← Table of contents
Jack Rustig

Zeventiende hoofdstuk.

A. J. van Dragt translation

Jack gaat uit fourageeren en speelt den vice-consul van Tetuan een leelijken poets. Ook schipper Hogg komt er vrij bekaaid af.

De Harpij zette met haar buit koers naar Mahon, waar ze weinige dagen na haar aankomst dépéches van den admiraal ontving. Daarbij zag kapitein Wilson zich overgeplaatst op de Aurora, om er de kommandantsplaats te vervullen, die door kapitein Tartars dood opengevallen was, terwijl meneer Sawbridge tot den rang van gezagvoerder bevorderd werd en het bevel kreeg over de Harpij.

De admiraal liet kapitein Wilson weten, dat de Aurora nog de komst van een ander fregat, dat elk oogenblik kon binnenloopen, moest afwachten en daarna onmiddelijk naar Mahon gezonden en onder zijn kommando gesteld zou worden. Ook gaf hij kennis, dat de vloot gebrek kreeg aan slachtvee, waarom hij verzocht, dat er zonder uitstel naar Tetuan zou gezonden worden.

Kapitein Wilson had zooveel officieren verloren, dat hij niet wist, wien hij met die zending belasten zou. Eigenlijk was hij nu niet langer kommandant van de Harpij en er schoot maar één luitenant over en geen stuurman of stuurmansmaat. Gascoigne en Jack waren de eenige bruikbare adelborsten en hen durfde hij niet goed belasten met iets waar zooveel haast bij was.

“Wat zullen we doen, Sawbridge? zullen we Rustig zenden of Gascoigne of beiden, of geen van beiden? Als zij het slachtvee niet spoedig bezorgen, zullen zij er bij den admiraal niet zoo gemakkelijk afkomen als bij ons.”

“Er moet toch iemand heen, Wilson,” antwoordde Sawbridge, “en het is gewoonte twee officieren te zenden, zoodat de een het vee aan boord ontvangt, terwijl de andere het toezicht houdt op de inscheping.”

“Nu dan moeten ze er beiden maar heen. Sawbridge, maar lees hen eerst goed de les.”

“Ik geloof niet dat er veel bij gewaagd is,” antwoordde Sawbridge, “want Tetuan is zulk een ellendig gat, dat ze er hoe eer hoe liever vandaan zullen gaan.”

Rustig en Gascoigne werden ontboden; zij luisterden met allen Bladzijde 150eerbied naar hetgeen kapitein Sawbridge hun voorhield, beloofden dat zij zich strikt aan de opdracht zouden houden, kregen een brief voor den vice-consul mee en werden met het noodige aan boord der brik Mary Anna gebracht, waar de stuurman en de bemanning reeds bezig waren met het winden der ankers.

De schipper van het transport, een roodharige kerel met een vollemaansgezicht, een mopneus en handen als presenteerblaadjes, kwam naar het achterschip om hen te verwelkomen en niet zoodra waren de kisten en hangmatten aan dek, of het anker werd gelicht en de zeilen geheschen. Met schipper Hogg stond Jack spoedig op een goeden voet, vooral omdat hij hem kapitein noemde en alle extraatjes van eten en drinken voor zijn rekening nam.

Te Tetuan aangekomen, gingen Jack en Gascoigne aan wal om vergezeld van kapitein Hogg den vice-consul een bezoek te brengen. Zij vertoonden hun papieren en verzochten om slachtvee. De vice-consul was een schraal, onbeduidend manneke, die de opvolger van zijn vader was geworden, omdat niemand anders het de moeite waard had geacht naar den slecht bezoldigden post te dingen. Toch hechtte meneer Hicks heel wat gewicht aan zijn ambt en zijn zuster, de eenige Engelsche jonge dame van de plaats, zocht vooral de aandacht te trekken der heeren zeeofficieren, die er soms om ossen kwamen. Heel gauw tevreden was ze echter niet, en had al achtereenvolgens de aanzoeken van drie adelborsten, een stuurmansmaat en een betaalmeester van de hand gewezen.

Zoodra de schikkingen op het kantoor van den heer Hicks getroffen waren, werden de bezoekers in de ontvangkamer genoodigd en aan de zuster van den vice-consul voorgesteld. Miss Hicks trok den neus op voor de beide adelborsten, maar lachte kapitein Hogg allervriendelijkst toe. Deze werd zelfs tegen den volgenden middag ten eten gevraagd en raakte al spoedig op de gastvrouw verliefd, wat eenige stribbeling gaf tusschen Miss Julia en haar broer den vice-consul, die verklaarde nooit zijn toestemming te zullen geven tot een huwelijk met meneer Hogg. Miss Hicks verkoos echter niet zich aan haar broer te storen; zij was baas over zichzelve, verklaarde zij, en zou doen wat haar goeddacht.

Toen eindelijk de lading ingenomen was en er aan vertrekken diende gedacht te worden, besloot kapitein Hogg allen tegenstand van den vice-consul te verijdelen, door Julia eenvoudig te schaken en op zijn schip mee te nemen naar Toulon. Jack, die er de lucht van gekregen had, hield zich alsof hij Hogg een handje wilde helpen en waarschuwde hem, dat Hicks vermoedde wat er gebeuren zou en, zoolang Hogg nog niet aan boord was, zijn zuster voortdurend Bladzijde 151in het oog zou houden. “Ga dus zelf aan boord, en onder zeil, meneer Hogg,” zei Jack, “en laat het aan mij over Miss Hicks bij u te brengen, zoodra haar broer alle gevaar geweken zal achten.”

“Hartelijk dank, meneer Rustig,” antwoordde kapitein Hogg; “dat is een uitmuntend plan; wat zijt ge toch vriendelijk!”

Nauwelijks had meneer Hicks de gelden voor de geleverde ossen ontvangen of zijn houding ook tegenover onzen held veranderde geheel. Dit stond Jack lang niet aan, maar hij hield zich alsof hij niets bespeurde, bleef den vice-consul de warmste vriendschap betoonen en nam de gelegenheid te baat hem te zeggen, dat hij zijn voorkomendheid niet beter kon beantwoorden, dan door hem in te lichten omtrent de plannen, die er tegen hem gesmeed werden. Hij vertelde hem nu de beraamde vlucht van zijn zuster en dat hij zelf de aangewezen persoon was om haar te ontvoeren.

“Welk een gruwel!” riep de vice-consul uit; “ik zal er me over beklagen bij de regeering.”

“Zou ’t niet beter zijn,” zei Jack, “als we ’t zoo aanlegden, dat het geval voor onszelf met een pretje afliep en kapitein Hogg gefopt werd? Trek uw zusters kleeren aan, dan zal ik u in plaats van haar aan boord brengen. Ik zal u in de kajuit brengen en daar moet ge dan uzelf opsluiten. Zonder mijn toestemming kan hij niet uitzeilen; den volgenden morgen openen we de deur van de kajuit en lachen Hogg eens terdege uit. Zorg dat uw boot tegen het aanbreken van den dag u weer van boord komt halen, ik zal dan maken, dat Hogg onverwijld naar Toulon vertrekt. ’t Zal een kostelijke grap wezen.”

Dat vond de vice-consul ook. Hij drukte Jack de hand en was weer even voorkomend als te voren.

Even vóór donker werd van de brik, die reeds onder zeil was gegaan, een sloep aan den wal gezonden, en, zooals afgesproken was, gaf meneer Hicks voor, dat hij naar zijn kantoor ging om de scheepspapieren in orde te maken—terwijl zijn eigenlijk doel was, zijn zusters kleeren aan te trekken. Miss Hicks stond onmiddellijk op, wenschte onzen held een aangename reis en zei, ook al weer zooals afgesproken was, dat ze met zware hoofdpijn naar bed moest. Zij wenschte haar broeder goedennacht, en begaf zich naar haar kamer waar ze nog een uur zou wachten, waarna Jack haar in den tuin zou vinden en naar den brik brengen. Onze held ging mede het kantoor binnen en hielp den vice-consul, die al zijn eigen bovenkleeren uittrok en in een doek knoopte ten einde ze, als hij eenmaal aan boord in de hut zou wezen, weer aan te trekken. Bladzijde 152

Zoodra Hicks klaar was, nam Jack het bundeltje kleeren op en geleidde de gewaande Miss naar de sloep. Haastig zetten zij af en bij die gelegenheid liet Jack ongemerkt meneer Hicks’ bundeltje te water vallen. Spoedig waren ze aan boord van het schip, waar Jack den verkleeden consul naar de hut bracht, die deze niet achter zich sloot, dan na eerst Jack onder een handdruk toegefluisterd te hebben: “Wat zullen we morgen lachen!”

Niet zoodra was de boot weer opgeheschen of kapitein Hogg kwam naar onzen held toe, schudde hem de hand en zei ook: “Wel, meneer Rustig, wat zullen we morgen lachen!”

“Die ’t laatst lacht, lacht ’t best,” dacht Jack.

Er woei een flinke bries, en die de wacht te kooi hadden, kropen in hun hangmatten. Ook meneer Hicks wist niets beters te doen dan te gaan slapen en bij het aanbreken van den dag was de Mary Anna al meer dan honderd mijlen van de Afrikaansche kust.

