Note 8 — Geloofsbekentenis van broeder Avondrood.
Reading edition
Want wanneer wij zien, dat indien een atoom waterstof en zuurstof meer wordt gevoegd bij rietsuiker (C12 H11 O11) deze wordt omgezet in druivensuiker (C12 H12 O12), of dat vijf atomen water, ontnomen aan den reuk- en smakeloozen, fraai gekristalliseerden zoogenaamden terpentijnkamfer (C20 H16 + 6HO), dezen veranderen in eene aangename, naar hyacinthen riekende olie (C20 H17 O),—of dat ligchamen, welke niet slechts wat betreft de mengingsgewigten hunner bestanddeelen, maar (even als de 2 verschillende zuren waarin het druivenzuur zich laat ontleden) insgelijks in alle andere eigenschappen bijna volkomen met elkander overeenstemmen, niettemin van elkander verschillen moeten in de menging of in de ligging der kleinste deelen, dewijl de gepolariseerde lichtstraal bij beiden niet dezelfde werking te weeg brengt en het polarisatievlak bij het eene zuur regts, bij het andere ter linkerzijde afwijkt,— ja dat een geheel onschadelijk zout, als mierenzure ammoniak (H4 NO, C2 HO3) bloot door het te verhitten in een sterk werkend vergift, in blaauwzuur (HC2 N (+ 4HO) wordt veranderd, hetwelk zoodra het in aanraking komt met water en een sterk zuur, weder in ammoniak en mierenzuur overgaat,—dat derhalve uit schijnbaar zoo geringe stoffelijke veranderingen terstond geheel andere krachten worden geboren en nieuwe ligchamen met geheel andere eigenschappen dan vroeger ontstaan,8 dan mogen wij de stellige hoop voeden, eenmaal in staat te zullen zijn niet slechts in de zaden van alle planten, maar insgelijks in de eijeren van alle dieren (waaruit zich zoo verschillende krachten en eigenschappen ontwikkelen) eveneens stoffelijk onderscheid aan te toonen, al bestond dit slechts in eenige weinige meer of minder er in aanwezige atomen phosphorus, margarine, cerebrine en dergelijken.