen niet het harmonisch streven zijn gelegen, om bij voortdurenden toevoer van gelijke stoffen (als eiwit, bloed) een dierlijk of menschelijk ligchaam met al zijne deelen te vormen,—hier een oog of een oor (beide zoo wondervol, schijnbaar zaâmgesteld en toch zoo eenvoudig van inrigting!) te doen ontstaan, elders zich tot eene spier of eene long, eene zenuw of een borstbeen te vereenigen,—uit een bepaald aantal spieren, beenderen, pezen, aderen en zenuwen een arm, eene hand met vingers te maken en al deze deelen en organen in het behoorlijke aantal, ter behoorlijker plaats daar te stellen, zoomede in de vereischte verhouding der duizenden van cellen, vezelen, membranen, aderen en zenuwen, waaruit zij bestaan!—en deze wondervolle kracht zou in de chemische stoffen, in de atomen liggen!

In eenige atomen zuurstof, kali, phosphorus of zwavel, welke dit hoenderei meer bezit dan het gindsche (waarvan het echter in zulk eene geringe mate verschilt, dat men door middel van een scheikundig onderzoek niet in staat is eenig onderscheid tusschen beiden aan te toonen) zou het vermogen zijn gelegen, om de geheel verschillende geslachtsorganen van den haan met kam, sporen en prachtig gevederte te voorschijn te brengen,—terwijl de afwezigheid van dit paar atomen aan het andere ei dat in hetzelfde nest uitgebroeid wordt, de kracht geeft om eene hen te doen ontstaan, welke weder geheel verschillend gevormde geslachtsdeelen, ander gevederte bezit dan de haan en sporen noch kam heeft,—ja terwijl misschien bij eene gelijke percentsgewijze verhouding der bestanddeelen in een kalkoenenei een geheel ander dier: een kalkoensche haan of hen wordt uitgebroeid.

Ten einde aan de lezers die zich niet bijzonder hebben bezig gehouden met de beoefening der chemie, een denkbeeld te geven van de groote menigte krachten welke gelijktijdig in het organismus werkzaam zijn, van het ingewikkelde zamenstel van schijnbaar zoo eenvoudige stoffen als dojer en eiwit, deel ik de volgende analysen mede. (Van het mannelijke zaad ontbreken naauwkeurige chemische analysen nog bijna geheel en al.)

Het eiwit bestaat uit stikstof, koolstof, waterstof en zuurstof, ongeveer in die verhouding als in Mulder’s oude proteïnformule is uitgedrukt: N5 C40 H30 O12, waarbij echter naar gelang van de verschillende soorten van eiwit in het dieren- en plantenrijk nog eene grootere of geringere hoeveelheid zwavel, ook phosphorus en nog meer of minder zuurstof komt.

Honderd deelen dojer zijn volgens Gobley in het kippen- en in het karperei (welke laatsten uitsluitend uit dojer, zonder eiwit bestaan) zaâmgesteld uit:

Kippenei. Karperei.

Vitelline 15,76 14,08

Margarine en Elaïne 21,30 2,57

Cholesterine 0,44 0,27

Lecithine 8,43 3,04

Cerebrine 0,30 0,20

Chloorammonium 0,03 0,04

Chloornatrium en Chloorkalium 0,28 0,45

Zwavelzure kali 0,28 0,04

Phosphorzure kali 0,04

Phosphorzuren kalk en phosphorzure magnesia 1,02 0,29

Alcoholextract 0,40 0,39

Vliezen 14,53

Kleurstof, sporen van ijzer, enz. 0,55 0,03

Water 51,49 64,08

En in honderd deelen asch werden gevonden:

IN DEN DOJER. IN HET EIWIT.

door Poleck. door Weber. door Poleck. door Weber.

Kali 8,93 10,90 2,36 27,66

Natron 5,12 1,08 23,04 12,09

Chloorkalium 41,29

Chloornatrium 9,12 9,16 39,30

Kalk 12,21 13,62 1,74 2,90

Magnesia 2,07 2,20 1,60 2,70

IJzeroxyde 1,45 2,30 0,44 0,54

Phosphorzuur 63,81 60,16 4,83 3,16

Phosphorzuurhydraat 5,72

Zwavelzuur 2,63 1,70

Kieselzuur 0,55 0,62 0,49 0,28

Koolzuur 11,60 9,67

Wanneer wij het als mogelijk moeten beschouwen, dat de hersenen van een orthodoxen pastoor die vóór 500 jaren over Gods moeder, Gods vader of over de hemelvaart van Gods zoon predikte, uit dezelfde stofdeelen, of althans grootendeels uit dezelfde atomen zuur-, water-, kool- en stikstof, phosphorus, natron, kali en kalk bestonden, die deels tot water, deels tot meer zaâmgestelde vet- en eiwitachtige verbindingen (als elaïne, oliezuur, oliephosphoruszuur, margarinezuur, cholesterine, cerebrinezuur, enz.) zaâmgegroepeerd waren en welke heden (juist in dergelijke verbindingen) de geheel anders denkende hersenen van den wijsgeer Feuerbach vormen, nadat zij vóór 176 jaren reeds hadden medegewerkt tot het daarstellen van den „ketterschen” kop van Spinoza,—dan moeten wij het insgelijks als mogelijk beschouwen dat het ons eenmaal zal gelukken, niettegenstaande de algemeene overeenstemming welke in de genoemde verbindingen heerscht, een onderscheid in de chemische zamenstelling der verschillende individuele hersenen te ontdekken en daaruit de onderscheidene rigtingen van gedachten der vele millioenen menschen, die gelijktijdig op aarde leven en na elkander geleefd hebben, uit de stof te verklaren. Wij durven deze hoop voeden, hoewel onder al deze millioenen welligt slechts enkele individuen worden aangetroffen die, zelfs bij schijnbaar gelijke uitwendige omstandigheden waarin zij leven, in de rigting hunner gedachten, zoomede in de trekken huns karakters en in den uitwendigen vorm des ligchaams volkomen met elkander overeenkomen. Verschil in menging, eene geringe hoeveelheid van de eene stof in deze hersenen meer, in gene minder, eene andere combinatie der enkelvoudige stoffen tot zaâmgestelde verbindingen,—geringe afwijkingen in den vorm en in de grootte der hersenen, zoomede in de verhouding van de afzonderlijke deelen der hersenen tot elkander, deze zouden dan (in verband met verschillende indrukken door de buitenwereld te weeg gebragt) moeten beschouwd worden de oorzaken der verscheidenheid in de rigting der denkbeelden en de mate van geestvermogens dier millioenen van individuen.

