Note 5 — 3.
Reading edition
IMAM. Zeer geachte heeren! Gisteren en eergisteren hebt gij de goedheid gehad ons, onwetende Javanen, onderrigt te geven in uwe godsdienst, waarvoor wij u bij deze onzen hartelijken dank toebrengen. Wij gelooven dat gij het werkelijk goed met ons meent. Gij hebt gezegd: God is almagtig, alomtegenwoordig, alwijs, algoed en volkomen regtvaardig; dat alles is ons sedert lang bekend. Gij hebt gezegd: dat wij er naar streven moeten om Gode gelijk te worden, om deugdzaam te zijn en onze medemenschen lief te hebben; ook dat weten wij sinds lang en dit staat mede zeer schoon beschreven in den Koran. Wijders heeft de Heer Nacht5 gezegd: dat de Albarmhartige uit drie Goden bestaat, een Vader, een Zoon en een Heiligen Geest, van welke een op aarde moet gekomen zijn om zich voor het menschdom op te offeren en allen, die in hem gelooven, van hunne zonden te verlossen en in den hemel te brengen; dit nu kunnen wij niet begrijpen. Dit zou onregtvaardig gehandeld zijn van den Albarmhartige, dewijl wij niet daaraan gelooven. Wij gelooven veeleer, dat alleen de deugdzame mensch die goede werken doet of berouw koestert over zijne zonden, in den hemel komt, en dat de Albarmhartige een Eenig groote God is. Mijne landslieden, hier om mij verzameld, hebben mij den last opgedragen den zeer geëerden Heer Nacht te verzoeken, het hun niet euvel te duiden, dat zij geene Christenen willen worden en niet wenschen zich te doen doopen, uitgenomen Lapiah, de bediende van den Heer Nacht.