Note 21 — 3.
Reading edition
Zeer verwonderden wij ons op het zien, dat de reuzenschildpad reeds omgekeerd was en met haar (gedeeltelijk opengereten) buikschild naar boven lag; wij konden echter niet beslissen of dit het werk was van den tijger, dan wel of zulks reeds vroeger door de vereenigde krachten der wilde honden was geschied. De Javanen beweerden dat het laatstgenoemde het geval was.—Wij sloegen de touwen onzer Pikalan’s om de schildpad en bevestigden deze aan drie Bamboesstaken; zij was zoo zwaar dat zes Koeli’s, waarvan er drie ter wederzijde gingen die de Bamboesstaken op hunne schouders namen, al hunne krachten moesten inspannen om den last te torschen.21 In het bivouak gebragt zijnde, werd het dier afgehakt; het leverde ons niet slechts kostelijk vleesch op en wel in zulk eene hoeveelheid, dat minstens vijfmaal zoo veel personen als wij sterk waren, er zich aan hadden kunnen verzadigen, maar insgelijks eene ontzaggelijke menigte nog zeer kleine, jonge eijeren, ter grootte van eene hazelnoot of iets grooter; deze bestonden geheel en al uit doijer, werden in de soep gekookt en verschaften ons een uiterst smakelijk voedsel.