Het kan niet onmogelijk zijn de wijze te ontdekken, waarop deze verschillende mengings- en vormtoestanden der hersenen in verband staan tot de geestvermogens bij de verschillende individuen en de stoffelijke wetten op te sporen, waarnaar algemeen genomen alle verschijnselen in de organische natuur zich zinnelijk openbaren;—het waarom? deze wetten echter juist zoodanig en niet anders werken,—waarom aan elke verschillendsoortige stofvereeniging een bepaalden vorm in het dieren-, in het planten- en in het mineraalrijk toebehoort en waarom zij ook telken male gepaard gaat met bepaalde, eigenaardige verschijnselen of levensverrigtingen, welke wij bij geen anderen vorm, geene andere stofcombinatie ontmoeten,— dit laatste waarom zullen wij nimmer doorgronden, maar altijd stuiten op iets dat ons onverklaarbaar is.

Noemt dit onbekende gelijk gij wilt; noemt het natuurnoodzakelijkheid, wereldziel, geest in de natuur, eeuwigen wil, eeuwig zelfbewustzijn; noemt het God!—wat toch doet de naam ter zake?—Maar dit onbekende dat op den helderen, lichten dag zich steeds openbaart op eene zoo geheimzinnige wijze, uitsluitend naar vaste wetten in, met en door deze raadselachtige atomen, welke datgene zaâmstellen hetwelk wij „stof” noemen,—het is verheven, het is wonderbaar en schoon!

NACHT. Niettegenstaande de gematigde slotsom welke gij ten laatste uit uw stelsel van natuur en God trekt, komt het mij niettemin huiveringwekkend, ja vreesselijk voor en ik wensch hartelijk dat het nimmer opgang vinde bij het publiek, dewijl het een verderfelijken invloed op de maatschappij zou kunnen uitoefenen. Hoe zou ik God als een rein, heilig, goed wezen kunnen vereeren, indien ik op uw voetspoor moest gelooven dat Hij bloeddorstig in gindschen tijger rondsluipt om buit te zoeken, of in dezen moordenaar woedt die zijns nabuurs vrouw en kind om het leven brengt, of diens huis in brand steekt ten einde hem te berooven of zich op hem te wreken?—Hoe durf ik dan den booswicht straffen? Wat zal ik hem antwoorden, wanneer hij zich met de door u verkondigde leer verontschuldigt en zegt: „ik werd door eene onweêrstaanbare kracht gedwongen te handelen gelijk ik deed;—deze mij beheerschende kracht zult gij waarschijnlijk uitgedrukt vinden in den vorm mijns schedels, waarmede ongetwijfeld de inwendige bouw en eene bepaalde scheikundige menging mijner hersenen overeenkomen; ik heb geen vrijen wil.”—Voert uwe leer niet regtstreeks naar het geestverdoovende geloof aan de voorbeschikking, aan het fatalismus, dat reeds zoo veel onheil heeft gesticht?

AVONDROOD. Waarde broeder! Indien gij u als geloovige Christen en met orthodoxe gestrengheid aan de zoogenaamde geopenbaarde godsdienst houdt, kan ik u met eene menigte bijbelplaatsen bewijzen dat gij dan evenzeer in den geest van Augustinus en Calvijn moest gelooven aan de praedestinatie. Ik wil mij echter niet beroepen op boeken of autoriteiten, maar uitsluitend op de natuur. Voor den natuuronderzoeker bestaat er evenmin een vrije wil, als een blind toeval, dewijl alles wat in de natuur geschiedt, wat de mensch verrigt en wat hij denkt, een noodzakelijk gevolg is van voorafgegane oorzaken. Ook de menschelijke wil is, zoo als ik op eene voldoende wijze vermeen te hebben bewezen, slechts een schakel in de keten van den noodzakelijken, door middel van oorzaken gevormden zamenhang der gebeurtenissen, niettegenstaande de oorzaken waarvan onze wilsuitingen het gevolg zijn, in tijdsorde menigwerf zoo verre verwijderd, of zoo verborgen zijn kunnen, of zoo zamengesteld en ingewikkeld van aard zijn, dat het ons niet altijd mogelijk is ze duidelijk te kunnen herkennen. Dit echter mag als zeker worden beschouwd dat gij, van het Christelijke dogma uitgaande, aan uwen persoonlijken, van de natuur gescheiden God althans de hoedanigheid der voorwetenschap moet toekennen en aannemen moet dat Hem alles, ook het verschrikkelijke, het booze, de misdaad welke is gepleegd, vooraf bekend was en dat hij zulks niet verhinderde, hoewel Hij „almagtig” is. Hetgeen ik reeds vroeger heb aangemerkt, behoef ik thans niet te herhalen: dat deze voorwetenschap en het niet verhinderen door den almagtigen God volkomen van gelijke beteekenis is te achten met het zelf verrigten der daad. Een menschelijk spreekwoord zegt: „de heler is zoo goed als de steler.”

NACHT. Gij dwaalt, broeder, indien gij mij beschouwt als een gedachteloozen naprater van de woorden des bijbels. Veroorloof mij u te zeggen, dat ik aan het blinde geloof der orthodoxe school reeds voor lang ben ontwassen. Ik acht de rede verheven boven het geschrevene woord, waaraan ik slechts dan geloof, wanneer het met de wetten van het redelijke denken niet in strijd is. Het dualismus van God en der natuur schijnt mij echter volstrekt noodzakelijk toe. Aan de onafhankelijkheid der ziel van de stof, aan den vrijen wil des menschen moet ik gelooven, dewijl anders aan de zedeleer hare wezenlijke, d.i. zedelijke grondslag geheel en al ontnomen wordt. De empirische maatstaf toch van het goede en het kwade welke gij hebt opgegeven, kan mij niet bevredigen.

Om de vrijheid van den menschelijken wil te redden, moeten wij de voorwetenschap aan God ontzeggen.

AVONDROOD. Wat?—dan verlaagt gij uwen God tot beneden den mensch! Wij menschen weten immers veel van hetgeen over tien, over honderd, ja over honderde jaren zal geschieden, vooraf te zeggen, namelijk al datgene hetwelk zich regelt naar natuurwetten die ons volkomen bekend zijn geworden!—En zou uw God deze natuurwetten minder goed kennen dan wij?—Geven wij niet voor elk jaar, alvorens het aanvangt, een sterrekundig jaarboek of zeemansalmanak uit, waarin de stand van alle planeten ten opzigte van elkander en van de zon, der trawanten ten opzigte van de planeten, zoomede de stand dezer hemelligchamen ten opzigte van de vaste sterren met betrekking tot onze aarde, voor elken dag des jaars, voor elk uur van den dag, voor elke minuut, seconde, ja voor een gering gedeelte eener seconde met juistheid vooraf wordt bekend gemaakt?—Weten wij niet, dat heden na 32 jaren, namelijk op den 19den Augustus 1887 eene totale zonsverduistering zal plaats hebben, en zijn wij niet in staat om voor elke plaats der aarde (waar zij zigtbaar zal zijn) naauwkeurig den tijd op te geven van den aanvang en van het einde der verduistering, zoomede de grootte en den vorm van het verduisterde gedeelte, benevens vele andere verschijnselen welke er mede gepaard zullen gaan?—Hebben de sterrekundigen dan niet even naauwkeurig als alle zons- en maansverduisteringen die zullen plaats grijpen, insgelijks den tijd van doorgang van Mercurius en Venus voor de zon honderden van jaren vooraf berekend!—Weten wij dan niet, dat de „morgen- en avondster” welke ons zoo menigwerf door haren helderen glans verheugt, op den 8sten December des jaars 2125—derhalve na verloop van 271 jaren—als eene kleine zwarte schijf voorbij de zon zal gaan, nadat zij te rekenen van 1874 tot op 2117 reeds vijfmaal datzelfde verschijnsel zal hebben opgeleverd?—Ja, heeft men zelfs niet de wetten ontdekt welke den loop regelen der kometen, die gedeeltelijk duizenden van jaren behoeven om hare banen te doorloopen, en het weder verschijnen der Olbersche komeet (welke in 1815 werd waargenomen) op den 9den Februarij 1887, zoomede naar de berekening van Bessel dat van de komeet van 1807 op de 33ste eeuw en dat van de komeet van 1811, naar Argelander, op het jaar 4700 na Christus niet vooraf gezegd?—Berekenden Leverrier en Adams de elementen niet van eene nog geheel onbekende planeet, duidden zij de plaats niet aan waar deze in het wereldruim zou zijn, niettegenstaande nog geen sterfelijk oog haar had gezien en zeiden zij niet vooraf, dat men haar daar zou vinden, ter plaatse waar men haar later werkelijk vond en Neptunus noemde?—Zijn wij zelfs de wetten niet op het spoor die zoowel op het physieke, als op het maatschappelijke leven des menschen invloed uitoefenen en naar welke wij het gemiddelde getal der toekomstige geboorten, sterfgevallen enz. leeren kennen, ja, welke ons in staat stellen met evenveel zekerheid vooraf te zeggen, dat op elke 650 personen in Frankrijk jaarlijks één zich aan misdrijf zal schuldig maken,—als wij de hoeveelheid regen naar duimen en strepen vooruit kunnen bepalen, welke in de eerstvolgende vijf jaren te ’s Gravenhage of te Utrecht zal vallen!—Zou uw God onwetender zijn dan de mensch? Zou hij de natuurwetten niet beter kennen dan wij en met behulp daarvan niet in staat zijn vooraf te kunnen zeggen, welke van die 650 personen de misdaad begaan en hoeveel regen dagelijks op elke plaats vallen zal?—Is het niet duidelijk dat ons onvermogen om het lot van elk bijzonder mensch, om de weêrsgesteldheid van elken afzonderlijken dag vooraf te kunnen opgeven, zijn grond heeft in het ingewikkelde der verschijnselen, in het groote aantal gelijktijdig werkende oorzaken, waardoor het heldere overzigt van de wetten die dit alles regeren, voor ons bemoeijelijkt of onmogelijk wordt gemaakt, dewijl toch het noodzakelijke gevolg, het eindresultaat, slechts uit de vastgeregelde zamenwerking van al deze oorzaken of krachten geboren wordt. Uit de volkomene en grondige kennis dezer wetten echter moet elke gebeurtenis in de natuur en in het menschelijke leven duizende jaren vooruit kunnen voorzegd worden. En deze gave der voorwetenschap welke de mensch in zekere mate bezit, ontzegt gij aan uwen God? Is dat niet ongeveer gelijkluidend met geheel en al het aanzijn van God te loochenen?

NACHT. Broeder, dit denkbeeld doet mij duizelen; gij voert mij naar een afgrond waarin ik vrees te verzinken.

MORGENROOD. Lieve Nacht! Ik ken den weg waar langs gij den afgrond kunt omgaan. Er voert slechts een enkele weg daarom heen. Volg mij en ik zal u geleiden naar de bloemrijke beemde, waar geen tweespalt heerscht en alles zich in harmonie oplost.

AVONDROOD. Vergunt mij vooraf nog een enkel woord hier bij te voegen. De wijsgeeren hebben reeds van den vroegsten tijd tot op Kant en van dezen tot op Hegel over den vrijen wil gestreden, maar de vraag is tot heden onopgelost gebleven. Wij zijn geene wijsgeeren, geene idealisten, maar natuuronderzoekers en behooren te trachten om de vraag die wij willen oplossen, ons vooraf zoo duidelijk en zoo eenvoudig mogelijk voor te stellen. Slechts een van deze beide gevallen kan waar zijn. Of (a) wij hebben een vrijen wil en daar deze slechts denkbaar is als de eigenschap eener zelfstandige, onsterfelijke ziel, moeten wij eene ziel hebben welke onafhankelijk is van de chemische en physieke krachten, die in onze hersenen en in de overige deelen onzes ligchaams werkzaam zijn.—Of (b) de aanwezige verschijnselen en opgedane ervaring veroorloven ons niet, aan het bestaan eener zoodanige onafhankelijke ziel te gelooven. Wij gelooven aan de werkzaamheid der chemische en physieke krachten in onze hersenen: maar dan kunnen wij geen vrijen wil hebben, omdat, gelijk gij zeer wel weet, deze chemische en physieke krachten aan onveranderlijke en onverbiddelijk gestrenge, consequente natuurwetten gehoorzamen.

Laat ons nu eens nagaan waarheen de eerste stelling a ons leidt. Wij zijn allen eenparig van gevoelen en moeten dit als natuuronderzoekers zijn, dat de dingen wel van vorm en zamenstel veranderen, maar dat geene nieuwe stof, geene nieuwe krachten kunnen geschapen worden. Derhalve kunnen ook onze zielen niet op nieuw geschapen zijn, maar moeten zij vroeger reeds onder een anderen vorm hebben bestaan. Om nu het aanwezen te verklaren dezer zelfstandige zielen welke van de naar vaste wetten werkende natuurkrachten onafhankelijk zijn en een vrijen wil zouden hebben, moeten wij toch het bestaan van een zielenvoorraad of eene zielenbron aannemen van waar zij (langs voor ons geheel onbekende wegen) in ons ligchaam zijn gekomen, derhalve eene algemeene ziel, eene wereldziel, een God. Van deze goddelijke ziel heeft zich een deel in ons uitgestort (hoewel ons onbekend is wanneer zulks plaats had, of dit geschiedde bij de bevruchting, in het embryo, bij de geboorte, of later?) en zich herschapen in eene bijzondere (individuële, menschelijke) ziel met bijzonderen vrijen wil. Maar vrijheid van wil en almagt moet toch bovenal de eigenschap zijn der algemeene ziel, dewijl zij zich in het weinigje stof waaruit wij bestaan, niet had kunnen overstorten, indien zij deze eigenschap niet bezat. Indien nu echter uwe zielen, zoomede de zielen van zoo vele millioenen andere menschen—elk afzonderlijk—haren eigen, onafhankelijken vrijen wil heeft, hoe kan God dan almagtig zijn en een vrijen wil hebben, uithoofde iets vrijs buiten hem,—uithoofde zoo vele milioenen afzonderlijke, van hem onafhankelijke gedeelten van vrijen wil aanwezig zijn?—Is deze veronderstelling niet ongerijmd, onbestaanbaar en leidt zij niet regtstreeks tot het geloof aan wonderen, ’t welk gij, broeder Dag, in uw evangelie met zoo veel klem hebt bestreden? Betaamt het ons, wier aanhoudend streven het is en moet zijn: de wetten na te speuren waarnaar de verschijnselen in de natuur zich regelen, aan dergelijke wonderen te gelooven? En in welke betrekking zou dan een dergelijke, van de natuur gescheiden, persoonlijke God staan tot de natuurkrachten en wetten? Zou hij misschien niet anders verrigten dan toezien en—zielen scheppen, namelijk scheppen zoodra de gelegenheid daartoe gekomen is, derhalve voortdurend oppassen en—zoo spoedig en zoo dikwerf het aan de natuurkrachten in het menschelijke ligchaam (zoomede vooraf aan twee exemplaren van den vrijen menschelijken wil) aangenaam is geweest, uit het vrouwelijke ei en het mannelijke zaad de vereischte stof daartoe te verschaffen, fluks van zijne zijde eene ziel in deze stof te scheppen en te zeggen, daar ziel, loop; ik wil dat gij zijt en na negen maanden vrijen wil hebt. Want dan zijt gij vrij en kunt uwes weegs gaan; maar geef acht, dat gij de vingers niet brandt; want allerwege om u heen zijn natuurkrachten werkzaam en deze bekommeren zich noch om u, noch om uwen vrijen wil.

b. Aan dergelijke wonderen kunnen wij niet gelooven, dewijl zij in strijd zijn met het verstand en met de waarneming, welke laatste leert dat de zielsvermogens van den mensch slechts van lieverlede in, met en door de stof—het ei, embryo, foetus, kind, jongeling en volwassen mensch—tot ontwikkeling komen. Er blijft ons derhalve niets over dan de tweede veronderstelling aan te nemen en God met de natuur te vereenzelvigen. Doen wij dit, dan kunnen wij—naar de stellige of absolute beteekenis van dit begrip—aan geen vrijen wil gelooven. Dit denkbeeld van vrijheid van wil is slechts een zelfbedrog, een waan, waarin de meeste menschen van de wieg tot aan het graf blijven voortleven.—Enkele diepdenkende personen hebben zich boven dien waan verheven en onderwerpen zich met tevredenheid aan den wil der natuur, die zich in hen doet gelden, ja, zij putten troost en opbeuring uit de gedachte: wij zijn slechts een deel van het eeuwige bewustzijn, aan stof gebonden, thans latent, maar zullen eenmaal weder vrij worden. Als individu hebben wij niets dat ons eigen toebehoort, behalve dit individuële bewustzijn (deze afspiegeling der gansche natuur is ons binnenste door middel onzer zintuigen), dat na onzen dood in de Godziel als herinnering zal voortleven.

NACHT. Uwe beschouwing is in strijd met mijn innigst gevoel. De grens tusschen zedelijke en physieke vrijheid wordt door u niet duidelijk getrokken; gij vermengt de eerste met de afhankelijkheid onzes ligchaams van de natuurkrachten, zonder in aanmerking te nemen dat de zedelijke vrijheid slechts afhangt van zedelijke beweegredenen en dat wij in dien zin—zedelijk—wel degelijk vrij moeten zijn.

AVONDROOD. Vergun mij dan, dat ik dit denkbeeld naauwkeuriger beschrijf.—De innerlijke opgewektheid, die wij begeerte, willen noemen, hangt af van indrukken van buiten of van inwendige aandoeningen die, gelijk het geval is met onze herinneringen, als een gevolg van uitwendige indrukken zijn overgebleven, van behoeften, gevoel, zoomede van het voorbeeld door anderen gegeven; zij kan derhalve niet vrij zijn. Ons blijft, wel is waar, de keuze over tusschen twee begeerten en de middelen ter harer bevrediging. Wij kunnen onze eigene begeerten besturen en beheerschen, en wanneer wij overleggen en eene keuze doen, daar schijnen wij ons zelven toe vrij te zijn. Maar eene andere vraag is deze: of wij de overleggingen, dan of de overleggingen ons beheerschen.—Ik geloof dat zij ons beheerschen. Want van waar toch komen de overleggingen? Wij zijn immers niets uit en door ons zelven, maar alleen datgene hetwelk natuur, opvoeding en lotgevallen ons hebben gemaakt. Reeds in het embryo ligt de kern van het karakter en den aanleg, waarmede wij ter wereld komen en waarvan de oorzaak moet gezocht worden in de verscheidenheid der oorspronkelijke stoffelijke menging;—hoe toch zou het anders mogelijk zijn, dat tweelingen van eene moeder menigwerf zoo geheel verschillend van elkander kunnen zijn van inborst en van aard? Opvoeding en doelmatige of verkeerde behandeling des ligchaams in het tijdperk van zijne ontwikkeling dragen later het hare daartoe bij, om de eigenaardigheden van het opwassende individu scherper of onduidelijker te voorschijn te doen treden. Maar noch de oorspronkelijke stoffelijke aanleg, noch de wijze van behandeling of van voeding des jeugdigen ligchaams, noch het stelsel waarnaar het kind wordt opgevoed, stonden ter keuze van het individu. Hij toch moest met blindheid zijn geslagen, die niet wilde inzien dat onze geestvermogens, onze inborst, onze denkwijze en ons karakter het product zijn der genoemde omstandigheden, welke de ontwikkeling van het individu beheerschen en waarop deze niet den geringsten invloed kan uitoefenen. Het zijn juist zulke oorzaken waarop onze keuze niet den geringsten invloed kan uitoefenen, waarnaar zich (veelal onbemerkbaar, dewijl er geen acht op geslagen wordt—) in rijperen leeftijd voortdurend onzen wil rigt. Uit dien hoofde moet, gelijk ik reeds vroeger heb aangemerkt, de maatstaf worden veranderd waarmede wij het goede en kwade meten en behoort deze zuiver menschelijk te zijn.—Herinnert gij u in de nieuwspapieren te hebben gelezen van den man die, uit eene ziekte hersteld, weder tevreden aan den arbeid zat,—tot hij eens plotseling in woede geraakte, zijne vrouw en kinderen vermoordde en zich zelven daarna op eene vreeselijke wijze om het leven bragt? Indien hij in het leven ware gebleven, zou de regter dan, op grond van zedelijke beweegredenen, hem van moord beschuldigen en als moordenaar hebben durven straffen? Was de moord aan zijne vrouw en kinderen gepleegd eene zoogenaamde daad van willekeur of eene onwillekeurige (of reflex-) beweging? Waar ligt de grens tusschen gezond van geest en krank van geest?

NACHT. Daarover behoort de geneeskundige te beslissen. Dergelijke gevallen, waarvan gij zoo even gesproken hebt, waar het moeijelijk is te beoordeelen of een individu gezond of ziek van geest is, kunnen van tijd tot tijd voorkomen. De gezonde echter—hieraan valt niet te twijfelen—heeft het volle bewustzijn van de beweegredenen zijner handelingen, of zij goed of kwaad, zedelijk of onzedelijk zijn. Niettegenstaande dat wilt gij thans ook den zedelijken wil des menschen als een noodzakelijk gevolg van oorzaken voorstellen, die niet weder kunnen beschouwd worden als zijn eigen wil, maar daarvan geheel onafhankelijk zijn!—Ik geloof daarentegen dat mijn eigen zedelijke wil, als eene eigenschap mijner ziel die mij door God werd geschonken, slechts van mijn zedelijk inzigt en niet, gelijk door u wordt beweerd, van de natuurwetten afhankelijk is. Want het zedelijke willen is geene natuurwet, maar eene taak, een ideaal, naar welks verwezenlijking de mensch moet streven. En juist, dewijl het ons mogelijk is dit ideaal meer en meer te naderen, kan de wil niet eenig en alléén het gevolg zijn van oorzaken die van buiten op ons werken, maar moet integendeel het gevolg zijn van eene innerlijke, aan wetten gebondene regelmaat van het geestelijke leven zelf.

AVONDROOD. Dat heet met andere woorden: „de oorzaak van den wil ligt in de vatbaarheid van het geestelijk leven om opgewekt te worden.”—Gij geeft daarmede toch tevens te kennen dat er innerlijke drijfveeren, oorzaken van den wil bestaan en dat is zeer juist, dewijl de meest bepaalde wil steeds het duidelijkst van zijne beweegredenen bewust, derhalve afhankelijk van beweegredenen is, d. i. van oorzaken die eerst vóór korten tijd of reeds vele jaren geleden op uw voor indrukken vatbare gemoed invloed kunnen hebben uitgeoefend, waarvan de indruk niet is uitgewischt. Zoodra nu gunstige omstandigheden zich vereenigen, die opwekkend zijn voor dezen indruk, zal hij zich als een gevolg dier vroegere oorzaken noodzakelijker wijze als wil! uiten.

NACHT. Het is moeijelijk om met u te redetwisten. Maar gij zult toch toegeven dat de wil niet in dier voege aan bepaalde beweegredenen is gebonden, dat niet ook andere oorzaken invloed daarop zouden kunnen uitoefenen?

MORGENROOD. Gij lacht en gij (Nacht) fronst het voorhoofd?—Zonderling; waarom redetwist gij toch! Het komt er immers in het practische leven juist niet zoo zeer op aan of de vrijheid van wil in absoluten, positiven zin genomen (met betrekking tot God en de natuur) bestaat, maar slechts of de mensch als verschijnsel met betrekking tot andere menschen dezen vrijen wil heeft en dit geloof ik volmondig toestemmend te moeten beantwoorden. Of de mensch eene daad a als zelfstandig vrij wezen, dan of b eene onbekende magt in hem de wilsuiting te weeg brengt, dit is den regter onverschillig. Daarnaar behoeft hij niet te vragen, dewijl hij zich noodzakelijker wijze in hetzelfde geval bevindt als de mensch over wien hij zal oordeelen, of in het geval a of in het geval b. De zederegter en wetgever grondt wel degelijk zijn regt om te beloonen of te straffen op de mate van toerekenbaarheid van het individu, niet op de mate waarin hij de mogelijkheid of onmogelijkheid van het bestaan des absoluut vrijen wils in aanmerking neemt, maar slechts in zoo verre als hij, om te beloonen of te straffen, noodig heeft ten eerste een persoon aan wien de wil als een zich zelfbewuste wil kan aangerekend worden, en ten tweede het bewijs dat op dit willen de daad waarover geoordeeld wordt, als voorbedachte daad is gevolgd.—Het is waar, ook hier loopen de grenzen tusschen met bewustheid en niet met bewustheid willen en handelen wederom zoodanig in een, dat het niet immer mogelijk is deze bepaaldelijk te kunnen onderscheiden. Derhalve zal elke milde wetgeving daarheen zijn gerigt: dat niet worde gestraft, waar geene verbetering meer mogelijk is, maar dat onschadelijk worde gemaakt, hetgeen voor de zamenleving verderfelijk zou kunnen worden.

AVONDROOD. Toegegeven, broeder! Op dit punt zijn wij de zaak eens. Van ouds her werd het als eene deugd der goede en verlichte vorsten beschouwd, dat zij de misdadigers genade schonken en de doodstraf slechts in zeldzame gevallen lieten voltrekken, wanneer de toestand der maatschappij dit vorderde of de openbare meening dit offer scheen te verlangen.

NACHT. Dit is eene stelling van uw systeem welke ik zou kunnen beamen, namelijk in zoo verre het wenschelijk is te achten dat de twijfel aan de mate van toerekenbaarheid der misdadigers den wetgever tot eene zachtere behandeling van hen stemme en zulks aanleiding geve tot afschaffing van alle barbaarsche straffen. Maar vreest gij dan niet dat, indien het niet-gelooven aan den vrijen wil algemeen verbreid en de afschrik verwekkende straffen geheel en al afgeschaft waren, de misdaden alsdan op eene onrustbarende wijze zouden toenemen?

MORGENROOD. Veroorloof mij op deze vraag te antwoorden. Ik vermeen mij overtuigd te mogen houden, dat ik in dit opzigt hetzelfde gevoelen ben toegedaan als broeder Avondrood en Dag. Vooreerst verzoek ik u uwe eigene ervaring te raadplegen en neem ik de vrijheid u te herinneren aan de feiten uit de geschiedenis.—Dit afschrikkingssysteem staat in dezelfde verhouding tot de voormalige wetgevingen, als de hel en het vagevuur tot de Christelijke kerk. Ik loochen niet dat de afschuw van straf en schande bij vele, niet zeer hartstogtelijke menschen eene beweegreden kan zijn, welke invloed op hunnen wil uitoefent en hen terug houdt van het plegen van misdaden. Uit dien hoofde acht ik het ook goed, dat onze wetboeken strafbepalingen stellen op het booze d. i. op datgene wat in strijd is met de eischen der maatschappij, wat een derde schadelijk is. Ik verhef mijne stem niet tegen de straffen in het algemeen, maar alleen tegen het doel ter afschrikking hetwelk in gruwzame en onmenschelijke straffen zou gelegen moeten zijn. Dat zij dit doel niet bereiken, heeft de geschiedenis ten klaarste bewezen. Elk gepleegde misdaad staat in eene regtstreeksche verhouding tot de hartstogt, welke den misdadiger tot het bedrijven er van aanzet. Daartegen kan geene afschrikking iets doen. Zoo lang de driften woeden, wordt elke straf veracht of er wordt volstrekt niet aan gedacht.

Bezat gedurende de middeneeuwen niet elke kleine stad hare galg en haar halsgerigt, waar gehangen, gevild, Met gloeijende tangen geknepen, gevierendeeld, geradbraakt en levend verbrand werd? En zijn wel ooit meer en vreesselijker misdaden bedreven; hebben de papen,—deze geestelijke Bothriocephali der menschheid—in eenig tijdperk der geschiedenis ooit erger gewoed dan destijds, toen halsgerigten en galgen even talrijk waren als kruizen en bidkapellen; toen het geloof aan hel en vagevuur als het eerste en gewigtigste leerstuk werd beschouwd, dat wel is waar de menschen niet afschrikte van het kwaad, maar niettemin een voortreffelijk lokaas was om de kelders der kloosters met wijnvaten en de buidels der bisschoppen met geld te vullen? Welke zedeloosheid heerschte destijds in alle rangen der maatschappij, welke snoodheden werden niet bedreven!—En zou juist het dagelijksche schouwspel der barbaarsche straffen, het voorbeeld der beulsknechten die in grooten getale op hunne schavotten werkzaam waren, niet hebben medegewerkt om de zedelijkheid onder de menschen nog lager te doen dalen, het gevoel te verstompen, hen gemeenzaam te maken met tooneelen van meedoogenlooze gruwzaamheid en daardoor het plegen van nieuwe misdaden voorbereid hebben?

Tegenwoordig wordt hoogstens nog een onnoozele boer gevonden die aan de hel en het vagevuur gelooft. Slechts hier en daar wordt nog een zwakke vorst aangetroffen die zich van de naar magt en invloed hakende Jezuiten laat wijs maken, dat slechts het uitzigt op den Christelijken hemel, op de eeuwige gelukzaligheid de hongerende armoede kan bedaren,—dat slechts de vrees voor hel en duivel de zucht tot oproer bedwingen en het „gepeupel”, de onwetende volksmassa in toom houden kan,—maar desniettemin (ja, ik geloof juist om die reden) zult gij vinden, dat het aantal misdaden sedert de middeneeuwen onder een gelijk aantal der bevolking in gelijke mate heeft afgenomen, als de beschaving, de verlichting zijn gestegen. Ja, ik durf als mijn innigste overtuiging hierbij voegen dat het aantal misdaden voortaan nog veel sneller zal afnemen, wanneer eenmaal eene redelijke godsdienst de tegenwoordige onzinnige geloofsleer zal hebben vervangen, wanneer eerst der papenspook, zoo als mis, biecht, enz. zal zijn afgeschaft en men zal aanvangen om de menschen, in plaats van ze schrik aan te jagen met hel en vagevuur, met menschenliefde te verheugen.

Het geloof der tegenwoordige wereld is in het algemeen slechts een schijnbaar geloof, een geloof dat niet gelooft hetgeen zij vermeent te gelooven; het is niets anders dan een besluiteloos, flaauw ongeloof,—hoe kan nu dit geloof een mensch dien driften vervoeren, van de misdaad terughouden? Het geloof aan het bestaan eener hel is toch geene overtuiging, doet steeds nieuwen twijfel ontstaan en wanneer de ure der beproeving is gekomen, wordt de misdaad gepleegd in spijt van de hel met al hare duivelen!—Ja, de ervaring heeft geleerd, dat de domste menschen die het blindste geloof schenen te hechten aan de kerkleer, die het vlijtigst ter biecht en ten avondmaal gingen, in alle tijdperken der geschiedenis juist de meeste en zwaarste misdaden hebben bedreven.

De natuurlijke reden welke den mensch terughoudt van het kwade, heeft haren oorsprong in zijne maatschappelijke behoeften en spruit voort uit de overtuiging dat hij, het individu, op den duur zelf niet gelukkig kan zijn, indien hij er niet naar streeft om zijne medemenschen in wier midden hij woont, insgelijks gelukkig te maken. Deze waarheid is zoo groot en algemeen, dat zij zich zelfs openbaart onder een handvol wilden, zoodra deze hun zwervend leven verlaten, zich onderling naauwer aanéénsluiten en eene kleine kolonie stichten. Want zelfs deze kleine maatschappelijke vereeniging van menschen die in een gehucht van 6 à 10 hutten vereenigd zijn, zou bezwaarlijk 14 dagen kunnen blijven bestaan, de verschillende leden zouden elkander noodzakelijkerwijze moeten verdelgen, indien zij zich niet onthielden van inbreuk te maken op hunne wederkeerige regten, indien zij aan de zedelijke natuurwet, menschenliefde geheeten, niet gehoorzaamden, niet wederkeerig opvolgden hetgeen hen geen messias, geen profeet heeft geleerd.

DAG. Dat is volkomen waar! Hetzelfde heb ik insgelijks bij meer dan eenen wilden volkstam in den Indischen archipel waargenomen. Wel schijnt de ware menschenliefde den Christenen zoo vreemd te zijn,—wel schijnen zij haar zoo verre van hunne natuur verwijderd te achten, dat zij den Hebreër die voor 18½ eeuw het aankweeken van menschenliefde aanbeval en niets meer en niets minder dan menschenliefde aanbeval, die derhalve niets deed, niets leerde dan hetgeen de wilden onder zich doen en jegens elkander in acht nemen,—dat zij dezen man als een onbereikbaar ideaal vergoden.

U, broeder Dag, zeg ik dank dat gij mij voor dergelijke zonde heb bewaard die ik zonder opzet, ja, met de beste bedoeling zou begaan hebben, toen mijn verstand nog beneveld was door het tot eene gewoonte gewordene, aangeleerde, diep ingewortelde en ingeprente drie-eenheids dogma.—Nu echter rust ook op u de verpligting, de leerstellingen van onzen oudsten broeder te wederleggen, die mij in een afgrond dreigen te storten van waar ik geen uitweg kan vinden.

DAG. Ik wil u gaarne mijne gevoelens daaromtrent mededeelen en ik hoop, dat ik eenige van de tegenstrijdigheden zal kunnen oplossen, die welligt slechts daarom onzinnig schijnen te zijn of in onderlinge tegenspraak te staan, dewijl de veronderstelling niet juist was, waarop de gevolgtrekkingen werden gegrond en waaruit Avondrood, naar een consequent beginsel, steeds talrijkere stellingen afleide.—Maar broeder Morgenrood heeft immers beweerd, den „eenigen” weg te kennen die rondom gindschen afgrond heen leidt en ons in de harmonische streek brengt, waar geene tegenstrijdigheden meer worden gevonden! Zouden wij hem niet verzoeken, ons vooraf eerst met zijne beschouwingen omtrent mensch, natuur en God bekend te willen maken, opdat wij weten in welke stukken hij met Avondrood verschilt of met ons overeenstemt, ten einde wij later het bijéénbehoorende ook beter in zijn verband kunnen behandelen?

MORGENROOD. Zeer gaarne, waarde broeders!—Gelijk met alle godsdiensten het geval is welke het bestaan der wereld evenmin kunnen verklaren, als zij het ontstaan (of het worden) er van kunnen begrijpen, zoo ook begint mijn geloofstelsel met eene mythe, die ik u zal voorlezen, dewijl ik haar na een droom dien ik eens gedroomd heb, op het papier heb gebragt. Dit is het eenige dat ik omtrent mijne beschouwingen ten dezen opzigte heb opgeteekend. Ik geloof bovendien dat ik in de ontwikkeling er van zeer kort zijn kan, dewijl mijne leer in het wezen der zaak met de stellingen van mijn oudsten broeder overeenkomt, met uitzondering van een enkel punt.

De komst onzer jongens stoorde ons in ons gesprek. Zij droegen ons avondeten voor zich uit. Het was reeds over 6 ure en ofschoon het reeds een geruimen tijd had opgehouden met regenen, bleef de hemel nog steeds met wolken bedekt, waardoor de overgang van het schemerlicht dat nog in onze hutten viel, in eene volslagene duisternis werd bespoedigd. De lezer weet hoe snel dag en nacht tusschen de keerkringen op elkander volgen. Binnen weinige oogenblikken waren de lampen aangestoken; spoedig hadden wij onzen eetlust bevredigd en waren de bedienden met de overblijfselen van het maal weder verdwenen,—toen broeder Morgenrood zich gereed maakte om aan zijne belofte te voldoen.

Notes in this chapter

Note 1 · Zie de analyse van het dierlijk ei aan het slot van dit stuk.—Drie en twintig der zoogenaamde elementen, wier gezamenlijk aantal thans 62 beNote 2 · Men vergelijke A. von Humboldt’s Ansichten der Natur (derde uitgave, 1849) II. bladz. 312. „De moeijelijkheid welke er in gelegen is, om de Note 3 · Sur l’homme et le développement de ses facultés, ou essai de physique sociale. 2 vol., wijders: Du système social et des lois qui le régisseNote 4 · Die waarschijnlijk afstamt van de wilde geit, Capra Aegagrus. ↑Note 5 · Deze atomen, al waren zij binnen bepaalde grenzen besloten en niet oneindig klein, zouden wij echter nimmer, zelfs niet met de sterkste micrNote 6 · Deze zamengestelde atomen noemt men thans, ten einde eene achterdeur open te houden, molekulen. ↑Note 7 · Scheikundig zamenstel of, bij gelijke menging, doch verschillende ligging der atomen en verschillende vatbaarheid tot breking van het gepolaNote 8 · Het volgende voorbeeld zal hiervan nog een sprekender bewijs opleveren. Wanneer twee personen uit een glas drinken, waarin zich een oplossinNote 9 · Alcoholradicalen zijn koolwaterstoffen (4 kool- en 5 waterstof), welke in verbinding met 1 atoom zuurstof en 1 atoom water ligchamen vormen,Note 10 · Tot zoo ver gaat het handschrift van mijn oudsten broeder, dat hij mij ten gebruike heeft afgestaan, nadat hij (zijne voordragt geëindigd heNote 11 · Mijn broeder Nacht was oorspronkelijk tot den zoogenaamden geestelijken stand bestemd, doch beoefende naderhand de landhuishoudkunde en houtNote 12 · Eene kracht zonder iets stoffelijks waaraan zij gebonden is, mag beschouwd worden als de voorstelling van iets onbestaanbaars, als een zinleNote 13 · Ongetwijfeld (antwoordt men hierop) kunnen ligchamelijke omstandigheden invloed uitoefenen op de zedelijke handelingen des menschen, maar deNote 14 · Elk landbouwkundige kent het merkwaardige verschijnsel dat het gevolg is van het kruisen van rassen onzer tamme dieren, waaruit steeds edeleNote 15 · Daar echter deze atomen door geen sterfelijk oog ooit kunnen worden gezien en met betrekking tot onze geschiktheid ter waarneming niets andeNote 16 · Wij behoeven slechts een vlugtigen blik te werpen op het zamenstel van het ei uit zoo velerlei verschillende stoffen die in genen deele enkeNote 17 · Want wanneer wij zien, dat indien een atoom waterstof en zuurstof meer wordt gevoegd bij rietsuiker (C12 H11 O11) deze wordt omgezet in druiNote 18 · Wij hebben te meer grond om zulks te hopen, wanneer wij bedenken dat de verscheidenheid der scheikundige verbindingen uit niet meer dan een Note 19 · (was geteekend) Avondrood.10Note 20 · NACHT. Lieve broeders! Ik herinner mij verscheidene gebeurtenissen uit het leven dier zoogenaamde wilden en geloof, dat gij ten opzigte van
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings