GETROKKEN UIT HET „Vraagboekje tot Onderwijzing in de Christelijke leer.”
Reading edition
(Te Amsterdam, bij Mortier Covens en Zoon.)
In den Bijbel kunnen geene dolingen voorkomen; want ook het oude testament werd door Jezus als Goddelijke schrift bekrachtigd. De Bijbel is eene verzameling van Goddelijke,—door God ingegevene—boeken, waarin God zelf tot ons spreekt; p. 93 en 95.
Wij moeten den Bijbel als een uitmuntend geschenk der Goddelijke liefde dankbaar erkennen en deszelfs leer als den eenigen regel van ons geloof en wandel aannemen; p. 95.
Al hetgeen ik u nu leeren zal, is uit dezen Bijbel getrokken, die voor ongeveer 1800 jaren te boek is gesteld en onveranderd is gebleven, zoo als hij hier voor mij op de bank ligt.
God heeft al, wat is, geschapen. God is groot, wijs en goed; ik moet hem eeren en liefhebben; p. 1.
God schiep twee eerste menschen, een man Adam en eene vrouw Eva, naar zijn beeld; zij waren wijs, heilig, onsterfelijk en gelukkig; p. 2.
Maar zij werden ongehoorzaam aan het gebod van God; zij aten van de vrucht van den verboden boom en nu werden zij veranderd in dwaze, verdorvene en ellendige menschen, die aan den dood onderworpen waren.—God gaf hun echter eene vertroostende belofte; p. 2 en 3.
Vervolgens vermaande hij de menschen; maar zij luisterden niet naar hem, neen! de boosheid nam meer en meer toe, zoo dat aan God geen ander middel overbleef, dan het geheele menschdom, behalve Noach en zijn huisgezin, te verdelgen en door den zondvloed te verzuipen; p. 4.
Maar helaas! ook dit hielp niet, want de menschen werden, na den zondvloed, niet wijzer, noch vromer dan de vorige waren; zij zondigden noch erger en gaven zich over aan Afgoderij; p. 5.
God verliet hen echter niet en gaf hun van den berg Sinaï de tien geboden: gij zult God alleen aanbidden en geene vreemde Goden nevens hem hebben, gij zult zijnen naam niet ijdelijk aanroepen, den Sabbatdag heiligen, uwen vader en moeder eeren, niet doodslaan, geen overspel doen, niet stelen, geene valsche getuigenis afleggen, uwes naasten huisvrouw, noch zijn overig eigendom begeeren; p. 10.
Maar ook dit hielp niet veel; de menschen gingen gedurig voort zwaar tegen God te zondigen. Maar God troostte hen en herhaalde zijne belofte; om hen eenen toekomstigen Verlosser te zenden. Later openbaarde God aan David, dat de Verlosser uit zijn nageslacht zou voortkomen, wiens koningrijk tot de eeuwigheid zou zijn; p. 13 en 16.
Intusschen maakten zich de menschen aan Beeldendienst, Afgoderij en allerlei gruwelen schuldig. God liet hen telkens door buitengewone leeraars, Profeten, waarschuwen en strafpredikatien doen, maar ook dit had weinig nut; p. 17 en 18.
Toen verscheen eindelijk de beloofde Verlosser en werd te Bethlehem, door de kracht des Heiligen Geestes, uit de onbevlekte maagd Maria geboren. Op bevel van een engel werd hij Jezus, d. i. Zaligmaker genoemd. Toen hij door Johannes den Dooper gedoopt werd, daalde de Heilige Geest zigtbaar op hem neder en eene stem uit den hemel riep: deze is mijn Zoon, mijn geliefde, in wien ik mijn welbehagen heb.—Wat kunnen wij nu krachtiger bewijzen verlangen, dat Jezus, te Bethlehem geboren, waarlijk de lang beloofde Verlosser, de Christus is!? p. 26 tot 29.
Hij had 12 discipelen, die naderhand als zijne Apostelen zijne leer alom verkondigden. De Farizeën en Schriftgeleerden waren zijne vijanden, maar hij was door Gods geest onderwezen en sprak gelijk „zijn Vader” (God) hem had geleerd. De Goddelijkheid van zijne leer bleek vooral uit de wonderwerken, waarmede hij ze bevestigde; p. 31 tot 34.
Door den haat der Farizeën en Schriftgeleerden werd hij valschelijk beschuldigd, eindelijk ter dood veroordeeld en gekruisigd. Na zes uren lijden, gaf hij den geest en werd door twee vrienden deftig en eerlijk begraven. Dewijl hij heilig en onschuldig was, leed en stierf hij tot vergeving der zonden; p. 36 tot 40.
Maar op den derden dag is hij uit de dooden opgestaan, gelijk hij te voren gezegd had, en velen hebben hem gezien.—Dat was ten hoogste noodig, want daardoor moest blijken dat hij waarlijk de Christus was, die door lijden in heerlijkheid moest ingaan. Indien Jezus in den dood gebleven was, had hij ons niet kunnen zalig maken; p. 40 tot 42.
Veertig dagen na zijne opstanding is hij, voor de oogen zijner discipelen, van de aarde ten hemel gevaren. Daar is hij nu gezeten aan Gods regterhand, van waar hij eens weder komen zal, om al de zijnen volkomen zalig te maken.—En zijne discipelen werden, onder de heerlijkste teekenen uit den hemel, allen vervuld met den Heiligen geest en verkondigden nu aan alle volken zijne leer; p. 42 tot 45.—Deze leer luidt als volgt.
God is de Vader. Jezus Christus is Gods eenig geboren Zoon. De Heilige geest is de geest der waarheid, die van den Vader uitgaat. Deze drie Goden, Vader, Zoon en Heilige geest, zijn de eenige waarachtige God en wij moeten hun eene gelijke goddelijke waardigheid toekennen.—Want deze drie zijn een.—Dit begrijpen wij, wel is waar, niet, maar wij moeten ons verheugen, dat wij God dus uit zijn woord tot zaligheid hebben leeren kennen; p. 53 en 54.
God is het eenige volmaakte en allerhoogste wezen, een overal tegenwoordige, alwetende, onveranderlijke en getrouwe, onafhankelijke en almagtige, goedertierende, barmhartige, lankmoedige, heilige, regtvaardige en eeuwige Geest.—Hij onderhoudt en bestuurt alles, ook alle onze daden, door zijne voorzienigheid; p. 54 tot 57.
Behalve de Goddelijke Drieëenheid bestaan nog andere wezens, volkomener dan wij, namelijk goede en booze engelen. De goede engelen zijn voortreffelijke hemelgeesten, ten dienste der geloovigen. Maar de kwade engelen verleiden gaarne de menschen; p. 61.
Wij zijn sedert de ongehoorzaamheid van den eersten mensch Adam ellendige zondaren en worden uit onze ouders verdorven geboren. Door de zonde is de dood in de wereld gekomen en zoo zijn aan den dood alle menschen onderworpen geworden. Wij zijn van nature ten kwade geneigd en uit het binnenste van ons hart komen voort kwade gedachten.—De zonde is snoode ondankbaarheid tegen God en zal zwaar gestraft worden in een onuitblusschelijk vuur, dat geen einde heeft.—Door de zonde worden wij dus allerellendigst en zouden zonder Gods genade onherstelbaar verloren geweest zijn; p. 61 tot 63.—Want God was boos op ons en toornig.
Maar Gods toorn bedaarde. Want hij is goed en barmhartig en zond ons in zijne goedertierenheid een Zaligmaker, een vlekkeloozen heiligen Verlosser; hij zond ons zijn eenigen Zoon!—Deze heeft door zijn gehoorzaam lijden en sterven de straf onzer zonden gedragen, en door dit lijden en sterven is God nu met ons zondaren verzoend en schenkt ons genade, vergeving der zonden. Gods zoon heeft zich voor ons ten offer gebragt aan den Vader; p. 64 tot 66.
Gods zoon is nu weder in den Hemel, waar hij voor onze belangen bij den Vader zorgt. Hij is onze getrouwe voorspraak bij den Vader. Hij brengt ons in den hemel, en hij is de eenige Zaligmaker, zonder wien wij niet behouden kunnen worden; p. 66 en 68.
Maar die zaligheid zal eerst dan volkomen zijn, wanneer Jezus komen zal, om de dooden op te wekken en het laatste oordeel te houden.—De ure komt, in welke allen, die in de graven liggen, zijne stem zullen hooren en zullen uitgaan, die het goede gedaan hebben tot de Opstanding des levens,—zij zullen zalig gesproken worden en eeuwig bij Christus en al de Heiligen leven, en die het kwade gedaan hebben, zij zullen uitgaan tot de Opstanding der verdoemenis! p. 67.
Om zalig te worden moeten wij in Jezus gelooven, ons bekeeren; wij moeten hartelijk en ootmoedig bekennen, dat hij onze eenige, algenoegzame en vrijwillige Zaligmaker is, op wien wij vertrouwen. Zonder dit geloof is geene zaligheid; p. 69.
Wij moeten ons op Heiligmaking toeleggen en Jezus boven alles, zelfs boven ouders en kinderen, liefhebben; p. 73 en 74.
Wij moeten alle menschen, zelfs onze vijanden liefhebben. Wij moeten het kwaad en de beleediging ons aangedaan, aan onzen naaste altijd gaarne vergeven; p. 74 en 75.
Wij moeten nederig zijn, ons zelven verootmoedigen, onze geringheid en onwaardigheid gevoelen, ons zelven verloochenen en onzen naaste liefhebben gelijk ons zelven; p. 76 tot 79.
Wij moeten veel gebruik maken van het gebed; p. 80.
Wij moeten God dikwerf danken en met volharding bidden, en wanneer wij in Jezus naam bidden, dan zal God onze gebeden verhooren; p. 83.
De Hervormde kerk heeft zich van de Roomsche om derzelver dwalingen afgescheiden; p. 80.
Gij moet u laten doopen om christen te worden.—In den Doop leert en verzekert God ons de afwassching onzer zonden; maar zij alleen worden zalig, die de belofte Gods, in den doop aan hen gedaan, geloovig aannemen; maar die niet geloofd zal hebben, zal verdoemd worden; p. 88.—De ontvangen Doop verpligt ons om christen te zijn, zelfs indien wij nog jonge kinderen waren, toen wij gedoopt werden.
Gij moet dikwerf het avondmaal gebruiken.—Want het gebroken brood en de geplengde wijn beteekent en verzekert ons, dat Christus ligchaam gebroken en zijn bloed vergoten is tot vergeving der zonden, p. 90.
Elk der vermelde stellingen had Nacht nader toegelicht door er langere of kortere verklaringen bij te voegen, die ik echter, even als de bijbelplaatsen, welke hij voorlas, onnoodig heb geacht hier mede te deelen. Hoe dienstig toch deze ophelderingen moesten beschouwd worden voor Javasche toehoorders, even overtollig zou eene herhaling er van hier in Nederland zijn, waar elk scholier met deze leer bekend is. Geen enkele maal hadden de Javanen mijn broeder in zijne rede gestoord; allen, zelfs de kinderen, hadden opmerkzaam toegeluisterd; hunne op elkander gelegde handen rustten op hunnen schoot en velen verhieven ze van tijd tot tijd en bragten de vingertoppen eerbiedig aan het voorover gebogen voorhoofd (dat wil zeggen, zij maakten een Sĕmbah), zoo menigwerf de naam Toean Allah (God) werd genoemd.—Nadat Nacht zijne rede had geëindigd, vroeg ik hem of hij mij wilde vergunnen nog eenige woorden er bij te voegen; dit mij bereidwillig toegestaan zijnde, sprak ik de Javanen op de navolgende wijze toe:
Geliefde Javasche Vrienden! Hetgeen mijn broeder Nacht u zoo even heeft voorgedragen, is de leer der Christelijk Hervormde kerk, gelijk zij in Nĕgara-Wolanda (Holland) overal wordt geleerd en gepredikt. Zij steunt op den Heidelbergschen Catechismus, die op zijne beurt den bijbel tot grondslag heeft; ongeveer twee derde gedeelte der bewoners van Holland belijden deze leer. Dewijl echter de bijbel door de onderscheidene geloofsmannen, priesters, op zeer verschillende wijze wordt uitgelegd, is niet slechts de Hervormde kerk in zeer vele sekten verdeeld, maar er bestaat nog eene andere groote hoofdkerk, welke de Katholieke of Roomsch-Katholieke kerk wordt geheeten en deze telt het overige derde gedeelte der bewoners van Nederland tot hare belijders.—Naar de wijsselijk gestelde bepalingen onzer grondwet mag ieder gelooven, hetgeen hij als zoodanig wil aannemen; ditzelfde is ook aan u vergund. Wenscht gij misschien Katholieke Christenen te worden, dan moet gij gelooven: dat in het brood en den wijn bij het avondmaal het werkelijke vleesch en bloed van Jezus wordt genuttigd, die voor meer dan 1800 jaren is gestorven,—dat de Paus (zoo noemen de Katholieken hunnen opperpriester, die te Rome, dat is ver van Holland, woont) de stedehouder Gods op aarde is, wiens uitspraken onfeilbaar zijn en wien gij onvoorwaardelijk moet gehoorzamen, ja, die het regt heeft al uwe zonden te vergeven of te doen vergeven;—gij moet vlijtig ter biecht gaan; vervolgens moet gij geloof hechten aan de wonderdadige kracht der relikiën en de heiligen aanroepen, welke bij God in den hemel uwe voorspraak zijn,—hoofdzakelijk echter moet gij, behalve God den VADER en den Zoon, ook de heilige Maria aanbidden; want zij was de—MOEDER—van—Gods—Zoon.
Ter naauwernood had ik deze woorden uitgesproken, of boven het lage gordijn, dat op den achtergrond der hut was uitgespannen, verhief zich een man, wiens hoofd met een witten tulband was omwonden. Wij waren beide, zoowel Nacht als ik, zeer verwonderd in dit kleine gehucht zulk eene verschijning te zien, maar loochenen konden wij het niet,—zijne kleederdragt toonde zulks duidelijk aan,—het was een Mohammedaansche priester. Hij hield eene Maleische overzetting van koranteksten in zijne linkerhand en met oogen gloeijende van een onheilspellend vuur en zijne regterhand dreigend opwaarts heffende, zoo dikwerf een der alhier cursief gedrukte woorden zijn mond ontrolde, riep hij met eene fanatiek luide, half zingende, half gillende stem:
Gelooft aan God en aan zijne gezanten, doch spreekt niet van eene drieheid. Er is slechts een, eenige God.
(Koran, 4de soera.)
Maar hoe vele bewijzen er in den hemel en op de aarde ook mogen gevonden worden voor de eenheid Gods, gij zult die uit het oog verliezen en u steeds verder daarvan verwijderen.
De meesten, die aan God gelooven, aanbidden te gelijk afgoden.
(Koran, 12de soera.)
Zij zeggen: de Albarmhartige teelde eenen zoon; maar daarmede spreken zij godslastering, en weinig verschilde het, dat de hemel werd vaneengereten en de aarde zich opende, en de bergen instortten, dewijl zij het durfden wagen den Albarmhartige kinderen toe te schrijven, dien het niet voegzaam is kinderen te verwekken. Niemand in den hemel en op de aarde mag den Albarmhartige naderen, dan slechts om zijn dienaar te willen zijn.
(Koran, 19de soera.)
Na deze onverwachte slotrede verlieten wij zwijgend de hut; stil, bijna beangst slopen de Javanen weg. Nacht verkeerde blijkbaar in eene onaangename stemming en was met zich zelven in tweestrijd. Ik was nog minder bevredigd dan hij, ja, ik was treurig gestemd en gevoelde geene neiging om te slapen. Nacht trad onze hut binnen. Ik begaf mij naar den rand der kloof, waar ik mij in den maneschijn nederzette. Ik trachtte harmonie en rust voor mijne ziel te putten uit de beschouwing der natuur, der levende schepping van den goeden God en—vond die. Terwijl, op mijn verzoek, de Gamĕlan de toonen van zachte melodiën in de verte deed hooren, die plegtig en droefgeestig schoon door het eenzame dal weêrklonken,—terwijl elk geruisch in de diepste nachtelijke stilte verzonken lag, viel ook ik eindelijk in slaap. Mijne bedienden wekten mij niet, maar legerden zich, om mij voor gevaren te hoeden, rondom mij en—zij sliepen nog, toen ik den volgenden morgen op dezelfde plaats ontwaakte.
Gedurende den loop des daags hadden wij ons met kruidkundige en geologische onderzoekingen onledig gehouden en waren nu weder bijeenvergaderd in dezelfde hut, alwaar Nacht gisteren avond zijn evangelie gepredikt had. Het was reeds 6 ure en nog was onze bode niet teruggekeerd. Gisteren was ik een toehoorder van Nacht geweest, nu zag ik hem in de rij mijner toehoorders en bemerkte insgelijks den Mohammedaanschen priester, die zijn incognito nu had afgelegd, onder de overige Javanen.—Ik deelde hierop den Javanen, deels bij wijze van korte uittreksels, deels met uitvoerige verklaringen, het navolgende mede.
Voor mij op eene bank had ik eene aard- en hemelglobe, een sextant en kunstmatigen horizon, een verrekijker, een chronometer, een barometer, een thermometer, een psychrometer, een kompas, een kunstmagneet, een microscoop, een aräometer van Nicholson, een driezijdig prisma, eene draagbare camera obscura, een daguerréotypetoestel, een kastje met scheikundige reagentia en andere dergelijke werktuigen der toegepaste wetenschap, als zinnebeelden van mijn geloof, ten toon gesteld.