Note 15 — 3.
Reading edition
Bij het toenemen der schemering nam de verfrisschende koelte des dampkrings, waarvan de temperatuur nu tot op 80° Fahr.15 was gedaald, insgelijks toe en de welriekende geur der Kĕnangabloemen—van een hoogen boom (Uvaria odorata) welke op de eene of andere plaats in het dorp stond—verspreidde zich in gelijke mate al sterker door de boschachtige streek. Nu werd van tijd tot tijd een vliegend eekhoorntje (Bilok, Pteromys sagitta) zigtbaar dat van den eenen Kokosboom naar den anderen zweefde, en de Javanen begonnen de hoenderhokken onder hunne huizen te versperren en te grendelen. Er sluipen nu niet slechts kleine marter- en wezelachtige roofdieren (Herpestes javanicus, Lisang gracilis en Moesang’s) tuk op buit in het rond, maar zelfs de krokodilachtige hagedissen, de Legoean’s, komen uit den schoot der wateren te voorschijn, ten einde in de hoenderhokken van het dorp een onwelkom bezoek af te leggen.—Door het aanleggen van vuren op verschillende plaatsen, waarbij eenige wachters waren gesteld van lansen en Gonggong’s voorzien, ten einde alarm te maken zoodra er gevaar mogt ontstaan, trachtten onze dorpsbewoners de grootere roovers, de panters en tijgers, van hunne woningen verwijderd te houden; want het wijd en zijd in het rond klinkende, leelijke geschreeuw hetwelk, gelijk de Javanen beweren, het vertrek der tijgers uit hunne schuilplaatsen aankondigt, het geschreeuw der paauwen, werd nu op verscheidene plaatsen in het woud gehoord. Niet slechts waren alle andere vogelen stil, maar ook buitendien liet geen geluid in het woud zich vernemen.—Alleen het gegons der muggen (Moskiten, Tjamok) werd luider en meer algemeen. Het scheen ons toe, dat het in deze vochtige, heete woudstreek onafscheidbaar gepaard ging met den naderenden nacht die met eene snelheid inviel, welke op den nieuweling onder de keerkringen, gelijk mijn broeder was, steeds een zoo diepen indruk maakt. Naauwelijks was een half uur verloopen sedert den ondergang der zon, of de onderscheidene voorwerpen in dorp en woud waren reeds gehuld in den sluijer der duisternis en niets liet zich onderscheidenlijk meer waarnemen.