← Table of contents
Licht- en schaduwbeelden uit de Binnenlanden van Java

Note 12 — 3.

Reading edition

Dewijl de hitte in deze Alangvelden omstreeks het middaguur een hoogen graad, dikwerf meer dan 90° Fahr. bereikt, verkwikten wij ons bij gebrek van water met de zuurachtige, groene vruchten van het Malakaboompje (Emblica officinalis) welke wij kaauwden, en die op zulk eene hoogte aan de twijgen groeiden dat wij ze gemakkelijk konden bereiken. Zag men door het zacht gevinde loof dezer boompjes opwaarts, dan scheen het dat een dun floers tusschen ons oog en den helder blaauwen hemel was uitgebreid, hetgeen ons een allerliefelijkst gezigt opleverde.—Van lieverlede veranderde het tooneel dat wij om ons ontwaarden, naar gelang wij lager daalden en de kust naderbij kwamen. Malakaboompjes en boschaadjen werden allengs zeldzamer en de zuide- of zeewind die zich voortdurend duidelijker liet waarnemen, voerde eene koelte toe welke ons hoogst welkom was. Weldra zagen wij voor en beneden ons een strookvormig woud van palmboomen, tusschen wier grijskleurige, menigwerf door het vuur zwartgebrande stammen de verwijderde blaauwe oceaan ons in het oog schemerde. Op eenigen afstand van elkander verhieven zij zich boven den met gras bedekten bodem, doch strekten zich bij vele duizenden ter regter- en ter linkerzijde heinde en verre van ons uit. Elke stam rees, als een zuiltje, lijnregt opwaarts en was slechts aan zijn top met eene bladerenkroon versierd. Het waren uitsluitend waaijer- of Gĕbangpalmen (Corypha Gebanga), wier verbazend groote, drooge bladeren waarin de wind voortdurend ruischte, telkens knarsend over elkander heen en weder werden bewogen, terwijl wij onzen togt er beneden door het hooge gras voortzetteden. Menigwerf joegen wij bij die gelegenheid groote jaarvogels (Buceros plicatus) op, die in de toppen der palmboomen zaten en dan al blazend en snuivend, een geluid aan die vogels zoo eigenaardig, naar een ander gedeelte van het woud vlogen.—Wij daalden echter door deze smalle, doch mijlen lange strook12 met waaijerpalmen bedekt niet lijnregt naar de kust, maar namen onzen koers in eene schuine rigting naar het westen, alwaar eene iets hooger rijzende landstreek of vlakke bergrug in den vorm eener kaap (Oedjoeng) ver in zee uitstak en waar, in de nabijheid van vogelnestholen, het dorp Gnarak moest liggen, de plaats tot ons eerstvolgend nachtkwartier bestemd. Het sombere, uit hooggroeijend geboomte bestaande woud hetwelk dit gedeelte des lands tot aan den uitersten rand der kust onder zijne schaduwen dekte, vormde een scherp kontrast met de dorre Alangvelden waarop geen lommer was te vinden, en met de waaijerpalmen welke zich aan deze zijde er van uitbreidden; reeds in de verte duidde zulks, door de geheel verschillende physiognomie der bewerktuigde natuur, eene zeer verschillende hoedanigheid des bodems aan.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings