Note 16 — 3.
Reading edition
Uit eenige gaten in den grond was zulk eene verbazende menigte gevleugelde termiten, Rajap (Termes fatalis) te voorschijn gekomen, dat wij ons den mond moesten bedekken om ze niet ongebraden16 te moeten opeten. Zij strekten aan de fladderende, insekten vangende vledermuizen tot eene gemakkelijk te verkrijgen prooi. Ook eenige Kaprimulgen zagen wij in enge, steeds terugkeerende kringen over het Aloenplein rondvliegen, waar hunne in de snelste vlugt daar heen zwevende ligchamen van tijd tot tijd tegen den meer helderen hemel zigtbaar werden.—Even als met de groote meerderheid der vogelen des morgens en gedurende den loop van den dag het geval was geweest, vierden de ontelbare zwermen insekten nu des avonds en gedurende de eerste helft van den nacht hun levensfeest. Zoo menigwerf een koor Cicaden met hunne schelle, krijschende stemmen mede instemden in het algemeene concert, dan vingen zij allen te gelijker tijd, eensklaps aan, zwegen allen te gelijker tijd plotseling, op eens, en hielden zoo naauwkeurig maat dat wij, uithoofde van de duisternis welke ons omringde, moesten gelooven, dat zij elkander konden hooren (hoewel zij geen gehoororgaan bezitten) of dat zij op de eene of andere wijze met elkander in verstandhouding stonden. Even als onder de roepende kikvorschen, konden wij insgelijks onder deze cicaden op het bloote gehoor eene groote verscheidenheid van soorten onderkennen, aan den meer of minder schellen of diepen toon, waarin zich steeds eene zekere soort van maat liet waarnemen.