← Table of contents
Jack Rustig

Veertiende hoofdstuk.

A. J. van Dragt translation

Onze held onderneemt een nieuwen tocht en schiet er bijna het hachje bij in.

Gascoigne en onze held, die geen van beiden in uniform waren, hadden spoedig den eigenaar van een marktschuit opgediept. Zij troonden de man mee naar een kroeg, waar ze, met behulp van een Malthezer jongen, die wat Engelsch verstond, met hem overeenkwamen, dat hij voor de som van twee dubloenen nog dienzelfden avond onder zeil zou gaan en hen bij een of andere stad van Sicilië aan wal zou zetten. Het bezorgen van wat eetbaars en van een paar mantels om in te slapen was onder den koop begrepen.

Onze beide adelborsten keerden nu weer terug naar de herberg, waar ze vóór het duel vertoefd hadden en bestelden een flink maal. Terwijl ze in een achterkamer daarop zaten te wachten, verdreven ze zich den tijd met vliegen vangen en het praten over de gebeurtenissen van dien dag.

Daar meneer Tallboys het niet geraden achtte vóór den avond naar boord terug te keeren en ook meneer Biggs het liever eerst Bladzijde 120donker wilde laten worden, lekte er vóór den volgenden morgen niets van het duel uit. Ook toen nog werd het niet bekend door den bootsman of den konstabel, maar door een hospitaalknecht, die den scheepsdokter kwam verwittigen, dat een van de manschappen gewond bij hen was binnengebracht, maar het heel goed maakte.

Meneer Biggs was met een doek om zijn gezicht langs de valreep opgeklommen.

“Die verduivelde Jack Rustig,” mompelde hij, “sedert we van Portsmouth uitgezeild zijn, ben ik nog maar tweemaal met verlof geweest. De eerste maal moest ik ten spot van de heele bemanning zonder broek naar boord terug en nu durf ik mijn gezicht niet vertoonen.” Hij meldde zich bij den officier van de wacht en haastte zich naar de kooi, waar hij den ganschen nacht wakker lag van de pijn, en op een uitvlucht zon om den volgenden morgen niet aan dek te komen.

Die moeite had hij zich echter kunnen besparen, want meneer Jolliffe bracht den brief van Gascoigne aan meneer Sawbridge, en die van onzen held werd aan den kapitein overhandigd.

Kapitein Wilson kwam aan boord en hoorde nu van Sawbridge al de bijzonderheden die Jack onvermeld had gelaten; en nadat zij den brief van Gascoigne in de kajuit nog eens overgelezen hadden en meneer Tallboys in verhoor genomen en in arrest gezonden was, maakten zij zich vroolijk over het gebeurde.

“Er komt maar geen einde aan de dwaasheden van dien Rustig,” zei de kapitein. “Ik moet lachen om dat duel, want eigenlijk heeft ’t niets te beduiden en hij zou er met een flinke schobbeering afgekomen zijn. Maar die malle jongens zijn nu met een marktschuit naar Sicilië en hoe duivel krijgen we ze weer hier?”

“Zoodra hun geld op is, zullen ze wel vanzelf terugkomen,” antwoordde Sawbridge.

“Ja, als ze ten minste niet in andere ongelegenheden geraken. Die Gascoigne is al net zoo’n hachje als Rustig, en nu die twee bij elkaar zijn, valt er geen pijl op te trekken waar het op uit zal draaien. Van middag ga ik bij den goeverneur ten eten, wat zal die lachen als ik hem van de nieuwe manier van duelleeren vertel!”

“Ja, meneer, dat is juist een kolfje naar zijn hand.”

“We dienen toch te onderzoeken, Sawbridge, of ze het eiland al verlaten hebben; me dunkt, dat zullen ze nog niet.”

Maar het was wel zoo. Jack en Gascoigne hadden een flink maal genuttigd en vervolgens bedaard gewacht, tot de marktschipper hen kwam halen.

“Wat zullen we met de pistolen doen, Jack?” Bladzijde 121

“Meenemen en laden voordat we vertrekken—we kunnen ze soms noodig hebben. Wie weet of er aan boord van de marktschuit geen muiterij uitbreekt. Hadden we Mesty maar bij ons.”

Zij laadden de pistolen, namen er ieder een paar en borgen die onder hun vest, verdeelden kruit en lood onder elkaar en weldra kwam de schipper hun zeggen, dat alles gereed was.

Gascoigne en Rustig betaalden nu hun rekening en wilden vertrekken, maar de schipper gaf hun te kennen, dat hij klinkende munt wilde zien eer hij hen aan boord liet. Jack raakte daarover zoo verbolgen, dat hij een handvol dubloenen uit zijn zak greep en er den schipper twee van toewierp met de vraag of dat genoeg was.

De schipper trok zijn beurs, deed het geld er in en verzocht de jongelieden onder allerlei verontschuldigingen hem te volgen. Dit deden zij en niet lang daarna voeren ze vlak langs de Harpij de haven van Vallette uit.

Het was een heldere avond en onder het flikkeren der sterren en de zachte stralen der maan gleed het lichte vaartuig over het water. De onoverdekte schuit lag vol vaten en kisten, waarin druiven en allerlei vruchten geweest waren en de bemanning bestond, behalve uit den schipper zelf, uit twee man en een jongen, welke laatste drie zich vooruit bij het zeil ophielden.

De schipper zat aan het roer en was zeer beleefd tegenover de twee jongelui, die maar liever ongemoeid gelaten werden. Ten slotte vroegen zij om een paar mantels, daar ze wilden gaan slapen. De schipper riep nu den jongen om het roer van hem over te nemen, haalde wat zij verlangd hadden en ging vervolgens naar voren. Onze beide adelborsten lagen een poos naar de sterren te kijken, zonder een woord te spreken, doch eindelijk begon Jack:

“Zoo’n vaart vind ik heel prettig, Gascoigne. Wat danst zoo’n scheepje luchtig over de golven.”

“Dat vind ik ook, je zoudt je zoo heerlijk in slaap kunnen laten wiegelen; maar wat dunk je, zou ’t ook zaak zijn wacht te houden?”

“Om de waarheid te zeggen, daar heb ik ook al over gedacht. De oogen van den schipper bevallen me niet best—hij kijkt scheel.”

“Dat doet er eigenlijk minder toe, Jack, maar ik geloof dat hij verlekkerd is geraakt op je dubloenen; je hadt eens moeten zien hoe zijn oogen begonnen te glinsteren, toen je zooveel geld voor den dag haalde.”

“Ja, dat was een domme streek van me.”

“Je hadt hem liever de pistolen dan je dubloenen moeten laten zien.”

“Nu, als hij lust krijgt zich toe te eigenen wat hij gezien heeft, zal Bladzijde 122hij kennis maken met wat hij niet onder de oogen heeft gehad.”

“O, bang ben ik niet, maar we zullen toch verstandig doen met een half oog open te houden.”

“Wanneer zouden we aan land komen?”

“Morgenavond als de wind zoo blijft, en daar is veel kans op. Als we eens om beurten waakten en onze pistolen onder de mantels gereed hielden?”

“Best—’t is nu ongeveer twaalf uur—wie zal de hondenwacht op zich nemen?”

“Ik, Jack, als je ’t goed vind.”

“Goedennacht dan en kijk maar goed uit de oogen. Geef me maar een fermen stomp als ik je moet aflossen, want ik slaap verduiveld vast.”

Binnen weinige minuten lag Jack in diepe rust, terwijl Gascoigne plat in de schuit zat met naast iedere hand een pistool.

De eigenaar van het scheepje was zoo verlekkerd geraakt op de dubloenen, die Jack zoo ondoordacht had laten zien, dat hij besloot er zich meester van te maken. Terwijl onze beide vrienden zamen zaten te praten, was de schipper met de twee mannen vooruit aan het overleggen, en er werd afgesproken, dat zij de beide passagiers zouden vermoorden, plunderen en vervolgens over boord werpen.

Tegen twee uur in den morgen kwam de schipper eens kijken of ze sliepen, maar vond Gascoigne wakker. Telkens en telkens keerde hij nog eens terug, maar steeds vond hij den jongen man overeind zitten. Ongeduldig geworden, vol begeerte naar het geld en niet vermoedende dat zijn passagiers gewapend waren, begaf hij zich nogmaals vooruit om met de twee anderen te beraadslagen. Gascoigne had zijn bewegingen nauwlettend nagegaan; hij vond het vreemd, dat het roer aan den jongen werd toevertrouwd, terwijl er toch drie volwassen mannen aan boord waren, en ten laatste merkte hij op, dat ze hun messen trokken. Hij gaf Jack een peuter, zoodat deze onmiddellijk ontwaakte. Gascoigne hield jack de hand voor den mond, opdat hij geen geluid zou geven en fluisterde hem toe welke vermoedens hij had. Jack greep zijn pistolen; beiden spanden zoo voorzichtig mogelijk den haan en wachtten in stilte wat er gebeuren zou, Jack, nog liggende, terwijl Gascoigne plat op den bodem der schuit bleef zitten. Eindelijk zag Cascoigne de drie mannen naar achter komen—voor een oogenblik lei hij een zijner pistolen neer om Jack een handdruk te geven, die door dezen beantwoord werd. Terwijl Gascoigne de kerels, die tusschen de leege vaten door naderden, strak in het oog hield, bleef Jack languit liggen en deed alsof hij sliep. Dichtbij gekomen hieven de schipper Bladzijde 123en zijn beide helpers hun messen op, doch nu losten de slapend gewaande adelborsten opeens hun pistolen, en troffen den schipper en een der knechts vlak in den borst, zoodat ze beiden neerstortten. De derde aanvaller deinsde af. Jack, die niet op kon staan, omdat het lichaam van den schipper hem dwars over de beenen was gevallen, lei met het tweede pistool haastig op den derden man aan en ook deze plofte neer. De jongen aan het roer, die misschien wist waar het op aangelegd was, of wel eenvoudig het voorbeeld der anderen volgde, trok nu ook zijn mes en viel Gascoigne van achteren aan. Gelukkig schampte het mes af, zoodat Gascoigne slechts een lichte verwonding aan den schouder bekwam. Toen hij zich schielijk omwendde om den jongen neerschieten, verloor deze bij het terugdeinzen zijn evenwicht en sloeg over boord.

Onze beide adelborsten schepten nu even adem.

“Wel, Jack.” zei Gascoigne ten laatste, “had je ooit....”

“Neen, nooit.”—antwoordde Jack.

“Wat nu gedaan?”

“Om te beginnen, Ned, dienen we een van beiden aan het roer te gaan, want de schuit dobbert al aardig op goed geluk rond.”

“Je hebt gelijk,” antwoordde Gascoigne, “en daar ik beter sturen kan dan jij, zal ik dat maar op me nemen.”

Gascoigne vatte nu de roerpen ter hand, loefde bij den wind op en hervatte het gesprek.

“Die ellendige jongen heeft me een duivelschen veeg over den schouder gegeven; of hij me erg gewond heeft, weet ik niet, maar ’t is gelukkig mijn linkerschouder, zoodat ik toch evengoed sturen kan. Zouden de kerels alle drie dood zijn?”

“De schipper in elk geval,” antwoordde Jack. “Ik had heel wat werk om mijn beenen onder hem vandaan te krijgen. Maar we zullen met het onderzoek wachten tot de dag aangebroken is en intusschen mijn pistolen weer laden.”

“Het wordt in het oosten al helderder—over een half uur zal ’t wel licht zijn. Wat een drommelsche herrie, Jack!”

“Ja, wie kan dat helpen? We gingen aan den haal omdat twee menschen gewond waren,—en nu zijn we verplicht geweest uit zelfverdediging vier personen te dooden.”

“En daarmee is het nog niet afgeloopen. Wat moeten we aanvangen als we op Sicilië komen? De overheid zal ons gevangen nemen—misschien wel laten ophangen.”

“Dat zullen we toch eerst eens nader beredeneeren,” zei Jack.

“We moesten ’t maar liever onder ons beiden uitmaken, Jack, en overleggen hoe ons het best uit de verlegenheid te redden.” Bladzijde 124

“Me dunkt, dat we er juist al heel aardig aan zijn ontsnapt; wees maar niet bezorgd, we zullen een volgenden keer ook wel weer uit de klem raken. ’t Is toch gek, dat er bij al wat ik doe, zooveel overhoop raakt.”

“Ja, dat is ’t wel, Jack. Maar hoor je daar niet een van die arme kerels kreunen?”

“Dat zou niet onmogelijk wezen.”

“Wat moeten we met hen aanvangen?”

“We zullen de lijken bij ons moeten houden, of ze over boord werpen; het geheele geval vertellen precies zooals het geloopen is, of er geen woord over reppen.”

“Dat is vrij duidelijk. Maar er dient gehandeld te worden, want met praatjes komen we niet verder.”

“Stel, dat we de lijken aan boord houden, een zeehaven binnenloopen, ons bij de overheid aanmelden en meedeelen wat er gebeurd is, wat dan?”

“Dan zullen we stellig bewijzen, dat we drie man gedood hebben, maar niet, dat we er toe gedwongen waren Jack. Ze zullen ons dus in de gevangenis zetten, tot we onze onschuld hebben bewezen, wat niet zoo gemakkelijk gaan zal.”

“Dat is verre van plezierig,” antwoordde Jack. Maar laten we nu de zaak eens van den anderen kant bekijken.”

“Als we de lijken en ook de leege vaten over boord werpen, de schuit reinigen en de eerste haven de beste binnenloopen, hebben we alle kans, juist op dezelfde plaats te komen, vanwaar de schuit uitgezeild is. Dan krijgen we een hoop vrouwen en kinderen en met messen gewapende kerels aan den hals, die ons zullen vragen waar de bemanning van het vaartuig gebleven is.”

“Dat zou me volstrekt niet bevallen,” zei Jack.

“En al loopt ’t niet zoo erg, in elk geval zullen ze vragen wie wij zijn en waar we vandaan komen.”

“Alweer een moeilijkheid,” zei Jack. “We moesten maar zeggen, dat we er op uit waren gegaan, om met het pistool zeemeeuwen te schieten en door een stormwind naar Sicilië zijn afgedreven—dat wekt meteen belangstelling.”

“Misschien is dat nog maar het beste, Jack. In elk geval dienen we eerst die lijken op te ruimen; maar als de kerels eens niet dood zijn?—We kunnen ze toch niet levend over boord smijten—dat zou een moord wezen.”

“Ja, juist,” antwoordde Jack, “dus eerst ze doodgeschoten en dan overboord er mee.”

“Je bent toch een rare, Jack. Maar kom laten we eerst de Bladzijde 125kerels onderzoeken en dan beslissen. Houdt je pistool gereed, ze mochten eens enkel een schampschot gekregen hebben.”

“Deze heeft stellig zijn portie,” hernam Jack met een ruk aan het lijk van den schipper, “en de kerel, dien jij geraakt hebt, heeft een gat in zijn borst als een vuist. Nu de derde,” vervolgde hij, terwijl hij over den dwarsbalk stapte—“die is zeker ook om zeep. Wel vriend, ben je dood?” vroeg Jack en bekrachtigde zijn vraag met een schop tegen de ribben. De man kreunde. “Dat is jammer, Gascoigne, maar mijn pistool zal er gauw een eind aan maken.”

“Halt! Jack,” riep Gascoigne uit, “dat zou immers een moord zijn.”

“In het onderhavige geval niet,” beweerde Jack. “Iemand die een aanslag doet op het leven van een ander, heeft het zijne verbeurd.”

Gascoigne kon echter nog niet toegeven, dat Jack daarom recht had om met nummer drie korte metten te maken en er volgde eenig gehaspel tusschen onze beide vrienden, waaraan eindelijk de persoon in kwestie zelf een einde maakte door met een zwaren zucht den laatsten adem uit te blazen. Nu talmden zij niet langer en spoedig waren de lijken in de golven verdwenen. Nadat ook de schuit schoongeveegd was, zochten ze naar wat eten en vonden in een kist brood, worst en een kruik wijn.

“De schipper heeft toch woord gehouden en voor een maal gezorgd,” zei Jack.

“Ja, en als het gezicht van al dat goud hem niet verlokt had, zou hij nog in leven zijn.”

“Als jij niet aangeraden had op de vlucht te gaan met een marktschuit, evengoed.”

“En als jij geen duel had gehad, zou ik dien raad niet gegeven hebben.”

“En als de stuurman niet genoodzaakt was geweest te Gibraltar zonder broek aan boord te komen, zou ik niet geduelleerd hebben.”

“En als jij niet aan boord gekomen waart, zou de bootsman zijn broek aan gehad hebben.”

“En als mijn vader geen wijsgeer was geweest, zou ik niet op zee gegaan zijn; zoodat eigenlijk mijn vader van alles de schuld draagt en, zonder het zelf te weten, heel op de kust van Sicilië vier menschen gedood heeft—daar heb je nu oorzaak en gevolg. Kortom, niets gaat boven redeneeren; nu dat uitgemaakt is, kunnen we wel aan ons maal beginnen.”

Nadat dit afgeloopen was, ging Jack naar voren en kreeg land in ’t zicht; drie of vier uren stuurden zij nu denzelfden koers.

“We moeten meer bij den wind opsteken,” zei Gascoigne; “bij een kleine stad aan te leggen, zal niet geraden zijn; we hebben te Bladzijde 126kiezen of we ergens op de kust zullen landen en de schuit laten zinken, of bij een of andere groote stad binnenloopen.”

“Dat moeten we nog eens in ’t breede beredeneeren,” zei Jack.

“Neem jij dan intusschen het roer over, want mijn arm wordt me zoo moe; je kunt goed genoeg sturen en ’t is tijd, dat ik eens naar mijn schouder kijk, want hij is me heelemaal stijf geworden.” Gascoigne trok zijn jas uit en bemerkte nu dat zijn hemd van bloed doortrokken was en op de wond vastgeplakt zat. Hij nam zoolang het roer over, tot Jack hem den schouder gewasschen en verbonden had.

“Neem jij het roer nu maar weer voor je rekening,” zei Gascoigne, “want ik sta op de ziekenlijst.”

“Als heelmeester ben ik niets waard,” hernam Jack; “maar wat nu begonnen? Zullen we van avond aan wal gaan en de schuit laten zinken of een stadshaven binnenloopen?”

“Wil je wel gelooven, Jack, dat ik wou dat we weer op de Harpij zaten? Ik heb al genoeg van den tocht.”

“’t Loopt met mijn tochten ook zoo ongelukkig,” antwoordde Jack, “ze zijn al te avontuurlijk; maar aan den wal ben ik nog nooit aan ’t ronddolen geweest. Me dunkt, als we Palermo maar konden bereiken, zouden we alle moeilijkheden te boven zijn.”

“De wind wakkert aan, Jack,” zei Gascoigne; “en ’t begint er te loevert vrij smerig uit te zien. Ik vrees dat we storm krijgen.”

“Dat belooft weinig goeds—ik weet wat het zegt bij een storm gebrek aan handen te hebben; één ding is echter gelukkig, we zullen ditmaal niet uit den wal gedreven worden.”

“Neen, maar wel op de klippen schipbreuk lijden. Er staat te veel zeil bij, Rustig, we zullen wat moeten strijken en een rif leggen, en hoe eer hoe liever maar, want over een uur zal het donker zijn. Ga vooruit het zeil maar strijken, dan zal ik je helpen.”

Jack deed dit, maar het zeil zakte in het water en hij kon ’t niet binnen boord krijgen.

“Zet ’t aan de spil vast,” zei Gascoigne, “dan zal ik er de wind uit laten loopen.”

Dit gebeurde; zij reefden het zeil, maar konden het niet meer omhoog krijgen: telkens als Gascoigne den helmstok losliet om Jack te helpen, schoot de wind in het zeil, en als hij dan naar het roer ging om den wind weer uit het zeil te krijgen, was Jack alleen niet sterk genoeg om het op te hijschen.

De wind werd hand over hand sterker en de zee onstuimiger; de zon school weg en met het halverwege geheschen zeil konden ze niet bij den wind houden, maar waren verplicht recht op de kust aan te varen. De schuit vloog vooruit over de koppen der golven en Bladzijde 127de kiel stond half blank van het water; de maan was al opgekomen en gaf licht genoeg om te doen zien, dat zij niet meer dan vijf mijlen van de kust verwijderd waren, waar een breede strook schuim een hevige branding verried.

“In elk geval kunnen ze ons niet beschuldigen, dat wij er met de schuit van door zijn,” merkte Jack op; “zij is integendeel met ons aan den haal.”

“Ja,” stemde Gascoigne toe, die al zijn kracht noodig had om de roerpen te regeeren; “zij heeft het bit tusschen de tanden genomen.”

“Ik wou, dat ik ook maar wat tusschen de tanden had,” zei Jack, “want ik heb een verduivelden honger; en jij, Ned?”

“Ik niet minder,” antwoordde Gascoigne; “maar, weet je, Jack, ’t kon best ons galgemaal wezen.”

“Dan mag ’t wel bijzonder goed zijn.—Maar hoe denk je dat zoo, Ned?”

“Over een half uur zitten we op het strand.”

“Daar moeten we immers juist wezen.”

“Ja, maar er staat een hooge zee en ons vaartuig kon wel eens tegen de rotsen stuk geslagen worden.”

“Nu, dan zal ons daar ten minste niet meer naar gevraagd worden.”

“Dat is wel waar, maar met die klippen is ’t geen gekscheren; we zullen ’t er zelf niet beter afbrengen dan de schuit en zwemmen helpt ook niet. Konden we maar een inham of een zandbank vinden, dan zou het misschien nog gelukken om aan wal te komen.”

“Ja,” hernam Jack, “ik ben nog niet lang op zee en weet natuurlijk nog weinig van al die dingen. Je zult wel gelijk hebben, maar ik zie het groote gevaar niet in—laten we de schuit hier maar dadelijk recht op het strand laten loopen.”

“Dat zal ik ten minste beproeven,” antwoordde Gascoigne, die al vier jaar ter zee voer en vrij goed wist wat er gedaan diende te worden.

Jack reikte hem een flink stuk brood met worst toe.

“Dank je, ik kan nu niet eten.”

“Ik wel,” antwoordde Jack, met een vollen mond.

Jack at en Gascoigne stuurde; de snelheid waarmee de marktschuit op de kust aanstoof was werkelijk onrustbarend. Als een pijl vloog ze van golf op golf en scheen er den spot mee te drijven, als deze haar toppen over den smallen achtersteven deden krullen. Geen mijl waren ze meer van het strand, toen Jack, die intusschen met zijn avondmaal klaar was en naar het bruischend schuim langs de kust zag, uitriep:

“Dat is heerlijk—prachtig!” Bladzijde 128

“Hij bekommert zich ook nergens om,” dacht Gascoigne; “’t schijnt wel dat hij geen flauw begrip heeft van het gevaar waarin we verkeeren.”

“Wacht maar, mijn beste jongen,” zei Gascoigne, “binnen weinige minuten zitten we op de klippen. Ik kan onmogelijk van het roer weg, maar als we elkaar niet mochten terugzien, vaarwel dan, Jack, God zegen je.”

“Gascoigne,” zei Jack, “jij bent gewond, en ik niet; je schouder is stijf en je kunt den linkerarm ternauwernood bewegen. Als het toch op de klippen uitdraaien moet, kan ik evengoed sturen als jij. Ga jij voor naar den boeg, daar zul je een betere kans hebben.” En de pistolen tusschen zijn vest stekende, liet hij er op volgen: “ik wil die dingen toch niet achterlaten, ze hebben ons te goede diensten bewezen. Komaan, Gascoigne, laat mij nu aan het roer.”

“Neen, neen, Rustig.”

“Ik zeg van ja,” hernam Jack, op luiden, gebiedenden toon, “en wat meer is, ik wil gehoorzaamd worden, Gascoigne. Al heb ik geen voldoende kennis, spierkracht heb ik toch, en op de kust kan ik al licht aansturen. Kom, laat mij aan het roer. Als je dan niet goedschiks wilt, zal ik er me met geweld van meester maken.”

Rustig wrong Gascoigne den helmstok uit de hand, en gaf hem een duw.

“Ga nu vooruit en zeg me hoe ik sturen moet.”

Hoe Gascoigne ook gestemd was over Jack’s manier van handelen, toch begreep hij onmiddellijk, dat er niets beters op zat dan de schuit op de minst onveilige plek te laten loopen, en hij dus waarschijnlijk vooruit nog betere diensten zou kunnen bewijzen dan aan het roer. Hij tuurde strak naar de klippen, waar de golven telkens als schuimend bovenuit sloegen, om dan als watervallen weer langs de kanten er van neer te stroomen. Wat rechtsaf bespeurde hij een gaping; als het vaartuig daarop aangehouden werd, meende hij, zou het zóó hoog opgeworpen worden, dat er voor hen kans zou zijn er uit te komen. Dit was nog de eenige manier om aan den dood te ontsnappen.

“Een beetje stuurboord—zoo is ’t genoeg. Recht zoo—bakboord nu—bakboord? Pas op dat de ra je niet tegen het hoofd slaat—vasthouden!”

Op dit oogenblik werd de marktschuit in een breede kloof van een rots gesmeten, waarvan de zijden bijna loodrecht stonden; dit was het eenige wat hen kon redden, want als ze van den buitenkant tegen de klip aangekomen waren zou de schuit aan splinters geslagen zijn. De kloof was nog geen vier voet breeder dan de schuit, en Bladzijde 129daar dezen door de golven omhoog geslingerd werd, sloeg de ra met groot geweld heen en weer. Jack zou stellig over boord geworpen zijn, als hij niet gewaarschuwd was geworden; maar nu dook hij neer, zoodat de ra over hem heen ging. Toen het water terugweek, bleef de schuit tusschen de rotswanden hangen, maar een tweede golf stuwde ze nog hooger op en vulde ze tegelijkertijd met water. De boeg stond nu verscheidene voeten hooger dan de achtersteven, waar Jack zich bevond; en het gewicht van het water, vereenigd met de kracht der terugslaande golven, deed het vaartuig vlak achter den mast vaneensplijten. Jack bemerkte, dat het achtergedeelte van het schip weggeslagen werd; hij greep de ra, die nog heen en weer slingerde en terwijl hij zich daaraan vastklemde, zag hij het gedeelte van de schuit, waar hij zooeven nog gestaan had, onder zich in de golven verzinken.

Jack moest al zijn krachten inspannen om niet door de telkens opgezweepte golven weggerukt te worden; maar hij wist dat zijn leven van het vasthouden der ra afhing en ofschoon het water gedurig over hem heen sloeg, liet hij niet los. Eindelijk wist hij vasten voet te krijgen op de klip en kroop naar het voorstuk van de schuit, dat heel wat hoogerop tusschen een nauwer gedeelte van de kloof vastgeklemd zat. Opziende zag hij boven zich op een rotspunt Gascoigne staan, die hem nu de hand toestak en omhoog hielp.

“Ziezoo,” zei Jack, terwijl hij het water afschudde, “hier zijn we tenminste aan wal—zoo iets had ik me toch niet kunnen voorstellen. De drang van het terugstroomende water was zoo groot, dat mijn arm er bijna door uit het lid getrokken zou zijn. Hoe gelukkig, dat ik jou met je gewonden schouder naar voren heb laten gaan! Nu alles voorbij is, en je gezien hebt dat ik toch gelijk had, zul je mijn ruwe bejegening wel niet kwalijk nemen.”

“Je behoeft geen verschooning te vragen, dat je me het leven gered hebt, Jack,” antwoordde Gascoigne, bibberend van koude.

“Ik moet eens zien of onze ammunitie droog gebleven is,” zei Jack; “ik heb ze in mijn hoed geborgen.”

Jack zette zijn hoed af en bevond, dat de patronen niets geleden hadden.

“Wat nu begonnen, Gascoigne?”

“Ik weet ’t waarlijk niet.”

“Laten we dan hier gaan zitten, om het eens goed te overleggen.”

“Dank je wel, er zou te veel koud water over onze redeneeringen loopen—ik ben halfdood; laten we opstappen.”

“Met alle genoegen,” zei Jack, “al loopt ’t hier alles behalve gemakkelijk.” Bladzijde 130

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings