Note 1 — Geloofsbekentenis van broeder Avondrood.
Reading edition
Eene kracht zonder iets stoffelijks waaraan zij gebonden is, mag beschouwd worden als de voorstelling van iets onbestaanbaars, als een zinledig, afgetrokken denkbeeld. Ik geloof hetgeen ik allerwege zie, dat kracht en stof, geest en ligchaam Een, een onscheidbaar geheel zijn. Er is derhalve niets dan de natuur, welke alles is. Maar even als ons ligchaam bezield is en deze ziel in onze hersenen tot ontwikkeling komt, zoo moet insgelijks de natuur, als geheel, eene ziel hebben, welke algemeen bewustzijn bezit. In uitgestrektheid oneindig, in tijd eeuwig en onvergankelijk—beweegt zich, steeds verjeugdigd in gestalte, de bezielde stof. In den mensch, in het dier, in de planten is de wereldziel met eene grootere of geringere hoeveelheid stof verbonden, geindividualiseerd,—gebonden even als latente warmte. Deze verbinding is zoo innig, zij bedient zich in hare ontwikkeling tot bijzondere gestalten van planten, dieren of mensch zoo onveranderlijk getrouw van de algemeene physische, zoomede van de bijzondere chemische krachten, welke aan de elementaire stoffen en hare verbindingen behooren; zij volgt de wetten waarnaar de werking dezer krachten plaats heeft, zoo naauwkeurig en wijkt nimmer daarvan af; de wijze waarop zij zich uit, is zoo volkomen evenredig aan de vormen welke zij aanneemt,—in deze bloem, in gindschen boom, in den worm, in den kever, in het werveldier (visch, vogel, hond, paard, wolf of mensch), zoowel in de tijdelijke ontwikkelingstoestanden dezer geslachten, soorten en individuen, in het kind, embryo, grijsaard of in den volkomen tot rijpheid opgewassen mensch; deze uiting staat in zulk eene bepaalde, als het ware aequivalente verhouding tot de bewerktuiging van elk afzonderlijk wezen (den vorm en chemische zamenstelling), dat het resultaat der ontwikkeling van het stille (passive) plantenleven tot aan het menschelijke bewustzijn, van de kunstdrift van het insekt tot aan den hoogsten trap van zedelijke ontwikkeling des menschen en tot aan de volmaaktheid zijner scheppingen in wetenschap en kunst, niet anders schijnt te zijn dan een gevolg van de onderscheidene en onder verschillende omstandigheden plaats grijpende zamenwerking van deze zelfde stoffelijke krachten. Vele en zeer grondige natuuronderzoekers zijn tot dit resultaat gekomen; zij kennen geen anderen God dan de natuurnoodzakelijkheid, geene andere krachten dan die welke onafscheidbaar aan de stof zijn gebonden (de algemeen verbreide physische en de aan de grondstoffen en hare verbindingen eigenaardige chemische krachten) en verwerpen daarentegen het geloof aan onweegbare stoffen of onstoffelijke krachten, het geloof aan eene ziel als een verhaal waarvoor geen feit is aangewezen, als een volkomen ongegrond bijgeloof. Maar—tegen deze gevolgtrekking van zoogenaamde materialisten kunnen eenige gewigtige bedenkingen in het midden worden gebragt. Ik wil niet spreken van eene zedelijke wereldorde, van een zedelijk beginsel in den mensch, van den onuitputtelijken rijkdom en de kracht van gedachten welke zich in de kunsten en wetenschappen heeft geopenbaard,—ik wil niet spreken van de moeijelijkheid om den verbazenden rijkdom aan gestalten in de dieren- en plantenwereld, die echter voor elke soort niet alle organen welke het ligchaam heeft, met alle eigenschappen en aandriften die het dier bezit, onveranderd blijft,—of niet gewagen van de moeijelijkheid om de verscheidenheid der geslachten bij eene en dezelfde soort af te leiden uit de algemeen verbreide natuurkrachten (zwaartekracht, licht, warmte, electriciteit, magnetismus, adhaesie-, cohaesie-, expansiekracht en capillaire aantrekkingskracht, enz.) in verband met de eigenaardige chemische krachten van eenige tientallen enkelvoudige stoffen,1—ik wil slechts aan een feit herinneren, aan het bewustzijn in den mensch, die van zijn aanwezen, van den toestand waarin hij zich bevindt en van zijne eigendommelijkheden duidelijk en klaar bewust is. Waaruit heeft dat zijn oorsprong?—Uit niets kan niets ontstaan en het bewustzijn, al is het aan onze hersenen, derhalve aan stof gebonden, mag toch geene physische of chemische kracht worden geheeten.