Wat zetten meneer Hicks en de kapitein nijdige gezichten toen zij zich den volgenden morgen beiden gefopt zagen? Zij waren zoo boos als een spin, maar Jack deed niets dan lachen. De kapitein wilde terug om Miss Hicks te halen, en de vice-consul verlangde zijn vrijheid weer, maar de wind woei fel en Jack wist den kapitein tot bedaren te brengen, door er op te wijzen dat bij het rekken van den tocht, er licht ossen konden sterven en hij die zou moeten vergoeden. Ook kon hij Miss Hicks later immers huwen, zonder dat haar broer er iets tegen zou kunnen doen. De onder- en bovenlijzeilen werden dus bijgezet en de reis vervolgd tot groote ergernis van meneer Hicks, die den kapitein en Jack met een aanklacht bij de regeering bedreigde. Hij eischte zijn kleeren terug, maar Jack antwoordde dat ze bij het van wal steken uit de sloep waren gevallen. Van niemand kon hij kleeren geleend krijgen, zoodat hij ten spot van allen in vrouwenrokken rondliep. Door het belachelijke van het geval vergat de kapitein zijn eigen leed; hij werd weer goede vrienden met Jack, en al weigerde meneer Hicks dien middag met hen mee te eten, zij lieten zich door zijn kwaadheid hun eetlust niet benemen.

Na een voorspoedige vaart van tien dagen bereikten ze ’s morgens van den elfden dag de Toulonsche vloot. Jack meldde zich terstond bij den admiraal en rapporteerde het meegebrachte slachtvee, en spoedig kwamen nu van al de schepen sloepen aanzetten om haar deel van de lading der Mary Anna in te nemen. Terwijl men hiermee bezig was, richtte de vlaggekapitein van het admiraalsschip zijn kijker naar het transportvaartuig en bespeurde daar aan dek een vrouwelijke gedaante. Bladzijde 153

“Is dat soms de vrouw van den stuurman?” vroeg hij aan Jack, die met den admiraal dicht bij hem stond.

“Neen, meneer,” antwoordde Jack, dat is de vice-consul.”

“Wat! een vice-consul in vrouwenrokken?”

“Ja, de vice-consul van Tetuan. Hij is in die kleeding aan boord gekomen, toen de brik al onder zeil was, en ik achtte het plicht geen oogenblik te vertragen, omdat ik wist hoe dringend de vloot om versch vleesch verlegen was.”

“Wat beteekent dat, meneer Rustig?” zei de admiraal; “daar steekt zeker iets achter. Kom even beneden alsjeblieft.”

Jack volgde nu den admiraal en den vlaggekapitein naar de kajuit en vertelde daar zonder omwegen het heele geval, wat een hartelijk gelach verwekte.

“Meneer Rustig.” zei de admiraal toen zijn lachbui over was, “ik wil er u geen verwijt van maken, maar ’t was toch dunkt mij niet noodig geweest dien vice-consul in vrouwenkleeren te steken.”

“Ik heb naar mijn beste weten gehandeld, admiraal,” antwoordde Jack heel onderdanig.

“Nu, over het geheel genomen, ben ik tevreden met wat gij gedaan hebt. Kapitein Malcolm, zend alsjeblieft een sloep uit om den vice-consul te halen.”

Meneer Hicks hunkerde er zoo naar om over al zijn leed beklag te doen, dat hij zich niet stoorde aan zijn vrouwenkleeren. Wel werd er druk gegicheld toen hij aan boord kwam, maar dat zou spoedig genoeg ophouden, dacht hij, zoodra ze maar te weten kwamen wie hij eigenlijk was. Hij droeg zijn geval aan den admiraal voor, maar vond bij dezen slechten troost.

“Hoor eens, meneer Hicks,” zei de admiraal, “al wat u daar vertelt, zijn familie-aangelegenheden, waarmee ik volstrekt niets te maken heb. Uit eigen beweging zijt gij in vrouwenkleeren aan boord gekomen, en meneer Rustig had bepaald bevel gekregen onder zeil te gaan, zoodra het transport gereed was, en geen oogenblik te toeven. Nu kunt ge u wel beklagen bij de Regeering, maar als vriend raad ik het u af. Ze houden daar niet van dergelijke grappen en het kon u uw betrekking wel eens kosten. Wees maar blij dat ge weer zoo spoedig naar Tetuan kunt, want het transportschip gaat er, na Mahon aangedaan te hebben, onmiddellijk heen. En nu, meneer, vaarwel, de sloep wacht u.”

Meneer Hicks was verbaasd over den weinigen eerbied aan een vice-consul betoond en droop af onder het gelach der gansche bemanning.

Zoodra de geheele lading ontscheept was, heesch de Mary Anna Bladzijde 154de vlag, ging onder zeil en bereikte in twee dagen Mahon, waar zij de Aurora reeds onder kommando van kapitein Wilson vonden.

Meneer Hicks had eindelijk kapitein Hogg weten te bewegen hem manskleeren te bezorgen, maar nu hij met zijn klacht bij den admiraal zoo slecht gevaren was, zag hij er geen heil in, er nog eens bij een kapitein mee aan te komen; hij bleef dus stilletjes bij kapitein Hogg aan boord en werd gedurende de thuisvaart beste maatjes met hem.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings